Bevoogden van Duitsland is verleden tijd

De opvatting van de Duitse schrijver Martin Walser dat de herinnering aan de holocaust niet als een morele knuppel mag worden gebruikt, heeft in Duitsland voor grote opschudding gezorgd. Paul Scheffer meent dat velen met 'Auschwitz' in de hand Duitsland het recht op zelfbeschikking willen ontzeggen.

Beginnen we met een sterk vermoeden: wanneer een staatshoofd en een schrijver hun land beginnen te omschrijven als 'normaal' dan mag men aannemen dat voorlopig van het tegendeel sprake is. In ieder geval is er geen land buiten Duitsland waar men op het idee zou komen om zichzelf het voorvoegsel 'normaal' aan te meten, althans niet zonder ironische bedoeling. Degenen die denken dat in Duitsland de herinnering aan de oorlog vervlakt, kunnen gerust zijn zolang zulke woorden nog gesproken worden.

Wie als betrekkelijke buitenstaander de polemiek volgt die de Duitse schrijver Martin Walser met zijn rede bij de aanvaarding van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel heeft losgemaakt, weet zeker dat 'normaliteit' wat dat ook moge zijn ver is te zoeken. De gruwelijkste verwijten vliegen in het rond waarbij moedwil en misverstand niet meer te scheiden zijn. Wanneer de voorzitter van de joodse gemeenschap in Duitsland, Ignatz Bubis, bij de herdenking van de Kristallnacht tegenwoordig uit voorzorg Reichspogromnacht genoemd Walser 'geestelijke brandstichting' aanrekent, dan is een dieptepunt bereikt, waarna slechts zwijgen hoort te volgen.

De achtergrond van de heftige woordenwisseling wordt gevormd door de overgang van Bonn naar Berlijn als formeel sluitstuk van de hereniging. Zal met deze verhuizing een oude continuiteit worden hersteld en zal een Schluetanyahustrich worden getrokken onder de herinnering en de verantwoording voor de catastrofe van Hitler-Duitsland? Zal een nieuwe generatie in de oude hoofdstad onbevangen het moeizaam opgebouwde kapitaal van vertrouwen verkwisten? Zoals in Duitsland de herinnering aan 1914 is overwoekerd door 1945, zo vrezen sommigen dat 1945 langzaam zal wegglijden uit het geheugen ten faveure van 1989.

Zal 1989 in de schaduw van 1945 blijven staan? De Frankfurter filosoof Jurgen Habermas is er niet gerust op. Hij acht de kans aanwezig dat een continuiteit van 1914-1989 zal worden gevormd en daarmee de periode van de Bonner republiek als een uitzondering zal gaan gelden.

Het moet deze achtergrond zijn die voor veel emotie heeft gezorgd, want bij nadere beschouwing heeft Walser in zijn rede niet zoveel nieuws gezegd. Hij heeft bij herhaling geargumenteerd tegen degenen die Auschwitz gebruiken als 'morele knuppel' in een hedendaagse politieke en intellectuele strijd. Zo heeft hij zich al twintig jaar geleden afgezet tegen collega-schrijver Gunter Grass die meende dat na Auschwitz de Duitsers het recht op zelfbeschikking hadden verloren: “Een herenigd Duitsland zou een kolos vol complexen zijn, die zichzelf en de eenwording van Europa in de weg staat.'

Walsers wantrouwen betrof nu juist de deling van zijn land, en het geloof in Stunde Null, een geheel nieuw begin na mei 1945. Walser bleef zoeken naar verhalen die de samenhang van de Duitse geschiedenis op een terughoudende manier vorm zouden kunnen geven. Ook uit naam van de herinnering aan 'Auschwitz': “De overlevenden en de familieleden van de slachtoffers worden als door een kunstgreep plotseling alleen nog geconfronteerd met ontspannen, moderne en van alle verplichting ontheven individuen. Duits, wat is dat? Oost? West? Het Duitse volk? Nooit van gehoord.' Men kan zeggen dat oorlogsschuld slechts betekenis heeft voor hen die enige liefde tegenover hun land kunnen opbrengen. Zonder zo'n vereenzelviging krijgt plaatsvervangende schaamte geen kans.

Ondanks al hun verschillen waren Grass en Walser het op een punt met elkaar eens: de deling van Duitsland was een 'straf'.

Ook Walser vond die straf verdiend, maar anders dan Grass niet voor eeuwig, want straf is toch bedoeld om de dader tot resocialisatie te brengen. En was Duitsland veertig jaar na de oorlog niet een aanvaard lid van de volkerengemeenschap geworden? Dat moge waar zijn, toch was de deling van Duitsland geen 'straf', maar eerder de onbedoelde uitkomst van de zelfvernietiging van Hitler-Duitsland.

Ook anderszins borduurt Walser in zijn toespraak voort op oudere denkbeelden. Zo had hij de omkering van de beroemde frase van Hannah Arendt over 'de banaliteit van het kwaad' tien jaar geleden al eens gebruikt naar aanleiding van de storm van protesten tegen de rede van de voorzitter van de Bondsdag, Jenninger, ook al ter gelegenheid van de herdenking van de Kristallnacht. Onder de kop 'de banaliteit van het goede' liet Walser zich toen uit over de zijns inziens nogal onwaarachtige woede over de poging van Jenninger om de houding van de toenmalige Duitsers tegenover hun joodse medeburgers te karakteriseren. Jenninger moest die onhandige eerlijkheid bekopen met zijn aftreden.

Opnieuw keert Walser zich tegen de morele hoogmoed die zo vanzelfsprekend lijkt voort te vloeien uit publiekelijk beleden schuld. Zijn wantrouwen tegen veel van de herdenkingsroutine is begrijpelijk, het geweten is een individuele aangelegenheid. “Men rijdt een tijdje met de schuld-en-boete-trein, omdat men zich verplicht voelt om mee te rijden maar tijdens de reis denkt men aan andere zaken.'

Natuurlijk zijn er legitieme verschillen van mening over de rituelen van het herdenken. Maar waar het nog steeds om gaat is dat velen met 'Auschwitz' in de hand Duitsland eigenlijk het recht op zelfbeschikking willen ontzeggen.

Dat is allerminst belangeloos. Niet alleen heeft Bubis als zaakwaarnemer een belang bij het instandhouden van een herinnering die intimiderend werkt op de grote meerderheid van de Duitse burgers en bestuurders, ook de omringende landen hebben zich met enige overgave in de schaduw gekoesterd van de grote misdaden die in naam van Duitsland zijn begaan. Al was het maar omdat de medeplichtigheid van de bestuurlijke elite en de burgerij in landen als Frankrijk en Nederland daardoor onbesproken kon blijven.

Wanneer 'normalisering' betekent dat deze gemakzuchtige verdeling van 'goed' en 'kwaad' wordt doorbroken, dan kan deze houding niet snel genoeg tot gemeengoed worden. De resocialisering van Duitsland is inderdaad allang voltooid, het kapitaal van wantrouwen waaruit in en om Duitsland zo rijkelijk is geput, slinkt met de dag. Dat is gemakkelijker gezegd in de buurlanden, in Duitsland zelf is die term zeer beladen. Eigenlijk, zo blijkt uit de reactie op Walser, wordt 'normaliteit' vrijwel vereenzelvigd met Schluetanyahustrich, dat wil zeggen met een streep onder het verleden: er is genoeg gezegd en geschreven over de holocaust, het is nu tijd om voorgoed uit de greep van deze tragedie te raken. Een nieuwe generatie, die part noch deel heeft aan de oorlog, moet op een onbevangen en zelfbewuste manier Duitsland vertegenwoordigen.

Schroder praktiseert volgens sommigen iets van deze houding wanneer hij zegt: “Het Duitsland dat wij vertegenwoordigen zal onbevangen zijn en in de goede zin misschien wel Duitser zijn dan voorheen.'

Het is onvermijdelijk dat Duitsland zich gaandeweg meer zal gaan gedragen als de middelgrote machten Frankrijk en Groot-Brittannie: even zelfbewust en bij tijd en wijle onhebbelijk.

Die emancipatie is al vanaf de jaren zeventig zichtbaar en zal door de verhuizing van Bonn naar Berlijn nieuwe voeding krijgen. Daar is op zichzelf niets verkeerds aan. Integendeel integratie in Europa staat of valt met een wederkerig verlies van soevereiniteit van de grote drie en niet met eenzijdige zelfbeperking van Duitsland.

De ontplooiing van Duitsland in Europa hoeft niet verward te worden met een georkestreerd vergeten van de geschiedenis. Elke land heeft zijn zwarte bladzijden in de geschiedenis - Duitsland in deze eeuw wel heel in het bijzonder - en moet een vorm vinden om met die herinnering om te gaan. Onze oosterburen hebben zich een halve eeuw lang op een diepgaande manier met hun geschiedenis bezig gehouden, een bemoeienis waarbij de Franse gedachtenvorming over Vichy en de Nederlandse over de eigen medeplichtigheid, gevolgd door een koloniale oorlog, wel heel erg schraal afsteken.

De Europese eenwording is doortrokken van de herinnering aan de oorlog. Maar het mag worden betwijfeld of de holocaust tot de fundamenten van het zelfbeeld in ons deel van de wereld is gaan behoren. Misschien geldt het wel voor Duitsland, maar toch veel minder voor landen die zichzelf zagen als slachtoffer van Duitse agressie. De Britse historicus Moore concludeerde onlangs in een uitvoerige studie over de vervolging van de joden in Nederland: “Het lot van de gedeporteerden liet de meeste mensen tamelijk onverschillig, misschien omdat iedereen zijn eigen ervaringen had met de bezetting en zijn eigen verhaal van ongemak en ontberingen. [...] Tot op zekere hoogte zou men kunnen volhouden dat de jodenvervolging weinig effect heeft gehad op de Nederlandse samenleving.'

Walsers politieke uitlatingen staan op 'poetische voeten', daaraan herinnerde Frank Schirrmacher van de Frankfurter Allgemeine in zijn laudatio bij de prijsuitreiking. Zijn denken over Duitsland is zeker gevormd door de genegenheid voor de verliezer die hij in zijn romans heeft getoond. De romanhelden van Walser zijn geen helden, maar mensen die kommervol door het leven gaan. Het zijn Niederlagensammler.

Die verliezers zijn van alle tijden, maar hun levensverhaal is opgenomen in de grotere geschiedenis van een natie die het onderspit heeft gedolven. De verliezers hebben geen recht op een eigen geschiedenis, want zoals we weten wordt de geschiedenis geschreven door de winnaars. Het is bijna een standaardformulering in het werk van Walser. Zelfrespect kan niet worden verleend door de overwinnaar, zelfontkenning biedt uiteindelijk geen uitkomst. De naieveteit die Walser bewust tot uitgangspunt neemt, “een belangeloze belangstelling voor het verleden, opdat het verleden ons als vanzelf tegemoet treedt', is niet alleen gerechtvaardigd, maar is ook een verademing. Zo wordt een ruimte gecreeerd voor een verhaal dat niet wordt overwoekerd door morele waarheden die van later datum zijn.

Zo'n vertelperspectief wordt niet door iedereen in Duitsland gewaardeerd. Zo vroeg de criticus Marcel Reich-Ranicki zich in een van zijn vele berekenende woedeaanvallen af hoe het mogelijk was om een roman te schrijven over een jeugd in Hitler-Duitsland (Ein springender Brunnen) zonder een nadrukkelijke verwijzing naar 'Auschwitz'. Walser op zijn beurt heeft zich verzet tegen een dergelijke Auschwitzpflicht die elke literatuur platslaat tot een opvoedkundige oefening.

Zo'n gebruik van 'Auschwitz' is treurig om dat daarmee in een adem te kennen wordt gegeven dat de herinnering niet aan zichzelf genoeg heeft, maar slechts in leven kan worden gehouden door wat met een gruwelijke term 'de actualisering van Auschwitz' is genoemd.

Moeten we daarbij denken aan de borden die tijdens de Golfoorlog in Tel Aviv omhoog werden gehouden met de leuze 'Germania-Gasmania'?

Dat alles kan men Walser nazeggen, maar wat men hem zou kunnen verwijten is dat hij een literaire houding gemakkelijk uitvergroot tot een publieke norm. Hij toont zich te zeer bevangen door de discussie over het Holocaust-monument in Berlijn. Het ontwerp, dat door toedoen van Kohl te elfder ure werd afgekeurd, was inderdaad een 'monumentalisering van de schande': namelijk een betonnen plaat ter grote van een voetbalveld waarin alle namen van de slachtoffers zouden moeten worden gegraveerd. Andere ontwerpen waren niet minder wanstaltig.

Maar die 'monumentalisering' hoeft niet te worden beantwoord met een 'privatisering' van het herdenken, zoals Walser lijkt te suggeren. Ook al gruwt hij terecht van vele officiele herdenkingen, er zijn toch ook bescheiden symbolen tot stand gekomen. Een samenleving kan in gemeenschappelijke gebaren rekenschap afleggen van hetgeen er uit haar naam is aangericht. Zo noemt Gyorgy Konrad in een zeer kritische beschouwing over het Berlijnse Holocaustmahnmal het monument op de Bebelplatz, dat aan de boekverbranding herinnert door middel van een onderaardse kamer die zichtbaar is door een glasplaat, met aan alle wanden lege boekenschappen.

Niemand die ook maar vluchtig op de hoogte is van het leven en de werken van Walser kan beweren dat hij pleit voor een cultuur van het vergeten en wegkijken, wanneer hij zegt dat het voortdurende bombardement van beelden van de concentratiekampen hem regelmatig te veel wordt en een afweer reactie oproept. Het gemak waarmee obscene afbeeldingen van slachtoffers worden getoond met een beroep op opvoedkundige beginselen is inderdaad onbegrijpelijk.

Van Bonn naar Berlijn: Duitsland bevindt zich sinds 1989 in een periode van zelfdefiniering en over het geheel genomen valt de rust op waarmee deze omwenteling zich temidden van negen buurlanden voltrekt. De uitkomst van die nieuwe plaatsbepaling is open nu de vertrouwde symbolen van de recente geschiedenis wegvallen: de D-Mark, Bonn en ook Kohl. Toch is er weinig tot niets dat op een herwonnen hoogmoed of een verwaarloosd verleden wijst.

De verkiezing van een rood-groene regering - de eerste keer dat na de oorlog een zittende regering direct werd weggestemd - is in de woorden van Schroder een teken van 'democratische normaliteit'. Dat geldt ook voor zijn uitlating: “We willen de euro niet om ons verleden te verwerken, maar als een kans voor onze toekomst.' De metaforen van een 'verankering' en 'binding' van Duitsland in Europa waren uitingen van een wantrouwen in eigen land, van een 'nobele vijandschap tegen zichzelf' die niet meer van deze tijd is. Daarmee ontstaat meer ruimte voor een pragmatische afweging van Duitse belangen en dat hoeft niet altijd in het voordeel van anderen te zijn.

Het kan niemand verbazen dat veel Duitsers een afnemende bereidheid tonen om zich te voegen naar de morele bevoogding die een niet onaanzienlijk deel van de buitenwereld graag in stand wil houden uit eigenbelang. Duitsland is jarenlang door zijn buurlanden in een double bind gevangen, die werd versterkt door eigen onzekerheid. Wat het land ook deed, het was nooit goed, zoals bijvoorbeeld bleek tijdens de Golfoorlog. Het niet sturen van troepen door het pas verenigde Duitsland werd gekritiseerd, maar iedereen weet dat als Duitsland zijn grondwet had veranderd en wel militairen had gestuurd velen hadden verzucht: “Zie je wel, pas herenigd en nu al weer op oorlogspad.'

Walser heeft in Finks Krieg een van zijn romanfiguren deze bevoogding laten aanklagen in bewoordingen die men niet moet vertalen: “Heute geborene Deutsche werden ins Bessersein hineingeboren. Aber jetzt stellt sich heraus: die Welt wacht uber uns als konne taglich die ganze Scheisse wieder hochkochen, ausbrechen vulkanartig. Der Frieden, der man uns geschenkt hat, ist faul. Er stinkt [...] Das heisst, wir bleiben in der Scheisse. Prinzipiell. Die deutsche Geschichte ist aus der Hitler-scheisse nicht herausgekommen, sondern die Hitler-scheisse wird so am kochen gehalten, dass wir jederzeit mit ihr eingedeckt werden konnen. Rette sich wer kann.'