Afscheid van de Leuvehaven

Afgelopen week verscheen 'Vroeger is niet voorbij', een bundeling van de korte verhalen van Tonny van der Horst die eerder in NRC Handelsblad verschenen. Uitg. Atlas. 128 blz. f29,90. ISBN 90 450 0143 8

Waar de kachel voor de schoorsteen had gestaan, lag onder het zwarte gat van de verdwenen pijp een hoopje as op de vloer. Ik bedacht dat ik bij de concierge een stoffer en blik moest vragen om het op te vegen, maar bleef voor het raam door de kale takken van de iep naar buiten kijken. Zoals altijd wanneer het erg koud was, zwenkten de meeuwen onder het uitstoten van rauwe kreten rakelings over het water van de Leuvehaven, dat schuimend opspatte tegen de boeg van de met eentonig motorgeronk voorbijvarende dekschuiten. Soms overstemde het verdragende geluid van een scheepshoorn het bedrijvige rumoer langs de kaden, waar gelost en geladen werd en lawaaiige mannen met zakken op hun rug of volle kruiwagens voor zich uit duwend elkaar over zwiepende loopplanken passeerden.

Behalve de leeggehaalde boekenkasten, die waren achtergelaten in de hoop dat de volgende huurder ze zou willen overnemen, waren de meubelen 's morgens per verhuiswagen naar Amsterdam getransporteerd, waarop ik na mij ervan te hebben vergewist dat er niets was vergeten, de sleutels bij de concierge zou afgeven en als laatste de deur achter me zou dichttrekken.

Het was een onwezenlijke gedachte dat ik nooit meer in deze kamer zou terugkomen en nooit meer over de Leuvebrug naar dit huis zou lopen, als zovele keren, om precies te zijn vier jaar lang, sinds die regenachtige winteravond toen ik, net achttien, voor het eerst naar het adres aan de Leuvehaven was gegaan in een mij onbekende buurt, met de vage omtrekken van schepen langs de uitgestorven kade en het flauwe schijnsel van lantaarns tegen de duistere gevels van de oude koopmanshuizen die gezien de koperen naamborden aan weerszijden van de deuren, alleen als kantoor- en magazijnruimten dienst deden.

Een uitzondering maakte het pand met de verlichte vensters op nummer 45, waar de helft van een ouderwetse dubbele buitendeur met een stroef geluid openweek. In een ruime hal kwam mij behalve een ijzige kilte een penetrante lucht tegemoet uit de kelder van de hier gevestigde wijnfirma, zoals later zou blijken, en via de gladde, uitgesleten treden van een even tochtige als imposante trappengalerij en holle marmeren gangen werd ik naar de openstaande deur van een helverlichte kamer geleid, een zaal bijna, waar de wanden van de vloer tot het plafond uit boekenkasten bestonden.

Die gedenkwaardige eerste avond vond plaats nadat ik enige dagen eerder de euvele moed had gehad mij zonder telefonische of schriftelijke aankondiging met een verhaal van mijn hand naar de burelen van de Nieuwe Rotterdamsche Courant te begeven.

Ik had er, op advies van de redacteur van een familieblad wiens naam ik ter aanbeveling mocht noemen, naar Victor van Vriesland gevraagd, die mij, verbolgen over mijn onaangekondigd bezoek, niet langer dan een paar minuten te woord stond en mijn proza een dag later retourneerde, met het commentaar dat ik het eens op een andere manier moest proberen.

Hoewel beducht voor deze strenge oudere heer, was ik toch enigszins aangemoedigd en stuurde hem het relaas van een dag uit mijn kindertijd, waarop ik werd uitgenodigd mijn simpele verslag, dat door veel stijlslordigheden bleek te worden ontsierd, bij hem thuis te komen corrigeren.

We dronken thee voor een manshoge, ijzeren schoolkachel en aan een groot bureau dat zich met een opbouw vol paperassen en een gebeeldhouwde kop van Karel van de Woestijne als een soort altaar tussen twee ramen verhief, zat ik naast hem en keek verbijsterd toe hoe een rood potlood een genadeloos spoor van verbeteringen door mijn jeugdherinnering trok.

Ik werd met een taxi naar huis gebracht en kreeg een armvol boeken mee die ik ter lering moest lezen en een van de komende zondagmiddagen diende terug te brengen, waarop ik weer met een voorraad leerzame lectuur vertrok die ik een volgende zondag opnieuw in het huis aan de Leuvehaven afleverde, dat al iets vertrouwds begon te krijgen.

Er kwam een verzoek Van Vriesland te vergezellen naar het zogeheten 'bordkartonnen jubileum' van het W.B.-theater, dat voor pers en genodigden - avondkleding verplicht - zijn vijf-en-een-halfjarig bestaan vierde met de Rotterdamse premiere van de film 'De Jantjes'. Na afloop werd er gedanst in de foyer en ving onze verhouding aan, waarmee ik een duizelingwekkende stap in een andere wereld zette.

Want de kamer met de boekenkasten bleek het verzamelpunt van schrijvers en dichters, en van een toenemend aantal kunstenaars - meestal van joodse afkomst - die het regime in Duitsland waren ontvlucht en op doorreis waren naar Amerika.

Dankzij deze gevarieerde kring mensen leerde ik Rotterdam van een heel andere kant kennen. Bij wijze van sightseeing nam Vic hen mee naar de kleine havenkroegjes met zand op de vloer en een lege vogelkooi boven de tapkast, en voeren we met het Spido-bootje naar Katendrecht, waar we Chinees aten in schemerige zaaltjes met onduidelijke zijvertrekken achter kralen gordijnen. Gewoonlijk eindigden we op de Schiedamsedijk, die door zeelui uit alle delen van de wereld werd bezocht en waar in de Alcazar bij een draaiorgel of in de Cosmopoliet ('dans en geniet in de Cosmopoliet') bij een groot orkest werd gedanst.

Het was allemaal zo boeiend en opwindend geweest dat ik moeilijk had kunnen wennen aan het idee binnenkort mijn geboortestad te moeten verlaten om naar Amsterdam te gaan, waar Vic hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer was geworden en we zouden trouwen.

Ik keerde mij af van het raam en het uitzicht waar ik zoveel van hield en waarvan ik niet kon vermoeden dat er over twee jaar niets meer van over zou zijn - niets van de kamer, niets van de iep en niets van de schepen en de huizen met de koperen naamborden.

Buiten trok ik de deur zacht achter me dicht. Hij rammelde een beetje, zoals altijd.