Adelmund

YUPPENBANEN, zo typeerde het Kamerlid voor de Partij van de Arbeid Van Gijzel de rijstroken voor betaald rijden. Yuppenbanen, het bekt lekker en ontslaat je van de verplichting verder nog na te denken. Terwijl je er ook heel anders tegenaan kunt kijken. Bijvoorbeeld in de trant van: zoals we willen dat de vervuiler betaalt, zo is het misschien geen gek idee ook de filevormer te laten betalen. Of: zoals wij bij de treinen daluren kennen, krijgen we straks een vergelijkbaar systeem in het wegverkeer. Zo'n benadering vergt natuurlijk wel nadenken. Veel eenvoudiger is het antwoord te zoeken in de ideologie die je aanhangt. Ben je voor arbeiders, dan ben je dus tegen yuppen. Aldus het simpele wereldbeeld van Van Gijzel.

Terwijl ik mijn kostbare tijd verdeed in een file en al die arbeiders vervloekte die meenden gebruik te mogen maken van het op dat tijdstip schaarse goed dat de wegen in onze Randstad inmiddels zijn geworden hoorde ik op de radio een mevrouw die zich weinig ingenomen toonde met het voornemen van staatssecretaris Adelmund tot een verplichte invoering van de Cito-toets en het openbaar maken van de resultaten. Je mag scholen met advocatenkinderen niet vergelijken met een school met allochtonen zo luidde haar boodschap. Ook hier wordt weer blindgevaren op de automatische, arbeideristische piloot, terwijl de geschiedenis duidelijk heeft gemaakt dat, bij gebrek aan een dergelijk controlemiddel sommige scholen er een janboel van hebben gemaakt. Het spreekt vanzelf dat vooral sociaal zwakkeren hier de dupe van zijn geworden.

De Cito-toets is omstreeks 1960 ter wereld gekomen als de Amsterdamse Schooltoets, en enkele jaren later overgedaan aan het Cito. Daarmee kreeg deze van oorsprong Amsterdamse toets een landelijk karakter. De toets was indertijd bedoeld als instrument om de externe democratisering van het onderwijs te bevorderen. Onderzoek wees namelijk uit dat kinderen van laten we zeggen advocaten bij gelijke kwaliteiten een hoger advies kregen dan kinderen van laten we zeggen gewone arbeiders. Het subjectieve oordeel van het schoolhoofd diende plaats te maken voor dat van een objectieve toets, of op z'n minst daarnaast een plaats te krijgen.

In de jaren '70 kwamen er moderne onderwijzers en, zoals we dat zo vaak zien, de onderwijzers in Amsterdam waren nog moderner dan die in de rest van het land. Die toets, meenden zij, legde het onderwijs te veel aan banden, het ging er uiteindelijk om dat leerlingen maatschappelijk weerbaar werden, of creatief, of zichzelf durfden zijn of dit alles bij elkaar.

Objectieve toetsen betekenden dat de kinderen in een keurslijf werden geperst, dus weg met die toets.

Het gevolg kennen we: het onderwijs in Amsterdam blijft ver achter bij dat in de rest van het land. Wethouder Van der Aa heeft gebroken met de traditie de ogen hiervoor te sluiten. Hij wil niet de kinderen, maar de scholen, de leraren dus, in een keurslijf. Die blijken er namelijk zonder dat keurslijf in veel gevallen een potje van te hebben gemaakt. Logisch eigenlijk, want dit is inherent aan een situatie waarbij iedereen ongecontroleerd zijn gang kan gaan. En dus is het inherent aan besturen dat je de beschikking moet hebben over een controle-instrument.

Met Van der Aa, ook de Partij van de Arbeid, heeft Adelmund een belangrijke steun in haar streven die controle te herstellen. Zij zouden hun positie in eigen gelederen versterken, wanneer zij benadrukten dat controle te meer noodzakelijk is naarmate ouders minder mondig zijn. Van vrijheid blijheid zijn dus vooral sociaal zwakkeren de dupe. Daarnaast zouden ze ook de aandacht moeten vestigen op de oorspronkelijke functie van de Amsterdamse schooltoets: het belang van externe democratisering geldt immers nog net zo zeer als 40 jaar geleden.