Advies pedagogen: 'Volg vorderingen kind en school'

ROTTERDAM, 28 NOV. Basisscholen moeten zowel de vorderingen van elke leerling bijhouden, vanaf de kleuterklas, als de vorderingen en de resultaten van de school als geheel. Het eerste is van belang voor de onderwijzer die kan inspelen op het niveau van elk kind. Het tweede voor de schooldirecteur, die kan beoordelen of zijn school in de pas loopt met andere scholen en of het niveau van de klassen op zijn school jaarlijks stabiel blijft.

Dit is de kern van het advies 'Wie volgt?' dat het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) over tien dagen aanbiedt aan staatssecretaris Adelmund. Het advies is opgesteld voor het debat in de Tweede Kamer over klassenverkleining en kwaliteit van basisscholen. Nu mogen basisscholen zelf weten of ze de vorderingen van leerlingen bijhouden, of ze een eindtoets afnemen en of ze de resultaten van de school publiceren. Zeventig procent van de basisscholen toetst wel via de jaarlijkse Cito-eindtoets voor twaalfjarigen. De overige scholen - onder andere montessori- en vrije scholen - toetsen niet, omdat ze een toets beschouwen als momentopname, die bovendien niets zou zeggen over de kwaliteit van de school.

Voor het eerst worden er twee systemen onderscheiden: een 'leerling-volg-systeem' voor de leraar en een 'onderwijs-volg-systeem' voor het schoolhoofd. Sommige scholen hebben zelf zo'n leerling-volg-systeem ontworpen, maar het APS bepleit een gestandaardiseerd systeem. Zoiets is voor scholen nog niet verkrijgbaar. Om te voorkomen dat onderwijzers boekhouders worden, die wekelijks per kind moeten noteren wat die beheerst, adviseert het APS gebruik van computerprogramma's die de educatieve uitgevers hebben ontwikkeld en in januari uitgeven. Ook ouders moeten inzicht krijgen in de vorderingen vindt APS-projectleider W. Broere.

Toetsen, vorderingen bijhouden en ten slotte resultaten van basisscholen vergelijken is omstreden, zo bleek vorige week bij de behandeling van de Onderwijsbegroting in de Tweede Kamer. De overheid moet zo min mogelijk controle uitoefenen vinden de christelijke partijen die hechten aan de vrijheid van onderwijs. Adelmund had zich uitgesproken voor een eindtoets om basisscholen te kunnen vergelijken en het onderwijs 'transparant' te maken.

Als voorwaarde koppelt ze daaraan meting van de 'effecitiviteit' van een school. Ze wil dat scholen de vorderingen van leerlingen bijhouden, zodat ouders inzicht krijgen in de kwaliteit van het lerarenteam. De ene school krijgt immers kleuters binnen die amper Nederlands spreken, terwijl op de andere vierjarigen al lezen. De eerste school moet meer doen om kinderen op hetzelfde eindniveau af te leveren. “Wat moet de overheid meten en wat kan de school zelf? Waar bemoeien wij ons tegenaan?', klonken de kritische vragen van Tweede-Kamerlid C. Ross (CDA).

Ook de besturenraad voor protestants christelijke scholen raadt haar basisscholen af om Cito-cijfers te overleggen aan de Onderwijsinspectie. “Scholen moeten volgens de nieuwe kwaliteitswet in de schoolgids al kenbaar maken wat ze te bieden hebben en waar ouders terechtkunnen met klachten. Die schoolgids wordt door de Inspectie gecontroleerd. En nu wil de overheid nog meer controle', aldus G. Huis van de besturenraad.

De Inspectie op haar beurt, wil die toetsgegevens om het beginniveau van brugklassers te meten, zodat ze een ijkpunt heeft om de effectiviteit van middelbare scholen te meten. Die effectiviteit wil ze naast examenresultaten in de jaarlijkse 'kwaliteitskaart' voor middelbare scholen aangeven.

Broere, van het APS, vindt het argument van de vrijheid van onderwijs “onzin', omdat veel scholen de Cito-toets al gebruiken. Volgens hem hebben leerling- en onderwijs-volg-systemen een ander voordeel: “Schoolleiders kunnen het werk van individuele leraren volgen. Ook daar zal veel verzet tegen zijn, maar het lijkt ons nuttig.'