Garanties bij financiele klappen; Ook banken en instellingen kunnen failliet gaan

Hoe onwaarschijnlijk ook; banken en financiele instellingen kunnen het begeven. Welke garanties zijn er om de schade te beperken?

Er gaat geen dag voorbij of folders, advertenties en reclamespots sporen ons aan geld te reserveren voor later. En dat doen we braaf. We sparen, beleggen en verzekeren voor: vervroegde of extra luxe oude dagen aflossingen van hypotheken, studies van kinderen, levensonderhoud van nabestaanden, begrafenissen, wereldreizen of zomaar om belastingaftrek te krijgen. Daarnaast sparen we jaarlijks via werkgevers voor ons pensioen.

Al dat 'geld-voor-later' staat te groeien bij banken beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders, verzekeraars en pensioenfondsen. Tenminste? Als die financiele instellingen niet door fraude, mismanagement of een onverwachte crisis ten onder gaan. Want hoe onwaarschijnlijk ook: die dingen gebeuren. In 1995 legde de betrouwbare Engelse bank Barings volkomen onverwacht het loodje. Simpelweg doordat een 28-jarige bankemploye in korte tijd 600 miljoen Engelse ponden van de bank 'vergokte'. Een berucht Nederlands financieel debacle was het faillissement van verzekeraar Vie d'Or in 1993. Nog immer strijden de 11.000 gedupeerde polishouders, verenigd in de stichting Vie d'Or, voor een geschat verlies van 180 miljoen gulden.

Al is de kans klein ook uw financiele instelling kan het ooit begeven. Gelukkig zitten, naast u, ook de overheid en toezichthoudende instellingen niet op zo'n catastrofe te wachten. Het vertrouwen in de financiele sector houden ze graag hoog. Vandaar dat diverse regelingen de schade voor rekening- en polishouders beperken wanneer hun geldbedrijf onverhoopt over de kop gaat of met het door u toevertrouwde geld fraudeert. De particulier die calamiteiten vreest, kan die regels benutten om zijn vermogen via spreiding zo veilig mogelijk te laten bewaren.

De oudste en bekendste beschermende regeling is de Collectieve Garantieregeling van kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen (CGR). Deze regeling geldt voor spaarsaldo's en sinds kort ook voor effecten van particulieren en kleine zelfstandigen bij (geregistreerde) banken met een Nederlandse bankvergunning (In Nederland werkzame banken uit andere landen kennen meestal een vergelijkbare regeling).

De CRG werkt als volgt. Een rekeninghouder die zijn spaargeld of effecten door een faillissement van zijn bank kwijtraakt, heeft recht op een vergoeding van maximaal 20.000 ecu (straks euro) voor zijn verloren gegaan spaarsaldo plus maximaal 20.000 ecu voor zijn eventueel verloren effecten. Dat laatste zal zich met name voordoen in geval van fraude, want een faillissement van een bank staat los van de effecten die daar worden bewaard. Totaal ontvangt een particulier dus maximaal 40.000 ecu per failliete bank wanneer hij zowel zijn spaargeld als effecten kwijtraakt. Met betrekking tot bankfaillissementen zijn sommige mensen tenslotte wel eens bang dat de schuldeisers van een bank aanspraak kunnen maken op de inhoud van hun kluisje. Niet waar. De inhoud van kluisjes valt buiten de boedel van de bank.

Sinds september genieten ook de klanten van vergunninghoudende instellingen, die onder het toezicht van de Stichting Toezicht Effectenverkeer vallen, zoals vermogensbeheerders en effectencommissionairs, een maximale schadeloosstelling van 20.000 ecu (straks euro) per persoon per instelling wanneer hun bewaarde geld en/of effecten verloren gaan. Dit recht is vastgelegd in de Beleggers Compensatie Regeling (BCR). Iemand die twijfelt of zijn financiele instelling onder ofwel de CGR of de BCR valt, kan informeren bij de twee Amsterdamse toezichthouders (Stichting Toezicht Effectenverkeer, tel.: (020) 55 35 200 en De Nederlandsche Bank, tel.: (020) 52 49 111 of internet: www.dnb.nl).

Instellingen die geen vergunning hebben van de Stichting Toezicht Effectenverkeer en banken die geen bankvergunning hebben van De Nederlandsche Bank vallen niet onder de garantieregelingen CGR en BCR. Dat geldt ondermeer voor alle gelden in beleggingsfondsen. Waardedalingen of faillissementen van de instelling waarin de gelden zijn belegd, zijn, ook al is sprake van fraude, gewoon voor rekening van de belegger.

De CGR en de BCR bieden ook geen bescherming voor de almaar groeiende kapitalen die zijn ondergebracht in levensverzekeringspolissen van de ruim 200 in ons land toegelaten levensverzekeraars. De verzekeraars hebben wel een eigen wettelijke beschermende regeling in de maak: de opvangregeling, die door de Verzekeringskamer (VK) en de gezamenlijke verzekeraars uitgevoerd gaat worden. De opvangregeling werkt, in tegenstelling tot de garantieregelingen, preventief. De VK wil voorkomen dat een levensverzekeraar ten onder gaat, bijvoorbeeld doordat de instelling te scherp concurrerende contracten heeft afgesloten, die men niet kan waarmaken. In zo'n geval kan de VK binnenkort via de opvangregeling van een verzekeraar eisen dat de 'probleem-portefeuille' wordt overgenomen door een andere verzekeraar of dat de bedreigde polissen worden ondergebracht in een speciale opvang NV, die wordt betaald door de gezamenlijke verzekeraars. Als gevolg van de opvangregeling kan het gebeuren dat uw verzekeraar in problemen raakt, maar dat u daar helemaal niets van merkt. De woordvoerder van de VK benadrukt wel dat de opvangregeling geen honderd procent garantie kan bieden.

De opvangregeling geldt weer niet voor de enorme geldbuidel die de gezamenlijke pensioenfondsen vertegenwoordigen.

Ook die geldbeheerders kunnen, ondanks toezicht, te maken krijgen met mismanagement, fraude of millenniumcalamiteiten. De kwestie is dat zoiets vrijwel nooit tot directe betaalproblemen leidt, en dat pensioengerechtigden het dus niet (meteen) merken. “Pensioenfondsen zijn eigenlijk grote potten geld', verklaart mr. W. Zwanink, directeur van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen, “waar men steeds kleine beetjes uithaalt. Zelfs al zou een belangrijk deel van het kapitaal door fraude verdwijnen, dan heeft men vaak nog voldoende in kas om door te gaan.' Juist in deze omstandigheid schuilt echter ander financieel gevaar. De kans is volgens Zwanink groot dat pensioengerechtigden te weinig uitgekeerd krijgen. Dat veel fondsen wel erg ruim in hun jasje zitten blijkt echter pas wanneer het bestaanseinde van een fonds nadert. Zwanink: “Het Mijnwerkerspensioenfonds houdt straks vele tot honderden miljoenen guldens over. Ga die mensen maar eens vragen wat er met dat geld gebeurt.'