Checkpoint Koerdistan; De verborgen oorlog in Oost-Turkije

In de bergen van Oost-Turkije bestrijden Turken en Koerden elkaar al decennialang op leven en dood. Het conflict van Turkije met Italie over de uitlevering van PKK-leider Ocalan is de zoveelste episode. De Franse journalist Chris Kutschera reisde rond in het moeilijk toegankelijke gebied van de Koerden.

Meer dan 300.000 van de 800.000 Turkse militairen - het op een na grootste leger van de NAVO - zijn gestationeerd in Koerdistan, in het oosten van Turkije. Een streek die de Turken weigeren met die naam aan te duiden. De oorlogsinspanning kost ten minste acht miljard dollar per jaar. Voor die prijs heerst thans in Koerdistan een zekere mate van orde: de strijders van de PKK - de Koerdische Arbeiderspartij - kunnen niet meer zomaar een dorp binnenlopen voor eten en kleren, of om er een politieke bijeenkomst te houden. Maar anders dan het leger beweert, is die 'terroristische' en 'separatistische' organisatie, zoals ze officieel wordt aangeduid, verre van gedecimeerd. Recente, ernstige incidenten zoals de hinderlaag waarin een militaire patrouille bij Yuksekova terechtkwam, waarbij vijftien soldaten en twee officieren het leven lieten, hebben aangetoond dat de PKK in alle regio's nog aanwezig en actief is: overal worden militairen en dorpswachters door mijnen gedood, nabij Van is een burgemeester ontvoerd, bij Erzurum is een bus uitgebrand en in Dersim hebben schermutselingen plaatsgehad. Hakkari, een plaatsje van 15.000 inwoners ten zuidoosten van het Vanmeer, is een van de voorposten in de strijd tegen de PKK in de punt van Turkije die als een wig tussen Iran en Irak steekt. Hakkari is het hoofdkwartier van de troepen die bij het achtervolgen van de PKK met regelmaat het Iraakse deel van Koerdistan binnendringen.

Vanuit Hakkari worden geregelde operaties gelanceerd naar het gebied van de 'drie grenzen' (Iran, Irak en Turkije). De Koerdische guerrillastrijders zijn er in deze streek altijd in geslaagd in de buurlanden te infiltreren, doordat de grenzen in deze tot wel vierduizend meter hoge bergen onmogelijk vallen af te grendelen.

Vanuit Hakkari houden het Turkse leger en de Turkse inlichtingendienst ook de grens met Iran in de gaten, speciaal het plaatsje Yuksekova, bijgenaamd 'Heroinestad', de doorgangspoort voor alle illegale handel met Iran. De afgelopen maanden heeft het Iraanse leger bezorgd geconstateerd dat over deze grens, die van oudsher alle mogelijke drugsverkeer doorlaat, ook een stroompje PKK-strijders binnensijpelt, die thans over enige faciliteiten kunnen beschikken in Iran, met name in Urmia.

Als toerist kom je Hakkari niet zomaar binnen. Je wordt bij de stadspoort aangehouden door agenten van de veiligheidsdienst in burger, die je hoffelijk behandelen, maar toch overduidelijk als een indringer. Je moet nauwkeurig je persoonlijke gegevens, naam, beroep en dergelijke opgeven, en echt aandringen voordat je toestemming krijgt om deze half verboden stad binnen te gaan. Je krijgt te horen dat je, 'om u te beschermen tegen de terroristen', dag en nacht zult worden geescorteerd door met portofoons uitgeruste agenten van de veiligheidsdienst.

Als stad in staat van beleg - op iedere Koerdische burger zijn er twee a drie militairen - wordt Hakkari onafgebroken doorkruist door patrouilles in gepantserde auto's (Britse Landrovers) en gepantserde troepentransporttrucks (BTR's uit de Sovjet-Unie). Iedere bus die militairen of hun gezinsleden vervoert wordt voorafgegaan en gevolgd door een gepantserde auto of een BTR. Ondanks deze overdadige legermacht komen de echtgenotes van militairen en van medewerkers van de veiligheidsdienst de deur vrijwel niet uit behalve voor korte bezoeken aan het restaurant van de 'officiersclub'. Bevend van angst schilderen zij de gevaren nogal overdreven af: zo beweren zij iedere avond na zonsondergang rond de stad geweervuur te horen.

In deze spookstad is de onderwijzersclub de enige enclave waar het er normaal aan toegaat. Deze bevindt zich op een hoekje met wat groen waar de basis- en middelbare-schoolleraren - allemaal Turken - samen een glaasje thee drinken. Koerden mogen in Hakkari geen onderwijs geven. Er zijn maar weinig plaatsen in Koerdistan waar de scheiding tussen de Turkse en de Koerdische bevolking zo extreem is doorgevoerd. De twee werelden leven zonder enig contact langs elkaar heen. Het is volslagen apartheid.

Iedere middag om 4 uur worden de stad en de hele streek afgesneden van de rest van Turkije: achter het plaatsje Baskale wordt de weg afgezet waarna 'om veiligheidsredenen' alle verkeer verder verboden is. Vanaf dat moment kunnen de veiligheidstroepen zonder getuigen hun gang gaan.

Woeste kloven

Dersim, een van de bergachtigste streken van Koerdistan, dat bijna geen gebieden onder de 1.800 meter kent, is een natuurlijk bolwerk. De schaarse wegen volgen er diepe, nauwe dalen - spectaculaire, woeste kloven van adembenemende schoonheid, waaruit alle guerrillaleiders inspiratie hebben geput. In Dersim heeft zich aan het einde van de jaren dertig een Koerdische opstand voorgedaan die het bewind van Mustafa Kemal Ataturk deed wankelen. En in Dersim is de van oudsher opstandige bevolking alevitisch, dus niet sunnitisch maar evenmin echt sji'itisch. Hier voert het Turkse leger tot op heden een stelselmatig deportatiebeleid, met het oogmerk het 'moeras' waarin de guerrillabeweging zich thuis voelt 'droog te leggen'. In 1994 zijn alle dorpen van het district systematisch van hun inwoners ontdaan, en het leger duldt enkel nog de aanwezigheid van een paar bejaarden, die alles wat zij aan eten en sigaretten kopen, moeten verantwoorden op een lijst die door de jandarma wordt gecontroleerd - om te voorkomen dat zij de guerrillastrijders te eten geven.

Het weggetje naar de stad Tunceli, die vroeger Dersim heette, stijgt kronkelend naar een hoogvlakte een van de vruchtbaarste streken van Koerdistan. De akkers liggen braak en de weinige dorpen die niet zijn verwoest, zijn vrijwel ontvolkt. De chauffeur van het busje naar de 'hoofdstad' van Dersim speelt een cassette van Shvan, de Koerdische zanger die in ballingschap in Europa woont en wiens liederen nu oogluikend worden toegestaan.

Na twintig kilometer bereiken wij het dorp Kirmizikopru. Van de vijfhonderd mensen die hier vijf jaar geleden nog woonden, zijn er nog maar honderdvijftig over. Het dorp ziet er uit of het door straatgevechten is verwoest. Sommige huizen zijn uitgebrand en hebben geen dak meer. In 1992 was dit nog een bloeiend toeristendorp met vijf hotels.

Bloednerveuze soldaten, van wie twee vrienden twee dagen geleden door een mijn om het leven zijn gekomen beslissen dat het konvooi vannacht hier blijft. Iedereen moet maar zien waar hij slaapt, in zijn vrachtwagen of personenauto. Om acht uur 's morgens mag het konvooi eindelijk de tocht voortzetten. Niet veel later komen wij ineens bij de grote weg van Erzurum naar Erzincan, die loopt door een brede vallei, aan de zuidzijde omzoomd door de zeer hoge bergen een wereld op zichzelf, waarin bepaalde gebieden, zoals Ovacik, volstrekt verboden terrein zijn. Hoeveel toeristen die langs razen op deze snelweg van Ankara naar de grote steden in het noorden van Anatolie zullen bevroeden dat achter deze besneeuwde toppen een van de meest afgegrendelde gebieden van Turks Koerdistan ligt, waar het leger zonder pottenkijkers onbeperkte macht uitoefent?

Dicle, een groot dorp van zo'n vijfduizend inwoners, is slechts het vermelden waard omdat zeven kilometer er vandaan een onlangs voltooide dam in de Tigris ligt.

De grootste zorg van het dorp is intussen gebrek aan water. De overheid houdt de gemeenteraad voor dat al het water achter de dam nodig is om elektriciteit op te wekken, en dat een paar kubieke meter om de akkers van de boeren te bevloeien er niet af kan.

Op het trottoir van de hoofdstraat zitten tientallen mannen op krukjes thee te drinken, wachtend op het uur dat de zon hen dwingt de schaduw aan de overkant op te zoeken. Sommigen van hen zijn in Dicle thuis, maar de meesten komen uit naburige dorpen waaruit de inwoners zijn verjaagd: “De soldaten komen eraan zeggen 'Je huis uit!' en vernielen alles', vertelt een van hen, “omdat wij weigeren wapens te dragen en dorpswachters te worden. Zij zeggen ons dat ze niet overal karakols - forten voor de gendarmes - kunnen neerzetten, en zij branden onze huizen plat.' Van de 65 dorpen in het district Dicle zijn er achttien - bijna alle dorpen in het noordelijke deel van het district - helemaal verwoest. En ze gaan ermee door: begin juli dreigden militairen twee dorpen te verwoesten in een naburig district, tussen Hazro en Lice.

Kaarten en domino

Dorpelingen van Dicle leggen uit waarom zij zijn overgelopen naar het kamp van de PKK-sympathisanten: “Ze treiteren ons voortdurend', vertelt een boer. “Wanneer wij met een tractor vol zakken tarwe een van hun controleposten passeren, storten zij de zakken op straat leeg en zeggen dan: 'Wij controleren alleen maar of jullie geen wapens verbergen'.'

De jonge werkloze mannen zitten de hele dag te kaarten en domino te spelen in het cafe, en worden zo nu en dan voor ondervraging op het politiebureau ontboden. Uit verontwaardiging over die vaak harde verhoren gaan ze ten slotte naar de guerrillakampen in de bergen ten noorden van Dicle.

De mensen zeggen dat er onlangs op het kerkhof enkele tientallen graven zijn gedolven voor jonge strijders die als honden werden gedood en begraven.

Aan de noordzijde van de stad ligt een militaire basis van meer dan tien hectare. Vanaf de weg kun je er tientallen tanks en honderden trucks zien staan, maar volgens de Koerden ter plaatse wordt met al dat wapentuig niets gedaan. In tegenstelling tot zijn voorganger die een echte 'fascist' was, schijnt de generaal die het garnizoen tegenwoordig leidt een verlicht officier te zijn, die in Europa een tijdje bij de NAVO heeft gediend. Ze zeggen dat hij een min of meer stilzwijgend akkoord heeft gesloten met de PKK-guerrillastrijders: “Als jullie mij met rust laten, laat ik jullie met rust.'

Daarom handhaaft het leger zijn stellingen op de berg Tenduruk, maar heeft het zich teruggetrokken van de hellingen van de Ararat. Daardoor kan iedereen nu doorgaan met een buitengewoon lucratieve activiteit: de import van benzine, thee en andere waren uit Iran.

“Het is heel eenvoudig', zegt een Koerd die geen geheim maakt van zijn voldoening over de bloeiende zaken. “Wij werken hier alleen met dollars. Ik voer benzine in uit Azerbajdzjan en Oezbekistan, die wordt vervoerd in trucks met Iraniers aan het stuur. Ik koop iedereen om: de politie, de douane, de politieke politie (de inlichtingendienst die de PKK in de gaten moet houden) - vijfhonderd dollar hier, vijfhonderd dollar daar, en iedereen is gelukkig.' Andere zakenlui melden de invoer van thee en andere producten uit Dubai. En drugs? Niet hier, antwoorden al deze Koerden met onschuldige gezichten: “Drugs? Die gaan via Yuksekova.'

De weg voert terug naar Diyarbakir: alle mensen die door het leger uit hun dorp zijn verdreven komen vroeg of laat hier terecht.

Zo ook Sabahat, een 33-jarige vrouw wier man in april 1994 is gedood nabij Sason. Twee maanden daarna hebben zij haar huis platgebrand en Sabahat met haar zes kinderen - ze was in verwachting van een zevende - op straat gezet. Zij woont nu in Diyarbakir in een flat zonder enige voorziening, maar anders dan duizenden gedeporteerde dorpsgezinnen heeft zij een heus dak.

Alle getuigenissen komen op hetzelfde neer: de meeste dorpen zijn vernield tussen 1992 en 1994. Zoals een Koerd met wrange humor opmerkt: “Toen ze alles verwoest hadden, moesten ze wel stoppen.'

Volgens een officieel rapport uit 1997 van een onderzoekscommissie van het Turkse parlement hebben de veiligheidstroepen negenhonderd dorpen en drieduizend gehuchten 'geevacueerd'. Dat rapport meldt ook dat volgens de burgemeester van Tunceli tussen de 70 en 80 procent van de 374 dorpen in zijn district zijn ontruimd. De commissie haalt bovendien een rapport aan van de Turkse Bond van Architecten en Bouwkundigen waaruit blijkt dat de bevolking van Diyarbakir in vijf jaar meer dan verdubbeld is, en dat deze stad een reusachtig 'dorp' is geworden, waar meer dan 30 procent van de inwoners werkloos is.

Terwijl 'armoede' in Turkije wordt getaxeerd op 400 dollar per jaar, wordt voor Koerdistan de helft van dat bedrag aangenomen dus 200 dollar per jaar - en vele gezinnen komen rond van een jaarinkomen van 70 a 80 dollar.

Tot 1993 woonde Jemil in Licok, een dorp op vijftien kilometer van Lice. Deze vader van acht kinderen was een tamelijk welgestelde boer: hij bebouwde zo'n vier hectare met tabak, bezat een tractor, een molen en boomgaarden. Nu is Jemil alles kwijt. Hij zwerft als seizoenarbeider langs de Turkse wegen.

Hij verdient maar net genoeg om zijn gezin voor de hongerdood te bewaren; hij is een van de Koerden die door de oorlog aan het zwerven zijn geslagen.

Jemil is eerst naar Diyarbakir gegaan, waar hij drie maanden is gebleven. Mehmet, zijn oudste zoon, is er door een onbekende aanvaller gedood in de ingang van een theehuis. Een tweede zoon, Jahit, is op de beschuldiging dat hij berichten overbracht voor de PKK tot vijftien jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Daarna besloot het gezin Koerdistan te ontvluchten. Ze trokken naar Apazade bij Istanbul, een streek waar voor seizoenarbeiders wat te verdienen valt met het plukken van fruit. Daar hebben Jemil, zijn vrouw, hun dochter Tshenay (nu 21 jaar) en twee jongere kinderen zeven weken gewerkt. Daarna gingen ze naar Manisa en vervolgens naar een plaats bij Adana. Telkens verder trekkend op zoek naar werk kwamen zij ten slotte in Izmir, waar ze twee jaar zijn gebleven. Ze woonden daar in een krot zonder stromend water en hielden zich met allerlei klusjes, zoals het plukken van komkommers, in leven. Toen ze eindelijk wat geld bij elkaar hadden gespaard, keerden ze voor een jaar terug naar Diyarbakir: “Het was een droom om daar nog eens heen te gaan' zegt Tshenay. Maar ze konden er niets doen. “Er is geen werk meer in Diyarbakir.' Toen hun spaargeld op was, keerden zij terug naar het westen. Nu wonen zij in een flatje op de begane grond van een onfris huis in Istanbul.

Zo trekken meer dan een half miljoen Koerden op het ritme van de seizoenen langs de Turkse wegen: in april wieden ze eerst de katoenvelden, daarna plukken ze komkommers en tomaten, dan hazelnoten en dan gaan ze katoen plukken. De kinderen zijn de voornaamste slachtoffers.

De meesten gaan niet naar school, omdat hun ouders het schooluniform en de leermiddelen niet kunnen betalen.

Nevzat (32) is geboren in een Koerdisch dorp in de buurt van Erzurum. Hij is in 1989 uit zijn dorp verdreven omdat hij weigerde dorpswachter te worden. “Ik had niet gedacht dat ik hier zou blijven', zegt hij in de kleine woning die hij heeft gebouwd in een sloppenwijk van Istanbul, twintig kilometer van het centrum, tussen een fabriek en de snelweg naar Edirne. Hij heeft het huis al vier keer opnieuw opgebouwd, want het is vier keer door bulldozers van de gemeente met de grond gelijkgemaakt (...) “Vroeger dacht ik dat wij zouden teruggaan naar ons dorp, maar daar geloof ik nu niet meer in...' Twee van zijn vijf kinderen zijn in deze sloppenwijk geboren.

Nevzats huis heeft elektra - illegaal afgetapt van een kabel in de buurt - zodat hij de programma's van MED-TV kan zien, de Koerdische televisie die uitzendt uit Belgie en Groot-Brittannie. Water is er niet. Het gezin moet het doen met jerrycans die eens per week worden gevuld bij een tankwagen, die soms voorbijrijdt zonder water te verstrekken.

Nevzat werkt als metselaar voor particuliere ondernemingen, niet voor de overheid. Hij verdient ongeveer twee miljoen Turkse ponden per dag - zeg maar dertien gulden - als hij werk vindt. “Sinds het begin van de oorlog', zegt Nevzat, “is er niet veel werk.' Welke oorlog bedoelt hij? “De oorlog tegen de Koerden; vroeger ging het alleen maar tegen bepaalde mensen, maar sinds 1990 voert de staat oorlog tegen heel het Koerdische volk.'

Zijn kinderen boffen: ze gaan naar school. “Maar school betekent ook assimilatie', zegt Nevzat. Iedere ochtend moeten zijn kinderen een gedicht opzeggen: 'Ik ben een Turk, ik heb gelijk...' En Nevzat, wiens jongste dochter 'Koerdistan' heet al heeft ze ook een Turkse naam, steekt een heel verhaal af: “Wij zitten hier heel ver van de Koerdische cultuur.

Wij hebben een nieuw leven een nieuwe cultuur. Mijn kinderen kennen de naam van hun dorp niet, of de naam van hun grootouders, maar zij kennen wel Turkse liedjes en de namen van de spelers van het Turkse elftal.'

Een buurman die een jaar of wat is schoolgegaan legt uit waarom de Turkse overheid de Koerden systematisch uit hun dorpen verdrijft: “Tot 1940 dachten zij dat ze de Koerdische opstanden - er zijn er 28 geweest sinds 1923 - met bloedig geweld konden neerslaan. Toen zij doorkregen dat repressie niet werkt besloten zij het probleem op te lossen door assimilatie. Wanneer een volk zijn karakter verliest, is het er geweest. Daarom streeft de overheid ernaar Koerdistan leeg te maken en zijn inwoners naar Istanbul, Izmir en zo te brengen. Om geld te kunnen verdienen moet je aanvaarden dat je je identiteit kwijtraakt. In je dorp kun je doen wat je wilt, en kun je ten slotte altijd overleven dankzij de steun van je buren. Maar hier zegt de staat: 'Goed, ik geef jou geld, maar dan moet je je bek houden!' Tien miljoen Koerden doen dat, maar twintig miljoen anderen houden hun bek niet.'

Vertaling Jaap Engelsman