DOCHTERS VAN OUDERE MOEDERS ZIJN MINDER VRUCHTBAAR

Vrouwen die zijn geboren nadat hun moeder de veertig is gepasseerd, hebben een verhoogde kans op menstruatiestoornissen en verminderde vruchtbaarheid. Hetzelfde geldt voor vrouwen die binnen een jaar na de geboorte van een broertje of zusje ter wereld zijn gekomen. Dat concludeert de gezondheidswetenschapper Luc Smits. Hij promoveerde onlangs in Nijmegen op onderzoek naar gegevenheden die de latere vruchtbaarheid van meisjes bepalen.

De hypothese van Smits was dat meisjes die uit een overrijpe eicel worden geboren in hun eigen volwassen leven een verhoogde kans hebben op vruchtbaarheidsproblemen en menstruatiestoornissen. Bij vrouwen met een onregelmatige cyclus rijpt de eicel te lang in de eierstok. Een menstruatiecyclus is vaak onregelmatig in de jaren na de eerste ongesteldheid, voor de overgang, en in de eerste maanden na een bevalling. Komt uit zo'n overrijpe eicel een meisje voort, dan zouden haar eierstokken afwijkend kunnen zijn, waardoor zij op latere leeftijd vruchtbaarheidsstoornissen zou ontwikkelen. Smits baseerde zijn aanname op resultaten van dieronderzoek.

Om zijn hypothese te toetsen analyseerde Smits historische gegevens uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, van vrouwen uit de Alblasserwaard, Rotterdam en omgeving, en het Canadese Saguenay. Hieruit bleek dat het risico op kinderloosheid, een doodgeboren kind en een meerling was toegenomen voor dochters van moeders boven de 40 jaar in vergelijking tot meisjes geboren uit vrouwen tussen de 24 en 30 jaar. Was de moeder jonger dan 20 jaar dan liep de vruchtbaarheid van hun dochter geen gevaar. Gedurende de eerste helft van juni en van december kwamen meer zwangerschappen tot stand dan in dezelfde periode van de andere maanden. Vrouwen die in de eerste zes weken van het jaar of de eerste zes weken van de tweede helft van het jaar waren geboren, bleken verminderd vruchtbaar te zijn. Vrouwen die binnen een jaar na een broertje of zusje geboren werden, hadden een verhoogde kans op kinderloosheid of een doodgeboren kind.

Volgens Smits maken de onderzoeksresultaten niet duidelijk of zijn hypothese juist is of moet worden verworpen.

Ook andere omstandigheden, zoals een voedingstekort van de moeder, zouden het verhoogde risico kunnen verklaren. Hij doet in zijn proefschrift toch een duidelijke aanbeveling: verloskundigen en artsen moeten vrouwen adviseren hun zwangerschappen te spreiden. En vrouwen die het moederschap willen uitstellen, kunnen de risico's daarvan voor de vruchtbaarheid van hun dochters in hun beslissing betrekken.