'Geen berouw. Geen excuses. Geen verzoening'; De dodelijke drijfveren van Molukker Cornelis Thenu, ex-terrorist

Op 2 december 1975 om 10.07 uur begonnen zeven Molukse kapers aan een dertien dagen durende gijzeling van drieentwintig Nederlanders in een trein bij Wijster. Deze week publiceert ex-terrorist Cornelis Thenu (42) het autobiografisch getinte Korban (uitg. Arbeiderspers) waarin hij de achtergrond van zijn daden belicht. Naast Thenu komt op deze pagina's een passagier uit de Wijster-trein aan het woord: Ger Vaders (73), voormalig hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden. De gescheiden werelden en de gedeelde waarheid van een kaper en een gijzelaar: 'Dries van Agt heeft twee doden op z'n geweten.'

Niet lezen, dit interview. Niet nadenken. Gewoon kop in het zand. Zo hebben jullie het altijd gedaan, en zo zullen jullie het nu ook doen. Jullie kunnen ons niet begrijpen. Omdat jullie het niet durven.

Mijn belangrijkste jeugdherinnering is dat mijn ouders zaten te huilen aan de keukentafel in Barak 7. Ik kwam van school, mijn moeder liep op me af en zei: 'De Indonesiers hebben Soumokil geexecuteerd.' Bovenop de televisie stond zijn foto. Een oom, nam ik automatisch aan. Maar die man in dat witte overhemd was dus ons politieke kopstuk. Nou ja, dacht ik, het is mooi weer, buiten spelen. Ik liep door het kamp: niemand te zien. Je hoorde alleen maar het huilen, het huilen achter de gesloten gordijnen. Het maakte me zo bang dat ik terugrende naar mijn ouderlijk huis. 1966 een vlek op mijn leven.

We woonden achter slagbomen, prikkeldraad en bordjes 'Verboden Toegang'. Westerbork was een concentratiekamp uit de Tweede Wereldoorlog, midden in de Drentse bossen, ver van alles en iedereen. Links op een muur van onze opslagplaats voor steenkool las ik 'Nur fur Manner'. Rechts 'Nur fur Frauen'. De vroegere toiletten voor joden. En aan de rand van het kamp stond een gedenkteken, waar op 5 mei kransen werden gelegd. De nazi's hadden daar tien Nederlanders gefusilleerd. Ik zie me nog met wat vriendjes zo'n krans pakken. We liepen er joelend mee rond, om het winnen van een potje voetbal te vieren. Afgekeken van schaatskampioen Kees Verkerk, weet je wel. De kampraad gaf me enorm op m'n flikker.

Iets verderop lag een militaire kazerne. Je hoorde bijna elke dag gebulder en geknal. De school lag tweehonderd meter van de schietbaan, je kon je niet concentreren op lezen of rekenen.

Voortdurend zag je belanda kedju (Hollandse kaaskoppen) in uniformen door het kamp marcheren, of in grommende vrachtwagens voorbijrijden. Alles bij elkaar was het een nogal cynische plek om mensen op een kluitje te zetten die jarenlang de Nederlandse driekleur hadden verdedigd.

In elke hoek van ons huis stonden koffers. Van ijzer met grote sloten. 'Op een dag gaan we naar huis, naar ons dorp Hutumury naar een vrij Ambon', zeiden mijn ouders telkens. Mijn moeder is begin dit jaar gestorven, maar mijn vader heeft nog steeds zo'n ding staan. Af en toe plaag ik hem: 'Waarom gooi je 'm niet weg, pa?'

Ik was de vijfde van twaalf kinderen. Breed hadden we het niet. De eerste jaren na het KNIL-ontslag mochten de Molukkers geen werk verrichten. Ze ontvingen drie gulden per week, aten uit een gaarkeuken, sliepen op strozakken. Mijn vader vond dat de enige goede opvoeding een Spartaanse was. Zeg maar de KNIL-sfeer: disciplinair, meedogenloos. Als Moluks kind kreeg je regelmatig een pak slaag met stokken en koppelriemen. Achteraf begrijp ik het wel: zet mensen met z'n allen op een paar vierkante meter en ze worden agressief. Net als ratten.

Tegelijkertijd waren we erg christelijk: protestants gedoopt, elke week naar de kerk, zondagsschool catechisatie. Jezus eiste rechtvaardigheid, dat was voor ons de kern. Want de rode draad van mijn jeugd was al de strijd voor onafhankelijkheid. Alleen kwam dat ideaal verder en verder weg te liggen. In het tv-journaal ging Soekarno tekeer. Indonesie bezette Nieuw Guinea en Oost-Timor. Op een dag zag ik in het kamp een toneelstuk waarin Molukse jongeren de fakkel overnamen, de vernederingen niet meer pikten. Om me heen zaten vrouwen te snikken.

Het maakte diepe indruk op me.

Ons gezin vertrok in 1970 met de laatste groep uit Westerbork naar Bovensmilde, een nieuwe woonwijk bij Assen. Ik was een nieuwsgierig jongetje; toen ik het deurtje van de bruine kast in ons rijtjeshuis op een kier zag staan, pakte ik wat daarachter lag. Een zwaar, pikzwart ding. Ik kende het van Kojak die tv-serie. Goh, een pistool! Mijn vader had die dag vergaderd met vrienden. Na de dood van Soumokil was er een splijting in de Molukse gemeenschap ontstaan: een vreedzame tak, en een militante. Geweld was onvermijdelijk. De Nederlandse regering lokte het zelf uit. Bijvoorbeeld door Soeharto uit te nodigen voor een staatsbezoek. De dictator zelf, de man die onze volksheld had laten vermoorden! Voor Den Haag ging de economische band blijkbaar voor alles. Vind je het gek dat Molukkers dan besluiten de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur te bezetten, dat tijdens zo'n confrontatie een agent wordt doodgeschoten?

De politie bestormde na onderhandelingen de residentie. Mijn vader en de rest van de actievoerders werden ingerekend. Weg pa, vier maanden achter de tralies. Zo nu en dan zochten we hem op in de gevangenis van Scheveningen - ik kon niet vermoeden dat ik daar ook nog eens zou belanden. Terwijl mijn ouders voorzichtig met elkaar spraken, keek ik zwijgend toe. Ik was ontzettend kwaad, maar kon het niet uiten. In die tijd begon ik boeken van kameraden te lenen, over de PLO, de Black Panther-beweging, Ho Chi Minh, de RAF, de Rode Brigades, de anarchist Bakoenin. Het leven van Che Guevara sprak me het meeste aan. Je moet je goed realiseren dat de Molukkers niet eens stemrecht hadden. Nederland hanteerde een dubbele moraal: Den Uyl protesteerde wel tegen onderdrukking in Chili, steunde wel de Basken, maar hield zich doof tegenover mensen in zijn eigen straatje, voor wie hij echt iets kon betekenen.

Ik sloot me aan bij een cel van de Vrije Zuid-Molukse Jongeren, die leuzen kalkten, demonstraties organiseerden. Een andere cel stak het kantoor van luchtvaartmaatschappij Garuda in brand. Eli Hahury dook op, vijf jaar ouder dan ik. Mijn voorbeeld. Allebei hadden we een rastakapsel, allebei waren we radicaal, allebei dweepten we met Van Morrison, Mozart, Jimi Hendrix en Beethoven.

Op een gegeven moment werden op de Molukken tientallen RMS-aanhangers gearresteerd. Samen met Eli deed ik mee aan een aanval op het Vredespaleis in Den Haag. Dat was een leugen van steen, een showmodel. Er werd gesmeten met molotov-cocktails, sommigen gooiden ramen in, staken meubilair in de fik. Na de veldslag met de ME botste ik opnieuw met mijn vader. Voor oude Molukkers als hij was Indonesie de enemy. Wij van de tweede generatie vonden dat Nederland een even smerige rol speelde.

Mijn leeftijdgenoten zaten bijna allemaal op de harde lijn, het was een grote tijdbom. Toch wist de BVD niet wat er gaande was. De geheime dienst arresteerde in het voorjaar van '75 Molukse jongeren die van plan waren Soestdijk te bezetten. Daar dacht men een enorme slag mee te slaan. Ik vond de BVD een lachertje, een stelletje klunzen. Ze zaten te slapen. Wij konden in alle rust onze actie organiseren.

Overal in mijn omgeving werd gefluisterd over ontvoeringen, aanslagen, gijzelingen. Het ging over Van Agt, minister van Justitie, en over Van Doorn (CRM). De meeste Molukkers hadden een bloedhekel aan die twee, omdat zij ons verweten een 'fantoom' na te jagen. 'Laten wij iets doen, iets groots', zei Eli. 'We zitten hier in vrijheid een biertje te drinken terwijl onze mensen op de Molukken lijden.' Volgens mij had-ie gelijk: onze strijd was een heilige strijd, en dus moesten we bereid zijn om ons leven op te offeren.

Als die lui van de IRA de moed opbrachten waarom wij dan niet? In onze cultuur noemen we dat Korban.

Onder leiding van Eli kozen Paul Saimima, Cobus Tuny, Abe Sahetapy, Nelis Hetharia, Joop Metekohy en ik - stuk voor stuk jongens uit Bovensmilde - voor het kapen van een trein. De bedoeling was dat we internationaal de aandacht op de Molukkers zouden vestigen, waarna we met een vliegtuig wilden vertrekken naar Benin - een land dat ons zelfbeschikkingsrecht erkende. Het moeilijkste was dat ik het niet kon delen met mijn ouders. Met niemand. Je gaat stappen in Amsterdam, je ziet mensen dansen, en je denkt: jullie moesten eens weten wat wij gaan ondernemen. Vanaf dat ogenblik ben je eigenlijk al in een andere wereld. Korban, begrijp je. De vraag of er ook gijzelaars zouden sneuvelen, lieten we open. 'We zijn er niet op uit', zeiden we. 'Maar als het niet anders kan...'

In mijn boek schrijf ik bewust zo droog mogelijk over de gebeurtenissen in de trein: 'Ik zag de machinist liggen. Hij was al overleden. Ik kreeg te horen dat aan het begin van de actie een panieksituatie was ontstaan omdat de machinist geen gehoor had gegeven aan het bevel om mee te gaan. Bij de confrontatie sloot hij razendsnel de deur van de bagageruimte waarop er paniek ontstond en hij dwars door de deur heen dodelijk werd getroffen.' Daar voeg ik liever niets aan toe. Kijk, als de strijd begint is er geen ruimte voor emoties.

De Nederlandse regering reageerde ontzettend amateuristisch. Onze ultimatums werden genegeerd. Ik begrijp tot op de dag van vandaag niet waarom de overheid het zo verwerpelijk vond in te gaan op de eis dat er een gesprek op gang moest worden gebracht tussen de Indonesiers en Manusama, onze RMS-president.

Wat is er tegen het erkennen van misstappen uit de jaren vijftig? Ze behandelden ons als stoute kinderen. Zo'n houding hadden we absoluut niet verwacht. We werden razend.

Met mijn maat Paul duwde ik een passagier uit een treindeur, makelaar De Groot. 'Geef me een kans om te ontsnappen', riep hij. Wat voelde ik me klote: je moet de trekker overhalen vanwege de blufpokerij van Nederland. En dan die man, zomaar een man... wat had hij nou misdaan? Zijn tijd was helemaal nog niet gekomen, maar wij bepaalden effetjes van wel. Terwijl De Groot uit de trein rolde, schoten we in het wildeweg op hem. Hartstikke mis, hoorde ik korte tijd later. 'Hoe heb je dat nou kunnen verpesten', vroegen de anderen. Maar mij luchtte het op. Ik kon niet doden.

Dat het toch uit de klauwen liep kwam doordat jullie regering niet met ons wilde onderhandelen. Zij heeft de levens van de gijzelaars op het spel gezet. Zelfs het doorgeven van onze verklaringen aan de pers was onbespreekbaar. Geloof me, het had compleet anders kunnen lopen. Stel dat Van Agt had gezegd: 'Oke, Nederland heeft fouten gemaakt, wij gaan ons inzetten voor een Moluks-Indonesische dialoog.' Dan hadden wij niemand meer om het leven gebracht. Van Agt hield zijn poot stijf, en hij wist donders goed waar dat toe zou leiden. Hij heeft die twee extra doden op zijn geweten. Plus het bloedbad dat nog zou volgen in de trein bij De Punt. Verder zou het niet zijn gekomen tot de bezetting van de lagere school in Bovensmilde en het provinciehuis in Assen. De Molukkers - onder wie mijn broer, die meedeed aan de schoolbezetting - waren in '77 en '78 nooit aan nieuwe acties begonnen als de regering verstandiger op ons had gereageerd.

Ik zeg niet dat het een pretje was om de trekker over te halen met passagiers tegenover je. Maar het moest. Anders was het gedaan met onze geloofwaardigheid. Waarom Ger Vaders onze eerste kandidaat was, weet ik niet meer. Vraag me ook niet waarom we hem weer terug lieten gaan naar de coupe. Hij zal daar wel een verhaal over hebben, Vaders lult makkelijk. Die is getraumatiseerd.

Nee, geen flauw idee wat de reden was dat we daarna die jonge econoom Bierling en de soldaat Bulter selecteerden. Ik ga je ook niet vertellen hoe we ze precies hebben doodgeschoten. Jij zit te vissen naar sappige anekdotes, verder interesseert het de media niet. Het gaat niet om de details. Het enige wat er toe doet, is de historische context, de diepe reden voor onze gijzelingsactie: een volk wordt gedwongen tot ballingschap, raakt wanhopig, en pikt het niet meer.

Natuurlijk ken ik het gerucht dat ik degene was die Bierling heeft afgeschoten. Ik wil daar niet te diep op in gaan. In die trein leverden alle aanwezige actievoerders een bijdrage aan de moord. De een kon niet zonder de ander. Ik had niets kunnen uitrichten als mijn maten medewerking hadden geweigerd. That's it.

Toen het was gebeurd, klapten de meeste jongens in elkaar. Zij jankten. Ik niet. Ik wilde geen tranen laten zien dan was de kracht van de groep nog meer afgebrokkeld. Aangeslagen was ik wel. Ook vanwege een bejaarde meneer die in de war raakte en voortdurend kermde: 'Ik wil naar huis.' Mijn vader en moeder hebben me van jongsafaan voorgehouden dat je respect moet tonen tegenover ouderen. 'Het is rot voor die man', zei ik tegen Eli. 'Maar verdomme: de Molukkers zitten al vijfentwintig jaar vast. Wij kunnen toch ook niet naar huis?'

Over Manusama heb ik gemengde gevoelens. We hadden hem hoog. Manusama onderstreepte onze politieke eisen, maar zei tijdens de bemiddelingscontacten dat hij het geweld afkeurde. Die man was een pacifist in hart en nieren; wij waren doeners. Het viel me tegen dat hij zich opstelde als een verlengstuk van de Nederlandse regering. Manusama had niet de moed om de verantwoordelijkheid te nemen voor gewapende acties. De Molukse strijd is een volksstrijd, en een president moet op zo'n moment de wil van zijn onderdanen volgen. In de gevangenis heeft Manusama tegen me gezegd dat de Molukse bevolking onze actie toejuichte. Hij gaf het zelf toe!

Hoe raar het ook klinkt, onder de passagiers leefde nog de meeste sympathie voor onze strijd. Vooral nadat ik boeken en brochures had uitgedeeld. Omdat wij van tevoren overeen waren gekomen dat we geen persoonlijke relaties met de gijzelaars zouden opbouwen, trok ik een mentale muur op. Mijn vrienden voerden steeds vaker gesprekken. Ach jongens, dacht ik, nu zeggen die mensen dat ze het met de Molukkers eens zijn en als ze straks hun hachie hebben gered, spugen ze op ons. Maar ik kon de anderen niet dwingen, he. Naarmate de tijd verstreek, voelde ik dat onze power verdween.

Het doek viel toen Njonja Soumokil, onze Ibu Maluku (Moeder van de Molukkers), liet weten dat de Indonesische regering had gedreigd met represailles op de Molukken als de kaping nog lang zou duren. Eli en ik konden niet geloven dat die informatie klopte. En so what als het wel zo was.

Ik wilde niet meekletsen over het beeindigen van de actie. In mijn ogen was het idioot. Onze oorspronkelijke afspraak luidde dat we ons desnoods dood zouden knokken. Van mijn part kon de antiterreurbrigade ons aan flarden schieten.

Cobus, Joop, Abe en Nelis waren murw. Ze stemden voor overgave. 'De anderen zijn gezwicht' vertelde Eli me. Ik was er kapot van, maar ik legde me erbij neer. We zouden onder geen voorwaarde ruzie maken, en hoe inconsequent mijn kameraden ook waren: ik wilde me aan de afspraken houden.

Nederland heeft mij nooit kunnen breken. Ook niet tijdens mijn detentie. Ik heb het overleefd: de keiharde verhoren, het pistool dat een rechercheur op me richtte omdat ik geen Molukse helpers wilde aanwijzen, de eenzame opsluiting, de beul die me in gevangenis Veenhuizen bewusteloos sloeg. Ik ben er trots op dat jullie nog altijd niet weten wie de drijvende kracht achter de schermen was. Een ding wil ik wel kwijt: Metiary voorzitter van de Molukse Eenheidspartij, is ten onrechte genoemd als de organisator van de kaping.

In de gevangenissen heb ik medegedetineerden geholpen bij ontsnappingspogingen. Hongerstakingen gedaan. Overhoop gelegen met de reclassering. Cipiers behandeld alsof ze niet bestonden, zodat ze zich ten einde raad collectief ziek meldden. In Scheveningen zat ik midden in een opstand tegen het onmenselijke regime. Gratieverzoeken, gesprekken met psychologen en maatschappelijk werkers proefverlof-regelingen: ik weigerde het allemaal. Waarom zou ik vuile handen maken? Als je wilde, kon je bij corrupte bewaarders explosieven kopen, semtex enzo. Ook daar heb ik principieel geen gebruik van gemaakt. Mijn straf uitzitten was part of the struggle.

Omdat ik niet te peilen was, stuurde de gevangenisleiding een dominee op me af. Dit is een valkuil, besefte ik. Die kerel komt vertellen dat ik me onchristelijk gedraag. De eerste jaren van mijn straf had ik afstand genomen van mijn godsdienst.

Want waar zat die God? Misschien bestond hij wel, maar almachtig was-ie niet, want de ondrukking ging door, en door, en door. De Molukkers hebben zich te lang als keurige calvinisten gedragen. Als puntje bij paaltje komt, moet je je lot in eigen hand nemen. Kortom, die geestelijke kreeg van mij een schop onder zijn kont. Ik heb maar een geloof: onze vrije republiek RMS.

Eli heeft zelfmoord gepleegd. In juni '78. Ondanks de aankondigingen in brieven die ik van hem ontving kwam het als een mokerslag. Het moeilijkste moment in mijn leven. De gevangenisdirecteur in Zutphen riep me bij zich en zei: 'Je vriend is er niet meer.' Voor Eli bleken de tegenvallers in onze strijd te groot. Ik was verdrietig, maar ook woedend. Jezus, hij stapte er gewoon uit! Mijn makker liet me zitten. Onacceptabel. Er was nog zoveel te doen.

Aku djatu, kue djalan terus, had Eli aan het eind van de actie tegen me gezegd. 'Als ik val, moet jij doorgaan.' Toen ik in 1985 vrij kwam barstte ik van de energie. Ik trok bij m'n ouders in, wat we een paar weken volhielden. Vanuit een eigen plek ging ik als freelance-timmerman aan de slag. Omdat ik last kreeg van mijn rug, liet ik me omscholen tot technisch tekenaar. Daarna werd ik aangenomen door een bekend architectenbureau. Daar mocht ik zelfs meetekenen aan die beroemde bank in de Bijlmer.

Op een feest in de gevangenis had ik een Molukse vrouw leren kennen, Shirley. Een fantastische meid, ze steunde me met hart en ziel. We gingen samenwonen in Amsterdam. In '93 maakte ik een stiekeme reis naar de Molukken, om te zien of de RMS daar nog leefde. Ik glipte erin als koerier voor Manusama, zette voet op eigen bodem, ontmoette de kopstukken van het Molukse verzet.

Fantastisch. Dwars tegen de repressie in blijven onze mensen geloven in onafhankelijkheid. De Indonesiers stelen onze grondstoffen, verkopen de visrijke wateren rond de Molukken aan het buitenland, hersenspoelen de burgers, martelen de leiders... En wat doet het democratische Nederland? Geen fuck.

Terug in Amsterdam ging ik er extra hard tegenaan. 's Avonds, als mijn werk erop zat, ging ik naar Molukse vergaderingen: hoe verder? Wat kunnen we nog? Grote acties waren onmogelijk geworden, maar wat dan? Vaak was ik tot midden in de nacht bezig. Ruim drie jaar geleden ging het mis: in enen kreeg ik een hersenbloeding. Ik werd in een ziekenhuis opgenomen moest weer leren praten, leren lopen, leren eten. Maanden gerevalideerd met een driewieler. Sindsdien mag ik niet meer werken.

Ik heb zeeen van tijd gehad om na te denken over de actie. Over mijn conclusie kan ik kort zijn: het is een verlies dat er slachtoffers zijn gevallen, een verlies for both sides, maar wel een noodzakelijk verlies. Ik moest doen wat ik moest doen. Ik kon niet anders. Geen berouw, geen excuses, geen verzoening. De Molukse actievoerders van De Punt hebben het tijdens hun proces perfect gezegd: 'Waar het recht faalt, begint de oorlog.' Zo was de geest van de jaren zeventig. Nu ligt het anders: de strijd moet zich verplaatsen naar de Molukken. Indonesie stort in elkaar, de bom gaat exploderen. Eindelijk hoop. Al is het triest dat er deze week in Jakarta Molukse slachtoffers zijn gevallen. Nu zij zich beginnen te uiten, worden ze direct door de opgehitste Indonesische bevolking afgeslacht.

Shirley en ik zijn uit elkaar. 'Als jij door blijft rennen', zei ze, 'lig je straks tussen zes planken.

Ik kan niet meer leven met een man die niks liever wil dan begraven worden in de Molukse vlag.' Ze was er bij toen ik thuis omviel en die hersenbloeding kreeg. Zoiets wil zij niet nog een keer meemaken. Shirley's besluit om mij los te laten kwam toen ik aan mijn boek begon. Door het schrijven kreeg ik ontzettende koppijn. Ze werd bang, het ging haar te ver. Maar we hebben nog steeds een goeie band. De liefde heeft een andere vorm gekregen, zo kun je het zeggen. Who knows wat er op den duur nog tussen ons opbloeit. Voorlopig zet ik de strijd voort. Met het nieuwe wapen dat ik heb ontdekt: de pen. Ik werk nu aan een biografie over Soumokil.

Pas de laatste tijd begin ik in te zien dat er meer is in het leven dan strijd. Shirley droomde haar eigen dromen en ik had daar te weinig oog voor. Ik hou van haar, ik weet dat de liefde een grotere plaats in mijn leven moet krijgen. Maar ik heb die andere passie. Soms denk ik: straks staar ik me nog eens echt dood op de RMS.

    • Frénk van der Linden