Bozo-bozo

DE POST. Om te beginnen een brief van een lezer die zich ook zelf eens aan een klein experiment waagde. De gemiddelde AW-lezer houdt het liever op een scherpe waarneming, een secure berekening of een spitse analyse.

Lezer A.C. de Vries waagde zich aan een proefneming. Hij besloot na te gaan hoe groot de onderdruk is die men met het wijnpompje Vavu-Vin in een aangebroken fles wijn kan aanbrengem. Niet eenvoudig te meten, werd hier op 3 oktober vastgesteld. Wel eenvoudig, schrijft De Vries. Het enige wat je moet doen is de vacuumgezogen (lege) proeffles ondersteboven draaien en met zijn hals in een teil water steken. Als je dan het rubberen dopje los trekt stroomt er met kracht water naar binnen. Loopt de fles precies half vol dan was de aanvankelijke druk 0,5 bar, stroomt hij maar voor een kwart vol water dan was de druk 0,75 bar.

Theoretisch kan de berekening niet helemaal door de beugel, want de luchtdruk in de fles is na het volstromen niet helemaal 1 atmosfeer (bij gebruik van kwik in plaats van water zou het misgaan) maar praktisch blijkt zij eigenlijk zonder meer hanteerbaar. Men toont makkelijk aan dat de methode-De Vries er maar hooguit een paar procent naast zit, en bovendien naar wens blijkt te corrigeren (door ook de hoogte van het waterniveau te meten). Van belang is dat De Vries, na woest trekken aan de wijnpomp, regelmatig een einddruk van 0,21 bar bereikte, nauwelijks lager dan de waarde die van AW-wege uit de losse pols voor aannemelijk was gehouden (0,25 bar). Of het helpt tegen wijnbederf blijft de vraag.

Zoals gezegd, liever dan te goochelen rekent de lezer. En vaak leidt dat ook veel sneller tot een nuttig inzicht. Zo kwam er een zuinige reactie van geoloog A.J. van Loon op de AW van 7/11 over het zwevend slib in de Mississippi. Een lezer had gesuggereerd dat de huidige zeespiegelrijzing misschien voor een deel het gevolg was van de aanvoer van rivierslib naar zeeen en oceanen.

Zou dat kunnen, vroeg hij. Nee, was de conclusie. De lezer was uitgegaan van onjuiste gegevens in een oude Winkler Prins. De Encyclopaedia Britannica zette de zaak snel in de juiste verhoudingen met de vermelding dat de Amazone per vierkante kilometer stroomgebied maar 107 ton slib per jaar afvoert. Daaruit viel af te leiden dat de sedimentafvoer van rivieren geen rol speelt in de zeespiegelrijzing.

Van Loon brengt de stelling nog definitiever om zeep. 107 ton slib heeft, schrijft hij, bij benadering een volume van 40 kubieke meter. Als dat inderdaad de afvoer van de Amazone is zou het achterland per jaar ongeveer 0,04 millimeter moeten dalen. Een dergelijk hoge erosiesnelheid is, zeker voor dat gebied, niet aannemelijk. Het aardse maximum blijkt te liggen op ongeveer 0,1 millimeter per jaar en dat wordt uitsluitend gevonden bij zich opheffend gebergte als de Sierra Nevada in Californie. Niet alleen de Winkler Prins, ook de Britannica zat er dus naast.

Uiteindelijk verliest men al zijn zekerheden. Wat ging er fout bij de Amerikaanse encyclopedie? De slibafvoer is het product van gemiddelde slibconcentratie en gemiddeld debiet en aangenomen mag worden dat het debiet goed is gemeten, dat is eenvoudig genoeg. Zeer waarschijnlijk is de slibconcentratie overschat doordat veel plankton is meegeteld of doordat op niet representatieve momenten werd bemonsterd.

Op 17 oktober ging het over eenden en ganzen die zo graag in een V-formatie vliegen. Onderzoekers hadden niet alleen uitgerekend hoeveel het V-vliegen aan energie bespaarde, ze hadden ook berekend wat de gunstigste V-vorm was: een parabool. Maar ze stelden teleurgesteld vast dat de dieren nooit in een parabool vlogen.

Mijn kennis van de militaire luchtvaart zegt me, schrijft lezer P. de Koning met zoveel woorden, dat er andere voordelen zijn aan het vliegen in V-formatie dan energetische. De formatie is ook bij militaire vliegers lang favoriet geweest omdat je vliegend in een V zo'n goed zicht hebt op de buurman aan wiens snelheid je je moet conformeren. Kleine snelheidsveranderingen worden onmiddellijk opgemerkt. Wel is het zo dat plotselinge zwenkingen van de formatieleider met steeds grotere vertraging naar achteren worden doorgegeven. Je zou eens kunnen onderzoeken of grote vogelzwermen vaker in een los verband vliegen dan kleine, besluit hij, er losjes aan toevoegend dat bekend is dat de formatieleider juist minder brandstof verbruikt dan de overige vliegers.

Vorige week behandelde de rubriek physics toys, klein speelgoed waaraan een aardig fysisch principe of raadsel ten grondslag ligt. Het ging over een propellertje dat draaide om een spijker die in het kopse eind van een stok was geslagen. In de stok waren inkepingen aangebracht raspte je daar over heen dan ging de propeller draaien, linksom of rechtsom.

De instrumentjes hebben geen naam, alleen een beschrijving, stond hier. Een lezer in Boijl bericht dat ze in het Amerikaanse Asheville 'Whimmy Diddles' heten en dat men er in wedstrijden onderzoekt wie de draairichting van de propeller het vaakst binnen de minuut kan laten veranderen. Een andere lezer kocht een diddle in een stadje bij Bordeaux. Daar was hij door de maker een 'bozo-bozo' gedoopt. Hij werd er geleverd met zo'n quasi geleerde uitleg waarop Fransen het patent lijken te hebben.

Tot slot kwam er een vriendelijke brief van het Meertensinstituut, die nog een nuttige aanvulling gaf op de bespiegelingen over Klaas Vaak en het zandmannetje (14/11).

'Er zijn ons geen studies over dit thema bekend, wel heeft ons instituut er in zijn vragenlijst van 1943 een vraag over gesteld.' Het blijkt dat de aanduiding Klaas Vaak bijna uitsluitend in West-Nederland gangbaar was. In Limburg werd Vaak altijd 'het zandmannetje' genoemd, in de richting van Groningen wordt de aanduiding slaapluizen steeds algemener. Onderzoeker J.J. Voskuil heeft de antwoorden van 1943 veertien jaar na het veldwerk verwerkt in een mooie verspreidingskaart. Deze is nooit gepubliceerd.