Waterpoloers ondergaan kritisch zelfonderzoek

ROTTERDAM, 27 NOV. Om de spelverruwing binnen het waterpolo tegen te gaan, organiseert de zwembond op 12 december een crisisberaad. Veertien stellingen staan ter discussie.

Met het schaamrood op de kaken zat Hans Aalberts afgelopen weekeinde langs de rand van het bassin. Genoegdoening over een minipolotoernooi sloeg bij de technisch commissaris waterpolo al snel om in afgrijzen toen de senioren het water indoken. “Vloeken, schelden en tieren kortom het bekende verhaal. Maar het ergste was nog dat het gebeurde onder toeziend oog van veel ouders die even waren blijven zitten. Ze wisten niet wat ze zagen, net als ik trouwens.'

Het was niet de eerste keer dat Aalberts getuige was van “een stuitend staaltje anti-reclame'. Fysieke en verbale excessen zijn dit seizoen eerder regel dan uitzondering in de Nederlandse waterpolocompetitie, waar op vrijwel elk niveau spelers en coaches voor eigen rechter spelen en scheidsrechters de rol van boeman vervullen. De trieste conclusie van oud-international Aalberts: ,We zijn hard op weg onszelf de nek om te draaien.'

Ter illustratie wijst hij op de forse toename van het aantal tuchtzaken. Kreeg de tuchtcommissie van de Nederlandse zwembond (KNZB) in 1987 nog driehonderd zaken ter behandeling voorgelegd, in 1996 was dat aantal opgelopen tot maar liefst achthonderd. Om de explosieve groei een halt toe te roepen besloot de KNZB vorig jaar tot een strafverdubbeling. Twaalf maanden later lijkt die maatregel alweer achterhaald.

De toenemende agressie in de bassins was voor international Joeri Stoffels twee maanden geleden aanleiding zijn sportieve loopbaan (voorlopig) te beeindigen. “Ik stapte steeds vaker met een klotegevoel het water in en uit', verklaarde de 25-jarige speler van hoofdklasser AZC twee weken geleden tegenover deze krant. “Ik wil waterpolo spelen, niet een of ander spelletje dat daar in de verste verte niet op lijkt.'

De protestactie van Stoffels heeft volgens Aalberts geleid tot “een openbare discussie waarvan het einde nog niet in zicht is'. In reactie op alle commotie besloot de waterpolocommissie van de KNZB tot een crisisberaad, die op 12 december op de agenda staat. Doel van het overleg is de spelverruwing een halt toe te roepen en het formuleren van een gedragscode waaraan alle betrokkenen spelers, coaches scheidsrechters en bestuurders zich dienen te onderwerpen. “Een kritisch zelfonderzoek met het oog op de toekomst', in de woorden van Aalberts.

Zesentwintig uitnodigingen heeft de technisch commissaris inmiddels verstuurd, onder anderen aan dissident Stoffels, mannenbondscoach Dick Nieuwenhuizen en, opvallend genoeg, een aantal notoire zondaars. Aalberts: “Nee, ik noem geen namen. Het zijn in elk geval makkers waarvan ik denk: `jongen, ga jij eens even snel in de spiegel kijken'. Maar juist door hen erbij te betrekken, hopen we meer inzicht te krijgen in de achtergronden.'

Vooruitlopend op de informele bijeenkomst op het bondsbureau in Nieuwegein heeft de sectie waterpolo veertien stellingen geformuleerd waarop volgens Aalberts “iedereen naar hartelust mag schieten, zodat wij kunnen toetsen wat het draagvlak voor verandering is'. Een willekeurige greep: het vergroten van de strafmaat per overtreding, puntenaftrek bij herhaaldelijk wangedrag van een club, een coach of een speler, de instelling van een Fair Play Cup en gerichte bijscholingen voor zowel coaches als scheidsrechters.

Voor die laatste groep, bijna zevenhonderd man in getal, lijkt een belangrijke rol weggelegd. Volgens Hans Klopper, bijna vijftien jaar actief als waterpolo-arbiter, hebben hij en zijn collega's zich de laatste jaren “veel te coulant' opgesteld.

“Waterpolo in Nederland is een klein wereldje. Hard optreden past niet in dat ons-kent-ons-sfeertje. Na afloop liever een goed gesprek aan de bar dan dat Pietje boos is op Jantje dat is helaas de realiteit.'

Laat het niveau van de arbiters al te wensen over om over de straffen maar te zwijgen. Klopper, tevens internationaal scheidsrechter: “Zeven jaar geleden ben ik in het water gegooid door een woedende speler. Daar staat tegenwoordig een schorsing op van drie duels. Vervolgens gaat meneer in hoger beroep en komt hij er met twee wedstrijdjes vanaf. Dat is natuurlijk een lachertje. In Italie sta je in zo'n geval twee jaar langs de kant.'

Een deel van de problemen is volgens Klopper terug te voeren op de houding van de coaches. “Het gros treedt niet op zodra een van de eigen spelers over de schreef gaat. Sterker nog, ze doen er als het even kan een schepje bovenop.' Of wat te denken van het publiek en de dienstdoende speaker? “Ik hoor soms dingen dat ik denk: waar ben ik in vredesnaam? Het lijkt wel oorlog.'

Het zijn woorden die Aalberts uit het hart zijn gegrepen. Zijn slotoverweging: “Als een van de weinige sporten in Nederland maken wij momenteel een groei door onder de jeugd. Wie zo'n goudmijn in handen heeft en het vervolgens aan de bovenkant laat verloederen, is bezig met zelfmoord. Dat mag en kan nooit de bedoeling zijn.'