Wie voor God staat, stamelt; Gedichten van Heiner Muller

Die Gedichte. Bezorgd door Frank Hornigk. Suhrkamp, 359 blz. f61,60 (geb.)

In 1992 hoort Heiner Muller een stem die hem toeschreeuwt: `MULLER U BENT GEEN POETISCH ONDERWERP/ U MOET PROZA SCHRIJVEN'. Maar een tegenstemmetje fluistert: `Mijn schaamte heeft nodig mijn gedicht'.

Schaamte? Waarover? Uitsluitsel geeft inderdaad een gedicht, getiteld ZELFKRITIEK: `Mijn uitgevers woelen in oude teksten/ soms als ik ze lees lopen de koude rillingen over mijn rug/ heb ik geschreven IN HET BEZIT VAN DE WAARHEID/ Zestig jaar voor mijn vermeende dood/ Op het beeldscherm zie ik mijn landgenoten/ met handen en voeten stemmen tegen de waarheid/ Die veertig jaar geleden mijn bezit was/ Welk graf beschermt mij tegen mijn jeugd'.

Heiner Muller overleefde de DDR maar een paar jaar. Hij stierf in 1995, kort na zijn Zelfkritiek. `Ik [-] IN HET BEZIT VAN DE WAARHEID': de jonge Heiner Muller verschijnt aan de oude Heiner Muller in de gedaante van een onuitstaanbare betweter.

Toch ligt de werkelijkheid minder simpel dan de auteur ons wil doen geloven. De oude Heiner Muller kwam niet plotsklaps tot inzicht over de ware aard van het DDR-communisme en de jonge Heiner Muller schreef niet alleen communistische propaganda. En lang voordat Heiner Muller de poezie als schaamlap ontdekte, gebruikte hij haar al voor andere doeleinden. Zowel in het laatste als in het eerste decennium van zijn schrijverschap was het gedicht de dominerende vorm; Heiner Muller begon met poezie, en pas aan het eind van de jaren vijftig trad hij naar buiten met zijn eerste toneelstuk. Zijn drama's werden beroemd, zijn gedichten niet. Het is daarom goed dat Suhrkamp die gedichten nu heeft uitgegeven, als deel een van Mullers Verzamelde Werk. Meer nog dan in zijn drama's laat Heiner Muller zich in zijn gedichten kennen als een keiharde drammer maar ook als iemand die mateloos wanhoopt en lijdt.

Wat steeds hetzelfde blijft in deze chronologisch gerangschikte gedichten is de obsessie met oorlogen en revoluties, met neergeslagen opstanden en verkoolde bomen met Stalingrad en staalhelmen en omsingelde soldaten die elkaar het laatste stukje brood afhandig maken en nazi's die zelfmoord plegen bij de intocht van de Russen.

De geschiedenis: een nachtmerrie bevolkt door massamoordenaars en vermoorde massa's, en niemand heeft een gezicht want ook de Stalins en de Hitlers zijn inwisselbaar. De geschiedenis: een tragedie en tegelijkertijd een bloedige farce, want je lacht je toch dood om die zich mensen noemende ondingen die niks anders met elkaar weten te beginnen dan elkaar de hersens in te slaan, wat helaas ook voor liefdesparen geldt.

Ja, geschiedenis, dood en seks is voor Muller een pot nat; heb je de oorlog daarbuiten overleefd, dan sneuvel je wel in de oorlog daarbinnen, hoe snoezig je nieuwe woning ook is ingericht. De man wil zijn vrouw onderwerpen en als zij toch boven hem uit groeit heeft ze een probleempje: dan moet haar kop eraf. Letterlijk of figuurlijk; soms helpt ze zelf een handje mee. Talrijk zijn Mullers gedichten over zijn vrouw Inge, die op 2 juni 1966 haar hoofd in een gasoven stak. Ze hadden samen drama's geschreven; Der Lohndrucker, Heiners eerste succes, ontstond `in Zusammenarbeit mit s. Frau', zoals het Deutsches Dichterlexikon zo royaal vermeldt. Maar op een dag begon de vrouw in de weg te staan en zij werd suicidaal.

Natuurlijk hangt Heiner Muller die pijnlijkheden niet aan de grote klok, maar Inge spookt wel rond in zijn gedichten. `GISTEREN OP EEN ZONNIGE MIDDAG/ Toen ik door de dode stad Berlijn reed/ Teruggekeerd uit een of ander buitenland/ Had ik voor het eerst de behoefte/ Mijn vrouw uit te graven uit haar kerkhof/ Twee volle schoppen heb ik zelf op haar gegooid/ En na te kijken wat er van haar nog ligt/ Botten die ik nooit gezien heb/ Haar schedel in mijn hand te houden/ En me voor te stellen wat haar gezicht was/ Achter de maskers die ze gedragen heeft/ Door de dode stad Berlijn [-]'.

Het is een koel poeem, niet weinig stoer, alsof de schrijver met zijn onverschrokkenheid wil imponeren. Ook Heiner Muller draagt maskers.

Vrouwenmaskers bijvoorbeeld: `Ik, Anna Flint...'. En dan is het de vrouw die haar man de dood in drijft: `Ik, Anna Flint [-]/vier keer moeder, heb toen de tijd daar was hem de rivier in gestuurd [-]'. Omiskenbaar zijn hier de invloeden van Brecht, die dol was op travestieen, rollenspelen en rampscenario's in dienst van een betere wereld. Waar Muller Brecht het duidelijkst navolgt lijkt hij het meest op de man die hij in zijn Zelfkritiek zo verachtte. Maar pas echt verachtelijk want `IN HET BEZIT VAN DE WAARHEID' zijn de in de vroege jaren vijftig ontstane lofzangen op Kameraad Stalin. Muller vervaardigde ze niet helemaal zelf, hij bewerkte voor zijn opdrachtgevers slechts de hymnen van Sovjet-Russische kontlikkers, maar toch. `Voor u, die ons een vriend en vader bent,/ volstaan karige woorden niet, die zijn/ ontoereikend, onze liefde is als die van een kind,/ simpel en met niets te vergelijken.' Zo gaat dat: wie voor God staat stamelt.

Wie voor zijn eigen dood staat stamelt niet. Glashelder zijn de gedichten van de terminale patient die pro forma tegen de kanker blijft vechten. De zinloze operatie, het aanstaande verlies van zijn nieuwe vrouw en hun kleine dochter, de lichamelijke aftakeling en het denken dat maar door blijft razen: Heiner Muller registreert incasseert en treurt. `Mijn handschrift wordt/ onleesbaar alleen de schrijfmachine/houdt mij nog uit de afgrond van het zwijgen/ dat de protagonist van mijn toekomst is.'

Een paar van Mullers late gedichten zijn in het Nederlands verschenen: Last Voyage, vertaling Marcel Otten, bevat poezie, proza, essays, toneel.

En een paar van de (hier door mij vertaalde) gedichten in Deel 1 van het Gesamtwerk hebben al in boeken, kranten en tijdschriften gestaan. Maar de honderdtwintig gedichten uit Heiner Mullers nalatenschap zijn voor de lezer nieuw. De dichter heeft zelf nog meegeholpen aan Deel 1 en sommige versies keurde hij verontwaardigd af. De in Die Gedichte terechtgekomen gedichten hebben iets definitiefs. In een verwoest landschap houden zij de wacht: ijzige grafzerken, vanbinnen verwarmd door een duisterdriftig pathos.

HartkransslagaderDe arts laat de foto zien DAT IS DE PLEKU ZIET HET ZELF Nu weet je waar God woontAs de droom van zeven meesterwerkenDrie treden en de sfinx laat haar klauw zienWees blij als het infarct je plots overvaltIn plaats van dat nog 'n kreupele rondbanjertOnweer in het brein Lood in de aad'renWat je niet weten wou JE TIJD STAAT VASTDe bomen op de thuisreis schaamteloos groenHeiner Muller, 21-8-1992 Vertaling Marcel

Otten