De onvoorspelbaarheid van vrouwelijk leiderschap

elf schrijf ik liever hij als zij ook heel goed zou kunnen. Wat dat betreft is de vrouwenstrijd taaltechnisch geheel aan mij voorbij gegaan. En ook in meer intellectueel opzicht hebben de grote feministische thema's van deze eeuw mij nauwelijks kunnen boeien. Er is geen terrein in de sociale wetenschappen waar met zoveel bombarie zoveel open deuren werden ingetrapt.

Het vaststellen van allerlei onrechtvaardige verschillen in behandeling tussen mannen en vrouwen is weliswaar een buitengewoon nuttige bezigheid, maar als wetenschappelijke arbeid toch meer een opdracht voor statistici dan voor avontuurlijke denkers. Geen zinnig mens zal ontkennen dat die verschillen er zijn, en geen zinnig mens maakt er bezwaar tegen als deze verschillen uit de weg worden geruimd. Na vijf minuten kan wat mij betreft dan ook iedere discussie met feministen beeindigd worden.

Als het onrecht met cijfers aangetoond wordt, zet ik met plezier mijn handtekening onder elk voorstel, hoe drastisch ook, dat daaraan een einde maakt.

Het is eerder het gelijk dan het gelijkhebberige van het feminisme dat het tot zo'n saai en voorspelbaar geestelijk avontuur maakt. Dat er nog steeds intellectuelen zijn die hun leven wijden aan de vrouwenstudie is dan ook onbegrijpelijk. Je moet wel een heel groot talent voor verveling hebben om jaar in, jaar uit dezelfde Binsenwahrheiten als revolutionaire inzichten te blijven opschrijven.

Maar gelukkig is er naast de leer ook de praktijk. En die is, zoals bij de meeste theorieen, heel wat aantrekkelijker. Neem bijvoorbeeld het vrouwelijk leiderschap, op dit moment het allerbelangrijkste leerstuk van het moderne feminisme. Duizenden boeken, artikelen, oraties en scripties worden eraan gewijd, en ze zijn allemaal even voorspelbaar. Te weinig vrouwen in topfuncties, te veel 'glazen plafonds', te weinig ondersteuning, te weinig zelfvertrouwen en vooral te veel mannen. Allemaal waar en allemaal reuze onrechtvaardig, want in een democratie moet de weg naar boven voor iedereen even begaanbaar zijn.

Maar veel overtuigender dan al die vrome woorden over onbenutte leiderschapskwaliteiten zijn de dagelijkse ervaringen met deze vorm van management.

Door een samenloop van maatschappelijke omstandigheden heb ik mijn hele leven niets anders meegemaakt. Vanaf het moment dat ik mijn ogen opensloeg stond ik er een vrouwelijke leidinggevende naast me, en tot op de dag van vandaag is dat zo gebleven. Zeker, er waren periodes, vooral tussen puberteit en volwassenheid, waarin ik dacht dat ik mans genoeg was om mijn zaakjes zelf te regelen.

Maar dat waren weinig succesvolle experimenten en daarom van korte duur. Vrouwelijke aansturing bleek toch steeds weer het ei van Columbus te zijn; mijn leven kreeg daardoor richting en betekenis.

Niet alleen thuis maar ook op het werk.

Mijn hele arbeidsbestaan heb ik namelijk doorgebracht in het onderwijs. Vanaf het allereerste sollicitatiegesprek tot het laatste functioneringsgesprek waren mijn directe meerderen vrouwen. Ik weet het, dat klinkt uitzonderlijk, maar in de geemancipeerde onderwijsbolwerken waar ik mijn sociologielessen mocht geven, was positieve discriminatie al uitgevonden voordat de bijpassende theorie er gedoceerd mocht worden. Vandaar mijn bevoorrechte positie. Ik maak de zegeningen van het vrouwelijk leiderschap al twintig jaar van zeer nabij mee, terwijl andere beroepsgroepen nog steeds aan het idee moeten wennen.

Wat is er nu zo bijzonder aan?

Dat is niet zo makkelijk uit te leggen. Oh, als je de eerder genoemde boeken en scripties leest wel. Dan is het vrouwelijk management veel warmer gezelliger, meer relatie- en mensgericht, en dus veel geschikter om de dienstverlenende mens-tot-mens-bedrijven waar de moderne economie voornamelijk uit bestaat, winstgevend te laten draaien. De koele afstandelijke en ding-gerichte manlijke stijl is daarbij vergeleken een zielige, bijna autistische vertoning. Vrouwen kunnen mensen beter laten samenwerken, ze hebben meer coachende kwaliteiten, omdat ze van nature of door hun socialisatie (dat is het enige waar nog verschillend over wordt gedacht binnen de vrouwenstudies) zich richten op het bijeenhouden van de groep. Dat doen ze intuitief, met veel emotionele intelligentie. Het bijhouden van verjaardagen, het zorgen voor verse bloemen en het spontaan bellen bij ziekteverzuim gaat hen in theorie daarom heel gemakkelijk af.

Dat makkelijk bellen is inderdaad ook mijn ervaring. Maar of dat een teken is van emotionele intelligentie betwijfel ik. Het kan ook gewoon met botheid te maken hebben. Of met blinde naiveteit. In die twintig jaar heb ik heel wat verschillend gemotiveerde telefoongesprekken gevoerd met mijn superieuren. En wat de bloemen betreft, ook dat klopt, maar hier geldt evenzeer dat het voor de ondergeschikten verre van duidelijk is waarom er soms weken gedaan moet worden met een bosje uitgebloeide tulpen op de balie van de receptie terwijl de eigen directiekamer in een Hortus Botanicus verandert.

Dat vrouwen zoveel warmer leiding geven kan ik niet ontkennen. Maar de ervaring leert ook dat ze je de volgende dag als een ijzige windvlaag kunnen passeren. Of ze mens-, ding- of uberhaupt gericht werken is in de dagelijkse praktijk buitengewoon moeilijk vast te stellen. Iedere keer is dat, afhankelijk van de manager die tegenover je zit, een verrassing.

En daarmee komen we bij de kern van het vrouwelijk leiderschap: zijn onvoorspelbaarheid. Er is geen managementstijl die zoveel variaties kent. Het resultaat is een heerlijke grilligheid die de werkdag voor de minder-machtigen iedere keer tot een uitdagend avontuur maakt. Zelf zou ik niet meer zonder kunnen.

Ik hoop daarom dat de beroepsgroepen met minder ervaring hun koudwatervrees overwinnen en de vrouwelijke leider een faire kans geven. Het leven wordt er een stuk spannender door. Zowel voor uzelf als voor hem.