'Het maakt uit of je familie is vermoord'

AMSTERDAM, 28 NOV. Binnenkort begint een grootschalig onderzoek naar de opvang van joden en niet-joden na de Tweede Wereldoorlog.

Een schandaal, eind vorig jaar. Door de Duitse bank Lippmann-Rosenthal in de Tweede Wereldoorlog geroofde joodse bezittingen waren in 1968 onderhands verkocht door ambtenaren van Financien. De Liro-affaire was geboren.

IJlings werd een commissie in het leven geroepen, en daarna nog een. En nu onderzoeken liefst vijf commissies of joden, dan wel hun nabestaanden, na de oorlog hebben gekregen waar ze financieel recht op hebben.

Maar de affaire maakte meer los. Had Nederland zich niet belabberd opgesteld ten opzichte van joden die terugkeerden uit de concentratiekampen? Verhalen over leeggeroofde en verkochte huizen (“Wij dachten dat u dood was') waren bekend. Net als verhalen over een kille en formele behandeling of over stateloze joden die in kampen werden opgevangen. Het Centraal Joods Overleg vond dat ook deze immateriele aspecten onderzocht moesten worden.

Het kabinet overlegde met H. Blom, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) en stemde enkele weken geleden in met een voorstel voor een grootschalig onderzoek. Niet door het RIOD - dat geassocieerd wordt met de overheid, terwijl de rol van diezelfde overheid tegen het licht moet worden gehouden - maar door een apart hiervoor op te richten Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO). En niet alleen naar de opvang van joden, maar ook naar de behandeling van zigeuners repatrianten en migranten uit Nederlands-Indie en Nederlandse politieke gevangen en dwangarbeiders. Het twee jaar durende onderzoek, waarvoor vijf miljoen gulden beschikbaar is, begint officieel op 7 december met een bijeenkomst in de RAI in Amsterdam, waar alle getroffenen hun verhaal mogen doen. Conny Kristel (43) is directeur van de SOTO.

“Het moeilijkst aan deze studie is dat je ontzettend op je vingers wordt gekeken.'

Het is een beetje laat.

“Voor de direct betrokkenen wel natuurlijk, velen zijn al overleden. We krijgen daar ook bittere brieven over van nabestaanden. Natuurlijk was het mooi geweest als het eerder was gedaan, maar dat is nu eenmaal niet zo. Het accent lag altijd op wat er Ain de oorlog is gebeurd. Over de Duitsers, over de collaboratie, over de Joodsche Raad. Maar vanuit historisch oogpunt is het niet te laat.'

Het onderzoek lijkt bedoeld om de verontwaardiging te sussen.

“Dat hoor ik wel vaker. Het is ook niet gek dat mensen dat zeggen. De Liro-affaire is duidelijk de aanleiding voor dit onderzoek en het is absoluut een reactie op het debat dat toen losbarstte. Maar als wetenschapper vind ik het goed dat er nu geld is om zo'n belangrijke periode te beschrijven.'

Het RIOD voert formeel het onderzoek niet uit. Maar de directeur was bij de opzet betrokken, hij zit in het bestuur van de stichting, is uw promotor geweest, u bent zelf bij het RIOD betrokken geweest en de stichting is gevestigd in het RIOD-gebouw.

“Dat klopt allemaal wel, maar twee andere leden van het bestuur hebben niets met het RIOD te maken en er is een onafhankelijke wetenschappelijke begeleidingscommissie. Bovendien is van de meer dan twintig onderzoekers die zijn aangenomen, niemand afkomstig van het RIOD.

Toch wordt door critici voor de onafhankelijkheid van het onderzoek gevreesd.

“Ik vind het jammer en niet fair als mensen al een mening verkondigen voordat we iets geschreven hebben. In 2001 verschijnt een boek dat wordt geschreven door Martin Bossenbroek. Hij heeft ook nooit voor het RIOD gewerkt.

En bovendien is dat boek weer gebaseerd op alle deelonderzoeken. Ik denk, wacht dat boek af en schrijf desnoods dan een vernietigende analyse.'

Bij de terugkeer werden de regels vaak correct toegepast, maar het effect was pijnlijk. Dat roept vragen op over goed of fout. Zal het boek daar een moreel oordeel over geven?

“De ervaringen van de mensen die na de oorlog terugkeerden naar Nederland, spelen een hele belangrijke rol in het onderzoek. Maar we moeten ook de beweegredenen van de overheid en de lokale bestuurders afwegen. Dat is moeilijk. Het waren chaotische maanden, na de bevrijding. Mensen meldden zich aan de grens en wilden naar huis. Maar de overheid wilde iedereen registreren om de SS'ers eruit te halen. En mensen werden medisch onderzocht en in quarantaine gesteld. De overweging van die ambtenaar aan de grens, of de burgemeester die moest beslissen of iemand naar huis mocht worden vervoerd, moeten we ook meenemen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat we alsnog tot de conclusie kunnen komen dat bepaalde regelingen achteraf als een misser moeten worden beschouwd.'

Het onderzoek richt zich op veel verschillende groepen. Wordt de manier waarop zij na terugkeer zijn behandeld verschillend beoordeeld?

“Ja. Het maakt natuurlijk uit of je familie is vermoord. Verzachtende omstandigheden, zoals de chaos en de misschien begrijpelijke regels, gaan niet op als je kijkt naar de ervaringen van joden. Het probleem van de burgemeester valt daarbij in het niet.'