AANTREKKELIJKHEID VAN SMALLE TAILLE IS CULTUREEL BEPAALD

Wat is schoonheid in een vrouw? Al sinds jaar en dag geldt als evolutionair verantwoord antwoord op die vraag: vruchtbaarheid, jeugd en gezondheid. En in dat samenspel van factoren speelt de verhouding tussen heupen en taille een belangrijke rol. Mooie vrouwen worden (mede) gekenmerkt door een verhouding tussen taille en heupen van 0,7, aldus de theorie.

En psychologen zijn de hele wereld overgetrokken om deze mannelijke voorkeur met plaatjes en vraaggesprekken te controleren. Zelfs de prehistorische vruchtbaarheidsbeeldjes zouden aan dit verhoudingsgetal gehoorzamen net als de pinups in de Playboy. Maar deze theorie van universeel erkende schoonheid wordt deze week omvergegooid door een Britse bioloog, W.H. Yu, en een Amerikaanse antropoloog, G.H. Shepard jr. die in het zuiden van Peru een geisoleerde stam hebben gevonden waarvan de mannen juist dikke vrouwen met een taille-heup-verhouding van 0,9 bijzonder aantrekkelijk vinden (Nature, 26 november). De cultuur als factor blijkt toch belangrijker te zijn dan gedacht.

De stam in kwestie is de Matsigenka (of Machiguenga), die met ongeveer 300 leden in het midden van het uitgestrekte Manu-park leeft van een primitieve vorm van landbouw in het tropische Amazonewoud. Alleen officiele bezoekers en wetenschappers komen (en mogen) hen daar opzoeken. Shepard verbleef in totaal negen jaar bij deze stam in het dorp Yomabato. Deze geisoleerdheid is een belangrijk argument in de omverwerping van de 0,7-universaliteit, omdat volgens Yu en Shepard de schoonheidstesten tot nu toe altijd werden verricht in gebieden die al min of meer hadden blootgestaan aan Westerse media. Opdringerige advertentieplaten van 0,7-vrouwen afgebeeld in samenhang met aantrekkelijke goederen als bier of auto's, kunnen dit schoonheidsideaal betrekkelijk snel verspreiden.

Maar ook de Matsigenka leven sinds hun 'ontdekking' 25 jaar geleden niet meer volkomen geisoleerd. Om het effect van verwesterlijking te testen hebben Yu en Shepard ook een nauw verwante Matsigenka-groep (de Shipetiari) onderzocht die sindsdien buiten het park terecht kwam. Verder werd ook het schoonheidsideaal van nog veel meer verwesterde, andere bevolkingsgroepen onderzocht. De Shipetiari vonden vrouwen met een hoge taille-heup-verhouding er nog altijd gezond uitzien, maar vrouwen met een laag quotient vonden ze wel aantrekkelijker, en beter geschikt als echtgenote. De derde, verwesterde groep vond vrouwen met quotient 0,7 het aantrekkelijkst en het gezondst, net als de mannen in de Verenigde Staten.

De universele schoonheid is dus op dit punt ontkracht door een fraai tegenvoorbeeld. De biologisch bepaalde relatie tussen vruchtbaarheid en een taille-heupverhouding van 0,7 blijft natuurlijk wel overeind.

Waarom zijn de Matsigenka-mannen daarin niet geinteresseerd? Yu en Shepard suggereren als mogelijke verklaring dat in traditionele samenlevingen van potentiele partners de gezondheid en leeftijd meestal wel bekend is. Ontmoetingen met voorheen onbekende vrouwen komen zelden voor. Het uiterlijk van vrouwen speelt dus een minder belangrijke rol om gezondheid en vruchtbaarheid in te schatten. In geindustrialiseerde samenlevingen waarin een man dagelijks nieuwe, voorheen onbekende vrouwen kan ontmoeten is uiterlijk juist wel veel belangrijker als informatiebron.

Yu en Shepard dringen overigens aan op spoedig nader onderzoek onder andere min of meer geisoleerde samenlevingen, want zo heel lang zullen deze wel niet meer verstoken blijven van Westerse invloeden.