De Dunne Weg; Sociaal-democratie in nieuwe gedaante stelt weinig voor

Europese sociaal-democraten kwamen deze week met het manifest 'De nieuwe Europese weg'. Met deze Derde Weg, waar vooral Tony Blair de mond vol van heeft, zou de tegenstelling tussen links en rechts verdwijnen. Historicus Piet de Rooy constateert dat het weinig meer dan modieus gebabbel is. Wel ziet hij voor de PvdA een rol als 'gidsje' weggelegd.

We leven in een herdenkingsjaar. In oktober hadden we de feestelijke herdenking van de Vrede van Westfalen (1648) en het hele jaar door is herdacht dat Nederland sinds 1848 een Grondwet heeft, wat nog eens onderstreept zal worden op een slotmanifestatie op 14 december in Den Haag. En zo is het hele jaar doordesemd met nationale zelfstandigheid en burgerlijke grondrechten.

Een samenleving die meer recht had willen doen aan eigenzinnigheid en historische zorgvuldigheid, zou andere gebeurtenissen hebben kunnen kiezen en op zijn minst andere accenten gelegd. Zo weten we natuurlijk allemaal dat Nederland al in de Patriottentijd een grondwet had gekregen, met de zogenoemde Staatsregeling van 1798. Maar zo'n staatsgreep is natuurlijk een beetje wild, misschien zelfs wel ondemocratisch. In 1848 ging het er aanzienlijk rustiger aan toe; en mooier dan opstand en staatsgreep is pais en vree, dat is veel leerzamer.

Het kan natuurlijk allemaal toeval zijn, maar het lijkt alsof met deze grote herdenkingen van onze zelfstandigheid als natie en de kwaliteit van onze democratie, twee grote zorgen worden toegedekt. We kunnen immers vrijwel geen krant opslaan of we krijgen uitgelegd dat onze zelfstandigheid slechts schijn is, op zijn best een dunne facade. Wat is zelfstandigheid nog, nu we met steeds meer draden verbonden zijn aan Brussel? En op een nog wat abstracter niveau: wat vermag de staat nog tegen de onstuitbare mondialisering van de economie, met dat mysterieuze flitskapitaal, dat god noch gebod kent, als permanent risico aan de horizon?

En dan die kwaliteit van onze democratie. Langzamerhand wordt het een open deur om vast te stellen dat onze democratie in een crisis verkeert.

Naar welke kant men ook kijkt alom valt slechts betonrot te ontwaren. Tenminste eens per week wordt uitgelegd dat het parlement nog slechts een 'symbolische betekenis' heeft omdat de politiek zich namelijk 'verplaatst' heeft, zodat overheid en parlement nog slechts met veel moeite de regie over een deel van het openbare leven weten te behouden. Kiezers hebben, merkwaardig genoeg, nog wel vertrouwen in de democratie, maar in ieder geval niet meer in politieke partijen. Deze klonteren in hun doodsdrift dan ook steeds dichter op elkaar en weten alleen nog oliebollen naar 's Lands Vergaderzaal af te vaardigen: ze lijken te veel op elkaar en hun houdbaarheidsdatum is aan het verstrijken.

Nu klepte dit doodsklokje allang. In 1960 had Daniel Bell zijn beroemde End of Ideology gepubliceerd, waarin hij constateerde dat er een middenweg was ontstaan tussen kapitalisme en socialisme, waardoor ideologie als zodanig overbodig raakte: 'Ideology, which once was the road to action, has come to be a dead end'. Met enige vertraging werd dit inzicht ook hier populair. In 1990 waarschuwde de dichter en historicus J.W. Oerlemans in deze krant dat Nederland een eenpartijstaat aan het worden was en velen zeiden het hem sindsdien na. De laatste was de historicus Hans Righart, die eveneens in deze krant op 20 september 1997 vaststelde dat het met 'paars' alleen maar erger was geworden en op 10 januari van dit jaar daaraan toevoegde dat er een nieuw politiek elan nodig was, al wist hij niet waar dat nog vandaan moest komen. De kern van het 'democratiebederf' school volgens hem in de 'vermarkting van onze samenleving, het sluipend overnemen van ondernemersnormen door de politieke en intellectuele elites'.

Righart kreeg niet veel later uit wel zeer onverwachte hoek bijval. Op woensdag 24 juni van dit jaar spijkerden kardinaal Simonis en ds Plaisier namens de kerken zeven stellingen op de deuren van het Binnenhof tegen de 'economisering' van Nederland. Het was de bedoeling om hiermee politici op te roepen 'collectieve rustmomenten te respecteren' en meer in het algemeen om de cultuur niet 'te offeren op het altaar van de economie'. Zo leek de afhankelijkheid van de internationale economie verbonden te zijn met het nationale waardenverval.

Deze analyses zijn niet onjuist, al zijn ze gedrenkt in een wat behaagziek cultuurpessimisme. Maar, of ze nu komen van links-romantische hoek of gebaseerd zijn op conservatief traditionalisme, ze berusten toch vaak op de onuitgesproken vooronderstelling dat politici indertijd simpelweg beter waren en het politieke debat 'vroeger' een hogere kwaliteit had hoofd en hart wist aan te spreken. Maar dat is een mythe: de klachten over politici zijn talloos en van alle tijden. Multatuli klaagde in het midden van de negentiende eeuw reeds luid over de 'nulliteiten' die in het parlement ofwel niets deden of, als ze iets deden, het verkeerde. De zeer goed ingevoerde liberale politicus De Beaufort klaagde in zijn dagboek (1874-1918) vrijwel voortdurend over zijn collega's. De voorbeelden uit latere tijden kan iedereen zelf wel bedenken. Uit een oeverloze zee van gepraat en gebabbel herinneren we ons slechts die ene rede van een enkele politicus en verheffen de uitzondering tot een gemiddelde.

Er zijn echter slechts twee periodes in de moderne Nederlandse geschiedenis waarin het politieke debat opgewonden en opwindend was. Dat waren de 'wilde jaren tachtig' van de negentiende eeuw, waarin een beperkt aantal grote volkstribunen hun massapartijen aan het vormen waren.

Daarna de jaren zestig en vooral zeventig van deze eeuw, waarin met name Nieuw Links zich niet profileerde door een nieuwe expressieve kwaliteit aan de politiek toe te voegen. De politiek werd daardoor een artistieke activiteit - een soort COBRA-beweging in de grijze mannencultuur - maar bij gebrek aan inhoud vervluchtigde dat ook weer snel. De sociaal-democraat Burger (de hardhandige formateur van het kabinet-Den Uyl) merkte al eens op dat politiek nu eenmaal geen esthetische bezigheid was - en ook maar zeer ten dele een intellectuele, valt daar aan toe te voegen.

Als we de discussie dus eens zouden bevrijden van al te gemakkelijke klaagzangen en de veranderingen in Nederland in een wat internationaler perspectief plaatsen, dan kan de blik op de veranderingen misschien wat scherper worden. Want dat we een gecompliceerde stroomversnelling beleven is onmiskenbaar, zij het dat het daarbij niet zozeer gaat om de kwaliteit maar om de aard van de politiek. En dat kan misschien nog het best gedemonstreerd worden aan de hand van de intrigerende paradox: enerzijds heeft de sociaal-democratie betrekkelijk recent alom het regeringspluche weer bereikt, anderzijds gaat de individualisering van het electoraat onstuitbaar voort.

Het recente succes van de sociaal-democratie volgt op een periode, waarin nieuw-rechts overheerste. In 1979 kwam Thatcher aan de macht in het Verenigd Koninkrijk, twee jaar later Reagan in de Verenigde Staten, in 1982 kwam het eerste kabinet-Lubbers tot stand een jaar later werd Kohl bondskanselier in het toenmalige West-Duitsland in Frankrijk verliep het onder Mitterrand wat ingewikkelder (onder andere in een moeizame cohabitation met Chirac tussen 1986-1988).

Het internationale financieringskapitaal kreeg in deze periode een grote vrijheid, de handel van nationale economieen raakte steeds meer onderling verweven (hoewel mondialisering een enigszins misleidende term is; het ging meer om concentratie in een beperkt aantal grote politiek-economische regio's) en overal werd de verzorgingsstaat sterk teruggesnoeid, met een toenemende ongelijkheid in kansen en inkomen als gevolg.

Het meest opmerkelijke was, dat dit beleid - misschien wel verstandig en onvermijdelijk, maar toch onaangenaam - op een vrij brede steun onder het electoraat kon rekenen. Thatcher hield het tien jaar uit, Reagan maakte rustig twee ambtstermijnen vol en droeg toen het stokje over aan Bush Lubbers hield het twaalf jaar vol en Kohl is pas dit jaar tot aftreden gedwongen. Het succes van deze generatie was internationaal gezien imposant: niet alleen wisten zij de economie weer op gang te brengen, maar bovendien werd ook nog het einde van de Koude Oorlog bereikt.

De keerzijde van deze medaille was dat de sociaal-democratie, zowel nationaal als internationaal, het politieke initiatief volstrekt verloor en nog slechts mompelend hier en daar een voetnoot wist te plaatsten. Voor sociaal-democraten waren het de jaren in de woestijn. Er zat voor hen dan ook niet veel anders op dan massaal in de rui te gaan en nagenoeg alle ideologische veren af te schudden (wat zal Kok toch een spijt hebben van deze uitdrukking), op straffe van de definitieve ondergang.

Nu was de noodzakelijke ideologische herorientatie niet overal even zwaar. Uit een binnenkort te verschijnen studie van de Amerikaanse historicus Dietrich Orlow, waarin hij de sociaal-democratische partijen in Frankrijk Duitsland en Nederland met elkaar vergelijkt, blijkt bijvoorbeeld dat elders tot voor kort stevig werd vastgehouden aan een zekere ideologische rigiditeit en klassegebondenheid.

In Nederland echter was de transformatie naar een open volkspartij met een veel wendbaarder gedachtengoed al zeer vroeg (Drees, Vondeling, Den Uyl) tot stand gebracht.

De opgaven voor de sociaal-democraten in Europa waren dan ook zeer verschillend. Blair moest nog het echte socialisme van zich afschudden (New Labour). Kok moest verzinnen hoe het niet-repareren van de bezuinigingen op de verzorgingsstaat een wat breder ideologisch kader kreeg (waartoe hij een gooi deed met zijn Den Uyl-lezing in 1995). In Frankrijk gaat de klassenstrijd nog gewoon door (recentelijk door scholieren zelfs uitgebreid met een klassestrijd). In Duitsland is de discussie, in de figuren van Schroder en Lafontaine, nog onbeslist gebleven en lijkt daarom maar in het nieuwe kabinet opgenomen te zijn. Vandaar dat de gedachte dat in Europa nu de sociaal-democratie aan de macht is gekomen, niet zo veel zegt - althans net zo weinig als de opvatting van Drees indertijd, dat de Europese eenwording een christen-democratisch complot was.

Maar wat verklaart dan toch de internationale wisseling van de wacht? Om te beginnen is het goed te bedenken dat die wisseling er niet zeer shockproof uitziet. De Verenigde Staten zijn natuurlijk al een geval apart: daar werd wel een democratische president gekozen, maar Capitol Hill was stevig in Republikeinse handen zoals de ambtenaren en bijstandsmoeders hebben gemerkt. Maar ook in de Europese landen waren de omstandigheden de laatste jaren nogal bijzonder: in het Verenigd Koninkrijk waren de Conservatives dermate verdeeld dat iedereen met zijn armen op de rug gebonden hen moest kunnen verslaan. In Nederland was het CDA even spontaan als vrijwillig begonnen aan een oefening vrije val zonder parachute en scheelde het slechts een haar of er was een kabinet-Bolkestein aan het bewind.

In Duitsland speelde een doorslaggevende rol dat men gewoon te lang tegen Kohl had aangekeken: de campagne van de SPD kwam uiteindelijk neer op het simpele scanderen van de kreet 'Kohl muss weg, Kohl muss weg'. De sociaal-democratie kreeg een kans, omdat de tegenstanders verveling begonnen op te roepen na zo lang aan het bewind geweest te zijn. Bovendien hebben ze zich hier en daar behulpzaam in de eigen voet schoten. Het rad van fortuin kan dan ook snel keren.

Maar, zo valt de tegenwerping te horen, zo plat kan het toch niet zijn? Er is toch zoiets als de Derde Weg, een bevlogen vergezicht dat vooral Blair ons voorhoudt, maar dat kan bogen op enige belangstelling van Clinton en ook een schok van herkenning teweeg heeft gebracht bij een aantal Europese collega's? Dat zou de weg zijn naar een 'nieuwe politiek' waarin de tegenstelling tussen liberalisme en democratisch socialisme - die de 'progressieve beweging' zo verzwakt had - overstegen wordt met een beleid dat zich zou moeten richten op klantvriendelijke overheden en vrije doch barmhartige markten.

Deze laatste ideologische loot van de twintigste eeuw stelt echter nog niet veel voor. In een fraai artikel heeft de Amerikaanse historicus Tony Judt onlangs uitgelegd dat het hier vooral ging om 'opportunisme met een menselijk gezicht' (de Volkskrant 2 oktober 1998). Zo wees hij op een aantal ernstige omissies: geen idee over de toekomst van de verzorgingsstaat en ook al niet over de kosten van de gezondheidszorg en de pensionering van een vergrijzend Europa. Paul Kalma, directeur van de Wiardi Beckmanstichting, voegde daar later nog wat strooigoed aan toe: nog geen oplossing voor de verhouding tussen de internationale economie en de nationale staat en o ja, er was ook nog een milieuprobleem (de Volkskrant, 17 oktober 1998).

De Derde Weg is dan ook vooral te beschouwen als een principieel pragmatisme, met maar een 'gouden regel': een laag financieringstekort (althans, dat zegt Blair maar Lafontaine denkt daar weer anders over). Het is kortom niet zo dat de sociaal-democraten met die Derde Weg elkaar wereldwijd hebben gevonden in het ontwerpen van iets nieuws. Zij zijn het vooral eens geworden over het afschaffen van (de laatste resten van) iets ouds. Het ziet er immers naar uit dat ze 'de economie' als het ware uit het politieke debat aan het verwijderen zijn.

Er heerst een soort gemeenschappelijke opvatting dat het economisch beleid een subtiel mengsel dient te zijn van het monetarisme van Friedman en de koopkrachtstimulering van Keynes. De hele kwestie wordt gereduceerd tot een vraagstuk van efficientie (daarom trekt het Nederlandse poldermodel ook zo de aandacht). Op die manier is het, tweehonderd jaar na de invoering van 'links' en 'rechts' in de politiek (aan de hand van de plek die de afgevaardigden in het Franse parlement hadden ingenomen), zelfs te zien als een poging om dat begrippenpaar nu maar af te schaffen.

Dat is overigens misschien niet eens zo onverstandig, aangezien het overduidelijk is dat zowel geloof als klasse hun mobiliserende betekenis hebben verloren; dank zij de verzorgingsstaat rest er vooral een zeer breed midden. Het electoraat is 'midden' geworden. In het recente Sociaal en Cultureel Rapport 1998 wordt dit verschijnsel voor Nederland nog eens duidelijk samengevat: in de jaren zeventig en tachtig beschouwde tweederde van het electoraat zich nog als links of rechts, in 1996 gold dat nog slechts voor de helft van de kiezers. Er is nu al ongeveer twee decennia een gestage trek naar het midden gaande, een depolarisatie door matiging en het vermijden van extreme posities.

De klassieke tegenstelling links-rechts is dus in snel tempo aan het vervagen. Dat lijkt een Europees verschijnsel te worden, zij het dat deze tegenstelling elders veelal nog dicht onder de oppervlakte ligt en weer snel tot leven kan worden gewekt.

Het is al met al, niet vreselijk zinvol om aan te nemen dat er zich in Europa nu een vernieuwd soort sociaal-democratie heeft gevestigd: daarvoor lopen de omstandigheden in de verschillende landen te zeer uiteen, zijn de belangen te divers en is de vernieuwing te diffuus.

Overigens is juist dat vage karakter van de vernieuwing misschien wel een van de sterkste punten daarin. Dat biedt immers de ruimte voor het absorberen van nieuwe vormen van zorgen, belangstellingen en verwachtingen van het electoraat,die op dit moment grotendeels buiten 'de politiek' worden gehouden en nu veelal beleefd worden in vormen van formele en informele betrokkenheid. Een aantal politici en intellectuelen hebben sinds de jaren tachtig een zeer moraliserende campagne gevoerd, waarin het electoraat collectief werd uitgemaakt voor 'calculerende burgers', zo niet hedonistische individualiseerders - maar veel opvallender is juist de sterke behoefte aan gemeenschapsgevoel. Zoals Nederland voorop liep met dat poldermodel, zo ook met dit min of meer spontaan groeiende communitarisme.

Uit het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 blijkt bijvoorbeeld dat de steun onder de bevolking om de sociale uitkeringen op een fatsoenlijk niveau te houden dan wel te brengen, al weer enige jaren vrij hoog is. Ook blijkt, geheel tegen de verwachting in, dat het vrijwilligerswerk voor de politiek niet afneemt, en dat daarnaast de hulpverlening aan buren, bejaarden en gehandicapten toeneemt.

Het midden beseft hoe goed ze het heeft. Slechts zeven procent van de Nederlanders geeft nooit wat aan een charitatief doel. Deze ontwikkeling heeft ook een mondiale component, gezien de sterk gegroeide steun voor Amnesty International, Greenpeace en Foster Parents Plan. In dezelfde periode dat de ledentallen van de drie grote kerkgenootschappen en van de drie grootste politieke partijen daalde (sinds 1980 met respectievelijk tien en veertig procent), steeg het ledental voor milieu- en natuurorganisaties met 510 procent. Wellicht nog interessanter is dat de neiging om zich intensief druk te maken over morele vraagstukken (met name abortus en euthanasie) nog krachtiger was: een stijging met 675 procent.

Al dat zorgelijke gepraat over individualisering zou wel eens weinig anders kunnen betekenen dan de vaststelling dat burgers in Nederland zich in sterke mate los hebben gemaakt van een aantal bindingen zoals die nu ongeveer een eeuw hebben gegolden. Sinds de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld is het ledental van politieke partijen met tachtig procent gedaald. Maar in plaats daarvan is een groot aantal nieuwe banden aangelegd, vrijwillig, zo niet met een zekere mate van zelfdwang. Dit nieuwe burgerlijke beschavingsoffensief - dat zoals altijd ook het karakter heeft van de 'inwendige zending', met andere woorden sterk gericht is op de onderlinge zelfopvoeding - heeft op dit moment nog maar nauwelijks een politieke bedding gevonden.

Als de PvdA zich hier eens om zou gaan bekommeren, dan zou deze partij niet alleen een gidsje kunnen worden voor de zusterpartijen elders, maar bovenal weten te vermijden dat ze langzaam maar zeker de weg gaat van het CDA. Het partijbestuur zou dan overigens krachtig de gewoonte moeten onderdrukken om zo'n beetje mee te gaan zitten regeren en zich met wat meer visie op de lange termijn moeten bezig houden.

Het is immers niet ondenkbaar dat zich juist rond morele vraagstukken en de kwaliteit van het dagelijks leven, langzamerhand een nieuw soort links-rechtstegenstelling zal gaan ontwikkelen. Totdat dit zich heeft uitgekristalliseerd blijven het onzekere tijden, waarin de overgevoeligheid voor al wat afwijkt van het midden, toeneemt en de geschiedenis de behoefte moet vervullen aan zekerheid en zingeving: vroeger, toen de politiek nog politiek was, de zelfstandigheid zo fier verworven was en de grondrechten in pais en vree aan alle burgers werden toegekend.

    • Piet de Rooy