Hij praat, hij jaagt en hij is handig; BOTRESTEN EN WERKTUIGEN POETSEN NEGATIEF BEELD VAN NEANDERTHALER OP

Binnenkort verschijnt een tweede, aangevulde druk van Theo Hollemans boek 'De Neanderthaler. Een verguisde pionier'. Amsterdam University Press 1998, 96 blz. f19,50. Het debat over de mentale capaciteiten van de Neanderthaler is dit jaar fel opgelaaid. Voorlopige conclusie: Neanderthalers waren geen gedrochten ze deden niet onder voor de Moderne Mens.

OVER DE Neanderthaler is al veel gestreden. Was deze Mens (ca. 130.000 tot rond 30.000 jaar geleden) een aaseter of een jager? Had hij grafrituelen, een sociaal leven? Kon hij praten? Maakte hij kunst? Recent onderzoek toont een steeds positiever beeld van onze naaste verwant in de evolutie.

Ja, hij was een jager, al zal hij een kadaver niet uit de weg zijn gegaan. Zijn voorouders maakten zelfs 400.000 jaar geleden al prachtige werpsperen waarmee ze op paarden joegen. En ja, sociaal gedrag van Neanderthalers omvatte zorgzaamheid voor anderen. Raakte een Neanderthaler bij de jacht gewond, of overkwam hem een ander ongeluk, dan lieten zijn groepsgenoten hem niet in de steek. Dat valt op te maken uit helingen en vergroeiingen van ernstige beschadigingen aan skeletten. Zelfs Neanderthalers die door een ongeluk permanent invalide werden, kwamen er niet alleen voor te staan. Waarschijnlijk kregen zij een aangepaste taak. Zo is er een geval bekend van een Neanderthaler-invalide met abnormaal afgesleten tanden. Mogelijk besteedde hij na het ongeval zijn tijd aan het soepel kauwen van huiden.

Voorts zou hij zijn overleden groepsgenoten niet zo maar hebben achtergelaten maar hebben begraven. Bij stoffelijke resten van Neanderthalers zijn vuurstenen werktuigen, overeind gezette horens van wilde dieren en zelfs pollen van bloemen gevonden. Zijn gereedschap, gemaakt met de zogenoemde Mousterien- en Levallois-technieken, bestond uit een hele serie knappe schrapers spitsen, krabbers en vuistbijlen. En een recente vondst van een tongbeen in een Neanderthalerskelet bevestigt dat hij over gearticuleerde spraak moet hebben beschikt, iets wat voor de gemeenschappelijk jacht toch al handig leek.

Aanwijzingen voor kunstzinnig gedrag tenslotte zijn dun gezaaid. Doorboorde dierentanden, wat benen kralen, een onduidelijk vrouwenfiguurtje (de Berekhat Ram figurine) en mogelijk zelfs een vijfenveertigduizend jaar oude fluit, gemaakt uit het bot van een holenbeer.

Het positievere beeld dat uit deze nieuwe gegevens oprijst, is echter lang niet overal aanvaard. De meeste negatieve beoordelingen van de vaardigheden van de Neanderthaler komen samen in de stelling dat zijn cultuur een stagnerende was. Dit wordt geillustreerd met wat er na 80.000 jaar geleden in het Midden-Oosten en na 40.000 voor Christus in Europa gebeurde. In zijn domein kreeg de Neanderthaler te maken met een nieuwkomer: Homo sapiens sapiens. Een slanke verschijning uit warmere streken, naar een Franse vindplaats ook wel Cro Magnon-mens genoemd. Deze bracht een meer verfijnde gereedschapset (het zogenoemde Aurignacien) mee dan de Neanderthaler had. Ook maakte de Homo sapiens sapiens werktuigen van been, ivoor en hoorn. Hij fabriceerde allerlei kralen en andere persoonlijke versieringen en voorzag zijn werktuigen van kunstige graveringen. Verder richtte hij zijn verblijfplaatsen anders in. Het verschil met de materiele cultuur van de Neanderthaler was groot. De Moderne Mens kwam en liet met een stap de voortsukkelende Neanderthaler ver achter zich.

Ja, maar zo ging dat waarschijnlijk toch niet. Twee strategische onderzoeken werden deze zomer gepubliceerd. Het ene beslecht definitief de aloude kwestie van jagen of aaseten, het andere toont aan dat de cultuur van de Neanderthaler allerminst 'stationair draaide' en zet en passant de idee van modern menselijke superioriteit op de helling.

Klein grut op de huid zitten, dat ging nog wel.

Maar verder: aaseters, dat moesten de Neanderthalers zijn geweest. Pas de 'dubbelwijze' sapiens sapiens-mensen waren echte grootwildjagers. Heel misschien waagden late Neanderthalers zich ook aan deze categorie dieren. Echter niet voordat zij tactiek en werkwijze hadden afgekeken van Moderne Mensen. Deze nog breed aangehangen veronderstellingen zijn gebaseerd op een misvatting zo schrijft C. Marean in Current Anthropology (volume 39, supplement, juni 1998). Tijdens opgravingen in Neanderthalervindplaatsen als de Grotte Vaufrey, Combe Grenal en Grotta Guattari kwam altijd veel bot van groot wild te voorschijn. De oververtegenwoordiging van schedeldelen en pootbotten werd opgevat als het bewijs voor aaseten. Koppen en poten immers vormen de buit waarop aaseters zijn aangewezen nadat roofdieren zich te goed hebben gedaan. Fragmenten van botschachten bleven echter buiten beschouwing; dikwijls werden ze tijdens de opgraving niet eens verzameld.

In 1959 groef de Amerikaanse archeoloog Howe de Iraanse Kobeh Grot (Zagros Gebergte) leeg, een verblijfplaats van Neanderthalers. Howe bracht de vondsten naar Amerika waar ze snel in een magazijn terecht zouden komen. Paleoantropoloog Marean haalde het materiaal daar in 1990 weer uit. Drie jaar besteedde hij aan schoonmaken en refitten van de dierlijke botresten, ook van de fragmenten van lange botschachten. Na nog eens drie jaar had hij de identificatie van de skeletonderdelen en de betrokken diersoorten rond. Wilde schapen en berggeiten waren het vooral. Bij de tellingen deed Marean een belangrijke ontdekking. Als hij de botschachten meerekende verdween het bekende patroon van domineren van kop en onderpoot. Het patroon op basis waarvan de Neanderthaler een aaseter was genoemd.

BOTSCHACHTEN

Marean ging verder en bestudeerde op het botoppervlak ook de snij- en slagsporen van vuursteen en de knaagsporen van wilde dieren. Op de lange botschachten waren sporen van vuurstenen werktuigen veruit in de meerderheid. Uitgaande van de idee dat mensen en roofdieren bij de 'exploitatie van de fauna' op dezelfde voedingsstoffen uit zijn: vlees en ander zacht weefsel, beenmerg en beenvet, had hij de bewijsvoering rond voor de stelling dat de Neanderthaler een jager was. Immers, als de roofdieren het eerst bij de prooi waren geweest, dan hadden hun knaagsporen op de botten gedomineerd.

Het tweede belangrijke artikel betreft een oude kwestie. Het is van een groepje Spaanse en Franse onderzoekers rond de in Bordeaux werkzame paleoantropoloog F. d'Errico en werd eveneens gepubliceerd in bovengenoemde aflevering van Current Anthropology. In het begin van deze eeuw werd bij Chatelperron in de Perigord een opmerkelijke vondst gedaan: vuurstenen gereedschap dat gedeeltelijk leek op het oudere Mousterien van Neandertalers, maar ook op het Aurignacien van de Homo sapiens sapiens. Er lagen werktuigen bij van been, gewei en ivoor. En sieraden. Voor een deel misschien minder fraai dan wat het Aurignacien liet zien, maar toch. Meer 'Chatelperronien'-vindplaatsen volgden. In Frankrijk zelf Noord-Spanje, Midden-Europa en Italie (waar men van het Uluzzien spreekt). Het Chatelperronien moest een voorloper zijn van het Aurignacien oordeelde men, en zou daarom bij de eerste Europese Moderne Mensen hebben gehoord. In 1979 kwam de weerlegging. Te St. Cesaire groef men het skelet op van een Neanderthaler temidden van Chatelperronien artefacten. Niet de Moderne Mens maar de Neanderthaler bleek verantwoordelijk voor deze ontwikkeling.

Hoe kon dat? De meeste verklaringen werden geformuleerd uit het idee van modern menselijke superioriteit: de Neanderthalers imiteerden de nieuwkomers, of ze hadden de spullen niet zelf gemaakt maar gevonden of geruild met de Moderne Mensen. Of: de sieraden konden niet van Neanderthalers zijn, want daarachter gaan symbolische betekenisgevingen schuil, en de Neanderthalers misten de hiervoor noodzakelijke intelligentie en complexe taal.

D'Errico en de zijnen kwamen echter tot de conclusie dat de empirie geen enkele steun voor deze hypothesen biedt. Daarbij werd het Chatelperronien tot nu toe onjuist gedateerd. Het zou in oorsprong ouder zijn dan het Aurignacien, wat imitatie natuurlijk onmogelijk maakt. Volgens D'Errico waren de Neanderthalers wel degelijk uit zichzelf tot innoveren in staat. De argumentatie betreft onder meer het Mousterien of Acheulian Tradition.

VUISTBIJL

Rond 75.000 voor Christus introduceerde de Neanderthaler een nieuwigheidje in de vorm van een grotere vuistbijl. Vanwege de gelijkenis met een veel ouder Acheulisch 'ontwerp' heeft die de naam Mousterien of Acheulean Tradition (MAT) meegekregen. Deze naamgeving suggereert een 'teruggrijpen op' werktuigen van 225.000 jaar eerder, maar nieuwe analyses van de betrokken afslagtechniek tonen aan dat het MAT ten opzichte van het Mousterien een sprong vooruit was en op zichzelf weer de basis voor een hele serie technische vernieuwingen in vuursteenbewerking. En wat Neanderthalersieraden aangaat: die zijn vaak anders gemaakt dan de 'moderne' Aurignacien-exemplaren, anders van vorm en deels van ander materiaal, en bleven zo gemaakt worden, ook nadat het contact met Moderne Mensen tot stand was gekomen.

Er bestaat, aldus D'Errico, geen reden meer om aan te nemen dat de technische vooruitgang van Neanderthalers, of de ontwikkeling van hun kunstzinnig gedrag afhankelijk was van het verschijnen en de invloed van de Moderne Mens.

De Neanderthaler had kortom een andere cultuur dan de eerste Moderne Mensen, maar was zeker niet diens mindere toen ze elkaar voor het eerst tegen het lijf liepen. Dit maakt echter het raadsel van de verdwijning van de Neanderthaler - binnen tien- tot twaalfduizend jaar na het eerste contact met de sapiens sapiens mens - alleen maar groter. In het zogenoemde vervangingsmodel bestaan voor die verdwijning drie scenario's. Het eerste is een proces van moord en doodslag, het tweede een verloren concurrentieslag om de beschikbare voedsel- en hulpbronnen het derde is een combinatie van de vorige twee. Maar als Moderne mens en Neanderthaler oorspronkelijk gelijkwaardig waren zal het verschil tussen deze twee menssoorten beter moeten worden gedefinieerd dan de al te simpele verhouding superieur/inferieur. En dat verschil moet kunnen leiden tussen overleven en uitsterven. Dit klemt te meer omdat nieuwe ideeen als die van D'Errico et alii over de coexistentie van de Neanderthaler en de Moderne Mens de mogelijkheid openen van cultureel tweerichtingsverkeer. Wat ook logischer is. De nieuwkomer belandde in voor hem praktisch onbekende, harde klimatologische omstandigheden. Hij zal om te kunnen overleven grote behoefte hebben gehad aan informatie van mensen die daar al tienduizenden jaren in slaagden. Sneu voor de Neanderthaler. De waarheid die daarachter steekt: een wegbereider is zelden ook een overlever.

    • Theo Holleman