'Gezuiverd voelde ik me. Stil. Van zilver.'; Ger Vaders, of de zelfbevrijding van een gijzelaar

Vastgebonden aan mijn polsen hing ik in de harmonica tussen twee wagons. Ik diende als een levend schild tegen mariniers, die via de kop van de trein naar binnen konden stormen. In dat geval zou ik ongetwijfeld worden doorzeefd. Iets verderop zag ik de machinist liggen, met een grimas op zijn gezicht, vreemd gekronkeld, in een plas bloed. Dood.

Ik had de Intercity naar Den Haag gemist en was op een stopper gesprongen. Te lang tegen Marietje aan in bed gelegen. Er was weer toenadering. Met seks had het niets te maken, het was juist het tegendeel van opwinding: eindelijk rust tussen ons. Een woordloze verzoening.

Ik hoorde de Molukkers mijn lot bepraten: kapotschieten of niet? Ik was zo bang als de nete. Tegelijkertijd voelde ik sterker dan ooit de sensatie van 'ik leef'. Het deed me denken aan de dagelijkse patrouilles, het 's nachts onder vuur liggen in Tjebongan: al je zintuigen staan wijd open je verdrinkt in je adrenaline. Eerlijk gezegd ben ik blij dat ik het heb meegemaakt, al gaat het me te ver om de kapers er voor te bedanken.

De eerste keer dat iemand een machinepistool in mijn buik prikte was 9 februari 1943. Een zwarte Schmeiszer, verdomd doeltreffend wapen trouwens prima. Je wordt wakker en je kijkt in het smoelwerk van een Duitse soldaat. 'Draus, du Arschloch.' Mijn vader riep huilend 'schoft' tegen de Hauptmann, 'blijf van mijn kinderen af'. Ik zei niks, ik was een artistiekerig jochie van zeventien, dat gedichten schreef en schilderde. Geen branie, om het op z'n Indonesisch te zeggen.

We werden naar de strafgevangenis Scheveningen gevoerd. Een sombere bedoening, tot op de dag van vandaag een plek die niet deugt. Ik kan me wel voorstellen dat Cornelis Thenu daar als gevangene heeft gerebelleerd tegen de inhumane omstandigheden waaronder mensen vastzitten. Vanuit Scheveningen werden wij op transport gezet naar het concentratiekamp Vught. O ironie: ook daar zou Thenu nog eens rondlopen, op zoek naar vrienden. Begin jaren vijftig kwamen er Molukkers te wonen met wie Nederland geen raad wist.

Vught was ellendig. Afgeblaft worden, nauwelijks iets te vreten krijgen bang afwachten. Tijdens een appel zag ik voor mijn eigen ogen een joodse dwangarbeider bezwijken onder schoten vanuit de wachttoren. Niemand protesteerde, ook ik niet. Je kunt niks, je laat een rolluik neer waarachter je gekwetstheid zit.

De SS'ers namen na enige tijd een besluit dat mijn bevrijding betekende: ze loosden een stuk of wat jonge gevangenen. Ik had een blonde, Germaanse babyface. Door mijn appelwangetjes op te wrijven en te liegen over mijn leeftijd, ontsprong ik de dans.

Mijn leven is een optelsom van bijna dood-ervaringen en rare ontsnappingen. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog raakte ik verzeild in een Canadees bombardement. In de jaren '46-'49 nam ik als soldaat-sadjah deel aan de politionele acties op Java. In de buurt van Kalasan gooide de TNI, het Indonesische leger, twee gele handgranaten naar mijn kop. Ze vielen vlak naast me neer, maar ontploften niet. Dat schijnt maar een op de tien miljard keer te gebeuren. Na mijn trouwen ben ik met Rietje naar de plaats van de narrow escape gereisd. Deed me niet veel. Door de overdosis bizarre voorvallen die ik had meegemaakt, was het iets normaals geworden.

Het vreemde is dus dat ik net als Thenu tegenover de Indonesiers heb gestaan. Ik kwam net uit de oorlog, wist geen mallemoer van politiek, was zoals iedereen volkomen verkeerd voorgelicht door het Nederlandse establishment, en ging Indonesie even bevrijden van Soekarno's fascistische boevenzooi.

Ik kwam in een situatie terecht met een onbeschrijflijke armoede, terreur, verwarring. Het duurde een poosje voor ik in de gaten kreeg dat het faliekant fout was wat Nederland daar uitvrat.

Met die verdomde artillerie van ons boenkaboenkaboenk dorpen vol vrouwen en kinderen platschieten... In het begin vind je het nog mooi: vuurwerk! Macht! Christus, Kennedy en Cruijff tegelijkertijd zijn - zo'n gevoel moeten de kapers hebben gehad. Net als ik.

Ik had in Indonesie geen moment de moed om dat circus te verlaten. Overleven, meer kon ik niet. Me drukken. In mijn militaire omgeving vonden ze me een verdachte figuur: ik had voor de Waarheid geschreven, vast een radikalinski! Ondertussen zag ik het excessieve geweld doorgaan. Sterker, onder druk deed ik de schlemielige intellectueel, eraan mee. Ik ben bijvoorbeeld zo klootzakkerig geweest een man dood te paffen die rustig uit een kampong kwam sjokken. Het bleek de dorpsgek.

Toen mijn legeronderdeel als infanterie werd ingezet, kregen we versterking van een paar KNIL-mensen Molukkers. Manuputty, die naam staat me nog bij. Een hardnekkig verhaal was dat die jongens het liefst met de klewang doodden en na afloop het vijandelijke bloed van het lemet likten. Die gewoonte ging terug op de geschiedenis: het onthoofden van tegenstanders was voor bewoners van Ambon een gewone, nee, aanzien gevende bezigheid.

Een 'Molukse zaak' had je in die fase nog niet. Wel waren de Molukkers emotioneel verscheurd. Zij begonnen in te zien dat ze door het ondersteunen van de colonial rule aan de verkeerde zijde stonden. Anderzijds voelden velen in hun gemeenschap ook niks voor Jakarta: dat wilde de Molukkers in een eenheidsstaat persen, desnoods door middel van een burgeroorlog. Krachtig werd het Molukse nationalisme naar mijn idee pas in Westerbork. Verabsolutering door afgesneden- en opgesloten-zijn, het was een geval a la de Palestijnen in diaspora.

De eerste minuten van de kaping staan in mijn geheugen gebeiteld. De noodrem. De vastslaande treinwielen op het spoor. Mannen met bivakmutsen. Paniek. Salvo's uit een uzi. Een kogel die een paar centimeter boven mijn kop in de wand sloeg. Jezus, niet nog 's. Ik zag een kolf van een sten met een rood, groen, wit en blauw embleem, wist onmiddellijk dat het Molukkers waren. Je bent hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden, je kent die zaak van haver tot gort.

Bang was ik op dat ogenblik niet. Eerder kwaad. De kapers hadden op machinist Braam geschoten. 'Die man is gewond', zei ik. 'Laat hem verdomme niet doodbloeden, zorg dat er een ambulance komt.' Daar trokken ze zich nou niet bepaald wat van aan. Eli richtte zijn wapen op het hoofd van Braam en haalde de trekker over.

Hoe psychopatisch Eli ook deed: Cornelis Thenu manifesteerde zich als zijn trouwe partner in crime. Door de anderen werd hij ketjil genoemd, 'kleintje'. Cor was de jongste en de felste van het stel, ik heb hem weleens omschreven als een imitatie van Buffalo Bill. Gevoelsarm, was mijn indruk. Aan zijn maten merkte je van tijd tot tijd dat ze de gijzeling in wezen een rotjob vonden. Je kon met hen praten, je kon hen zelfs beinvloeden. Maar Cornelis genoot. Hij vond het fantastisch om gevaarlijk te zijn. Daarom vind ik het moeilijk hem te vergeven. Een voor mij wel heel frustrerende gewoonte was dat-ie zijn machinepistool in je navel plantte - een gevoel dat ik maar al te goed kende.

En vastzitten in een vrieskoude, geblindeerde trein, ook daar had ik ervaring mee. In '43 vervoerden de Duitsers ons in verduisterde wagons naar Vught. Precies dezelfde claustrofobische mengeling van angst, optimisme, woede, hysterie, ontkenning.

Een kerel die zegt: 'Hopelijk vergeet mijn vrouw niet de duiven te voeren'. In Wijster ging het aanvankelijk ook zo. Terwijl die trein veranderde in de gele rups van een doodskopvlinder, discussieerden passagiers over de vraag of hun kaartje de volgende dag nog geldig zou zijn. Een grappig verschil met mijn oorlogsreis was dat de ramen dit keer waren beplakt met De Telegraaf. Blijkbaar lazen de linkse kapers een rechtse krant. Ook raar was dat Eli om de zoveel tijd een cassette met Mozart-muziek draaide.

Die klojo's konden niet met wapens omgaan. Cor liet met veel bravoure een pistool om zijn vinger spinnen. Een van de kapers zat met de veiligheidspal van zijn machinegeweer te pielen en schoot per ongeluk een gijzelaar en zijn maat Paul Saimima overhoop. Ach die jongens waren zenuwachtig, doodzenuwachtig. Ze speelden terroristje maar waren amateurs. Een van de vaste uitdrukkingen in het KNIL luidde dat 'kogels ogen hebben'. Hij die zondigt tegen de wetten van de korban betaalt een prijs. Nou, net als zijn kameraden had Paul Saimima gezworen aan de vooravond van de kaping zijn liefdesrelatie op te zeggen, zodat hij alles zou kunnen geven. Maar hij was zijn belofte niet nagekomen, hij had geen zuiver hart. Om die reden rustte er in de optiek van sommige Molukkers een vloek op de actie. Met Korban heeft Thenu dan ook een misleidende titel voor zijn boek gekozen. Korban betekent dat je je aan de erecode houdt, en dat je per definitie je leven opoffert. Dat hebben die jongens niet opgebracht.

Een duidelijk beleid hadden de kapers niet. Waarom ze het deden, hoe ze het deden, tot aan welk punt ze het deden: ze hadden geen enkel benul. Het ene moment lieten ze zomaar makelaar De Groot ontsnappen, het andere moment pikten ze er bewust een militair uit en schoten ze hem met z'n allen aan flarden terwijl hij luidkeels 'mamma' riep - zoals mijn latere onderzoek heeft uitgewezen.

Geen logica. In die chaos zat ik op de journalistieke primeur van de eeuw. Alleen: zou ik de drukpers halen?

Eerlijk gezegd ging ik er vanuit dat ik het zaakje niet zou overleven. Zeker niet toen ik werd geselecteerd voor executie. Ze wilden iemand koud maken die zij associeerden met de onbuigzame Nederlandse autoriteiten. Onder de gijzelaars was een soort hierarchie ontstaan, en met 'dokter' Hans Prins en psycholoog Walter Timmer maakte ik deel uit van de braintrust.

's Nachts om een uur werd ik weer 's wakker gepord met een wapen. Onder de rode lamp aan het plafond van de wagon doemde een gezicht met een zonnebril op.Onder bedreiging van Thenu's blinkende revolver werd ik vastgeknoopt tussen twee treinstellen. Zeseneenhalf uur lang stond, hing lag ik daar. Een ontmenselijkingsritueel. Je spieren verstijven, je handen zwellen op, je voeten worden gevoelloze klompen, het touw snijdt je polsen open. 'Het is tijd voor jou om een schietgebedje te doen', zei een van de kapers tegen me. Ik had een protestantse vader en een katholieke moeder, maar ook op dat moment supreme zei God me niets. Het enige wat ik voelde was verdriet, doodsangst. Langzaam maar zeker gaf ik het op. Tot mijn eigen verbazing accepteerde ik dat ik eraan ging. En dan gebeurt je iets onuitlegbaars. De finale afrekening waar een mens normaal gesproken kalmpjes in het bejaardenhuis toe komt, geschiedt bij jou in een snelkookpan.

Ik had kort daarvoor een buitenechtelijke affaire beeindigd. Pijnlijk, want ik was waanzinnig verliefd op dat meisje. Maar als gevolg van die stap hadden Rietje en ik een nieuw soort tederheid gevoeld. Klote om dood te gaan, dacht ik in die trein, maar ons afscheid was schitterend, kon niet mooier.

Ik had weer voor haar gekozen - die warme, moedige, kritische vrouw. Nee, dat blaas ik niet achteraf op dat ervoer ik echt zo. Volkomen gewassen en gezuiverd voelde ik me. Stil. Van zilver.

Rietje heeft die nacht geestelijk en lijfelijk gevoeld dat ik door de hel ging. Ze kon niet slapen, liep met een klapperend lichaam de tuin op en neer. 'Onbewust', zei ze bij mijn thuiskomst, 'moet ik toen hebben beseft dat je op het punt stond dood te gaan.'

Ik denk dat ik weet waarom de kapers na lang twijfelen het besluit namen mij toch niet te vermoorden. Ze gaven me de gelegenheid om aan medegijzelaar Hans Prins te vertellen welke boodschap hij mettertijd van mij aan Rietje zou moeten doorgeven. Ik deed dat bewogen maar waardig, in een toch wanhopige situatie. Dat is bij uitstek een KNIL-deugd. Bovendien kreeg ik er menselijke contouren door: Thenu en de zijnen hoorden dat ik een vrouw had, kinderen... dat er nog een geliefde was... Ik vermoed dat ze er onbewust tegen aanhikten om mij uit dat sociale netwerk te snijden.

Ze namen de beslissing in mijn plaats een ander naar god te helpen soldaat Bierling. Ik zat in tweestrijd: waarom moet die jongen ervoor opdraaien, hij is veel jonger, jamaar, jamaar ik heb een gezin. Ze sloegen hem in de boeien en leidden hem weg. Er viel helemaal niet in te grijpen. Dacht je dat zo'n Thenu zich de les liet lezen? Bronnen in de Molukse gemeenschap die hem goed kennen, hebben me bezworen dat niet Eli maar hij de man was die het fatale schot op Bierling loste. En dat-ie in de gevangenis obsessief is achtervolgd door diens laatste blik, dat-ie zwaar heeft geleden onder zijn daad.

Zelfs op mijn dieptepunt begreep ik de kapers wel, politiek gesproken.

Logisch dat ze verontwaardigd waren. De Molukkers zijn na hun aankomst in Nederland op een hondse manier behandeld: ga maar lekker in sfeervol Westerbork op elkaars lip zitten houd je bek, en laat je afkopen met een paar dubbeltjes. Natuurlijk zijn ze belazerd. De regering had kunnen weten dat het geen tijdelijk verblijf zou worden. Maar voor Den Haag telde na '49 slechts een ding: het behouden van enig soort relatie met Indonesie. Die KNIL'ers waren een blok aan het been. Dus hup, verschepen, en daarna maar zien.

Na de kaping hebben Renate Rubinstein en anderen mij ervan beschuldigd dat ik leed aan het Stockholm-syndroom, dat ik me als een kind had laten hersenspoelen en inpalmen door terroristen. Gelul, sorry dat ik het zeg. Psychisch was het onvermijdelijk dat de gijzelaars oog kregen voor de drijfveren en het leed van de kapers. Een kaper en een gijzelaar vergoten op zeker moment samen tranen boven een bijbel. Mij verbaasde het niet.

Maar luister: begrip tonen voor het streven van lieden die jou van je vrijheid hebben beroofd is toevallig wel iets anders dan dat je collaboreert, of een mentaliteit aan de dag legt van Alle Menschen werden Bruder. Deed ik ook niet. Ik heb in die trein niet geslijmd, en er bijvoorbeeld geen geheim van gemaakt dat een vrije republiek der Zuid-Molukken een geldige maar volstrekt onhaalbare claim was.

In '92 ben ik met Rietje op Ambon geweest. Daar keek men er minstens zo pessimistisch tegenaan als ik. Veel van onze gesprekspartners waren anti-Javaans, maar wisten niet eens wat de RMS was. Degenen die het wel wisten haalden hun schouders op. Achteraf gezien hebben de kapers in een vacuum gehandeld. Praktisch, maar ook theoretisch.

Hun ideologie was flinterdun. Een paar scheppen nationalisme, een snuifje socialistische retoriek, een mespuntje romantisch militarisme, een theelepel protestantisme. Je kunt roeren wat je wil, maar dat mengsel zal nooit ergens naar smaken. Laatst hoorde ik dat er sprake zou zijn van nieuwe acties door leden van de derde generatie, maar ik verwacht niet dat daar iets van terechtkomt. Het paradoxale is dat precies in deze luwte de RMS weer een mogelijkheid wordt, omdat Indonesie door de reformasi het risico loopt als eenheidsstaat teloor te gaan. Deze week heeft de moordpartij in Jakarta geillustreerd dat de Javanen op hun beurt fel anti-Moluks zijn. Ze vinden het luie secreten.

Ik had een hekel aan Van Agt. Dit keer was daar een goeie reden voor. Eerdere gijzelingen waren via een vast patroon verlopen: onderhandelingen met de kapers, inwilliging van enkele eisen... een wijs soort handjeklap. Ditmaal nam de overheid echter een betonnen positie in. De Molukse verzoeken werden afgewezen, gesaboteerd. Ik kon me wel voorstellen dat zij volledig ontregeld raakten.

Iedereen aan boord van de trein vond dat de regering zich halsstarrig gedroeg. Waarom meenden onze ministers niet serieus te hoeven reageren op terroristen die beschikten over de levens van drieentwintig mensen? Wat was er nou zo schandalig aan het publiceren van het Molukse manifest in een land dat persvrijheid kende? Waarom kon niet worden toegegeven dat Nederland de Molukkers verre van chic had behandeld?

Ik weet dat premier Den Uyl speelruimte wilde bieden, maar hij liet zich overvleugelen door Van Agt. Die zag zijn kans schoon om als verantwoordelijke bewindsman op Justitie Ome Joop zijn wil op te leggen.

Pure katholieke machtsgeilheid. De underdog die de bulldog bijt. Van Agt streefde naar glorie en was bereid daarvoor over lijken te gaan. Ik weet praktisch zeker dat de Molukkers na de dood van de machinist niet zouden zijn overgegaan tot die twee executies als er een tikje meer soepelheid was betracht. Daarom schrijf ik de dood van Bierling op rekening van Dries van Agt. En de dood van Bulter in wezen ook. Ik heb nooit zo duidelijk durven zeggen dat die mannen zijn geofferd op het altaar van Van Agts ambities, maar het moet er toch eens uit.

Drie doden: voor de meeste kapers was het te veel. Er knapte iets. Het begon mij te dagen dat die jongens bezig waren met suicide via de moord op Nederlanders. Je zag aan hen af dat de mislukking totaal was: ze werden snotterende, zielige mannetjes. Die Eli is in de gevangenis compleet doorgedraaid: zwaar aan de heroine zag hij in zijn gevangeniscel geen andere uitweg dan zich op te hangen. Molukkers doen dikwijls stoer, maar ze boeken geen successen. Dat vloeit automatisch voort uit hun tweeslachtige levenshouding. Enerzijds zijn ze bijna animistisch bloeddorstig, anderzijds eigenlijk zo christelijk als poppenstront. Het begint vaak met doordraven, en eindigt met verlamming. Zo'n scenario voltrok zich ook in die stinkende NS-wagon: in wezen dwongen de kapers zichzelf tot overgave.

Op een avond wandel ik met Rietje uit de schouwburg naar huis. Komt er een jonge vrouw gillend op ons af rennen. Ze verschuilt zich achter mij. Vervolgens duikt er een zwarte jongen met een basketballpet op, die 'Opzij' tegen me roept. 'Opzij', zeg ik, 'ik ga niet opzij.' Hij probeert me weg te duwen, maar ik pak hem bij zijn lurven. 'Als je niet loslaat, steek ik een mes in je lijf' gilt-ie.

'Doe maar', zeg ik. Echt waar. Op dat moment kwam er een taxi aanrijden, waar dat meisje in kon springen. Die gast gaf een klap op de achterbak en droop af.

Doordat ik tijdens de kaping tot op zekere hoogte al ben gestorven, heb ik mijn verleden, mijn eeuwige angst van me afgeschud. Mijn zus zat in het verzet; ik niet. Na Vught kampte ik met schuldgevoelens, omdat ik mijn bek dicht had gehouden en me had laten aanleunen dat ik er als mooi jongetje tussenuit mocht knijpen. Ook in Indonesie was ik tekortgeschoten. Daar had ik moeten zeggen: 'Ik verdom het om hierin mee te gaan'. Compromissen sluiten en vluchten zijn meer dan een half leven mijn survival-mechanismen geweest. Een soort schizofrenie: ik kon mezelf opsplitsen in iemand die iets afschuwelijk vond, en iemand die niettemin geen poot uitstak. Zo trad ik begin jaren vijftig in dienst bij De Telegraaf - niet bepaald mijn politieke klimaat. Ik heb zelfs een tijdje gewerkt bij een voorloper van de Binnenlandse Veiligheids Dienst, terwijl ik communistische vrienden had. En bij het Nieuwsblad van het Noorden hing Gerritje Vaders wel heel erg de betweterige chef uit. Opportunisme, dat is het woord.

Maar in die trein kon ik geen compromissen sluiten, kon ik niet vluchten, kon ik geen dubbele moraal huldigen. Lul, dacht ik, nu niet, nu 's een keer niet. Ik heb om die ziekenwagen voor de gewonde machinist gevraagd, ik stelde de kapers beschuldigende vragen, ik riep Hetharia ter verantwoording nadat hij op een gijzelaar had geschoten, ik werkte openlijk aan artikelen die ik wilde publiceren. Ik was over mijn angst heen. Het kon me geen zak meer schelen wat er zou gebeuren als ik mijn muil opentrok. Al met al ben ik beter uit 'Wijster' gekomen dan ik erin ging.

Eindelijk geen reden meer voor schaamte.

Rietje is een paar weken geleden gestorven. Twee dagen nadat jij hier voor het eerst over de vloer was geweest en ons verhaal had opgetekend. Een van de gekste dingen vond ik dat zij aanwees waar de littekens op mijn polsen nou zaten. Geloof het of niet, maar die had ik drieentwintig jaar lang niet bekeken.

Op een nacht sliep ze gewoon naast me in. Alsof alles rond was, af. Ik verdenk haar ervan dat ze nu glimlacht; ze had gevoel voor de absurditeiten in het leven. 'Wer nicht verruckt wird, der ist nicht normal', zei ze altijd, net als Hildegard Knef. Doffe ellende dat ze weg is; sinds de kaping waren we onafscheidelijk. Ik ben benieuwd wat Cornelis Thenu eraan heeft overgehouden, wat hij ervan heeft geleerd. Niets, vrees ik. Dan gijzel jij uiteindelijk jezelf.