Vreemde snuiters op een ver eiland

Willem van Gulik: Nederlanders in Nagasaki. Japanse prenten uit de 19de eeuw (The Dutch in Nagasaki. 19th-century Japanese prints). Stichting Terra Incognita,160 blz, f55,20

In Japanse ogen waren de Hollanders maar rare Chinezen. Tenminste: in de periode dat de Hollanders de enige Europeanen waren die handel met Japan mochten drijven. Dat was in de periode van 1641 tot in het midden van de negentiende eeuw, toen Japan onder internationale druk ook werd opengesteld voor andere landen. De eerste Nederlanders die contact hadden gelegd met Japan waren daar min of meer per ongeluk gearriveerd op het schip De Liefde, in het jaar 1600. Er hadden zich daar toen al Portugezen gevestigd, maar door handige machinaties wisten de Hollanders hen verdacht te maken en zelf de bevoorrechte positie in te nemen. De Hollanders kregen het inmiddels beroemde maar niet meer bestaande kunstmatige eilandje Deshima toegewezen in de baai van Nagasaki. Dit werd sindsdien in Japanse ogen een exotische enclave, bestaande uit woonhuizen, pakhuizen, kantoren en tuinen. Eenmaal per jaar kwamen er een paar schepen van de VOC met goederen en met de lang verbeide post. Maar als de lading aan land was gebracht en de Japanse handelswaar (koper, zilver en porselein lakwerken) was ingeladen, dan keerde de rust terug. Er woonden zo'n twintig man onder leiding van het Opperhoofd, al of niet met hun Japanse bijslaap en met een paar koeien, kippen en honden. De westerlingen mochten het eilandje niet verlaten behalve voor de jaarlijkes hofreis naar de shogun.

Als je de Japanse berichten mag geloven, waren de Hollanders nogal grove lieden. Groot, onbehouwen, onmatig in eten, drinken en seks. Goede manieren kenden deze `roodharige barbaren' niet. Toch is dat maar het halve verhaal. Ongetwijfeld werd er geregeld geslempt, en bevonden er zich ruwe klanten onder de Deshima-bewoners, maar daar staat tegenover dat er ook altijd nieuwgierige en erudiete personen op dat eilandje hebben gewoond. Mensen die zich interesseerden voor taal en religie van de Japanners, voor hun architectuur en voor hun tuinen. Omgekeerd vormden die bewoners de enige communicatie tussen het verder totaal geisoleerde Japan met Nederland, of liever gezegd met West-Europa. En in de achttiende eeuw, toen het Japanse regiem wat coulanter werd, kon het onderling contact versterkt worden. Enkele Japanners legde zich toe op de Nederlandse taal en wetenschappen. Deze `Hollandologen' bestudeerden de westerse handboeken over medicijnen, farmacie, botanie, geografie en astronomie.

Deze geschiedenis is in grote lijnen te volgen aan de hand van de zogeheten Nagasakiprenten, gekleurde houtsneden, die in de achttiende en negentiende eeuw een grote populariteit kregen. In het Maritiem Museum `Prins Hendrik' was hierover een tentoonstelling te zien en onlangs is het begeleidende boek verschenen. Er staan ruim honderd prenten in, alle uit Nederlandse collecties, mooi in kleur gereproduceerd. Deze prenten kostten destijds niet veel en bereikten daardoor een groot publiek. Dat kon zo kennismaken met de Nederlanders en wie zijn oordeel alleen op deze prenten baseerde kon moeilijk anders kunnen concluderen dan dat het rare snuiters waren in potsierlijke kleding. Altijd met een wandelstok in de ene en in een Goudse pijp in de andere hand en in de negentiende eeuw met een sigaar.

Niet alleen hun kleren waren bont, maar ook hun schepen. Grote zeekastelen vol bolle zeilen en kleurige vlaggetjes. Een motief, dat in de negentiende eeuw, toen de laatste schepen van de VOC allang waren gesloopt, nog steeds werden afgebeeld alsof ze actueel waren. De kwaliteit varieert nogal. Van vrij boers tot heel sierlijk, maar alle prentmakers hebben zoveel mogelijk elementen aangegrepen om er een zo'n levendig en bont tafereel van te maken. Hollanders lijken eigenlijk nog het meest op kermisklanten: bizar lichtelijk ridicuul en soms ook nog op de vier weken durende hofreis vergezeld door merkwaardige dieren als olifanten en kasuarissen. Dat waren cadeaus voor de shogun.

In het boek (met een Nederlandse en een Engelse tekst) komen verschillende thema's aan bod, zoals de prenten van schepen, het dagelijks leven op Deshima, de hofreis, de openstelling van Japan in het midden van de negentiende eeuw. Het is jammer dat de bijschriften niet direct de naam van de maker en het jaartal geven. De inleiding is duidelijk al staan er enkele merkwaardige fouten in. De VOC voerde geen edelmetalen uit Azie naar Europa. Het is juist omgekeerd. De Nederlanders vergaarden in de 16e eeuw geen kennis over de transcontinentale handel naar Azie, wel over de routes rond Kaap de Goede Hoop; de eerste vloot waarvan een schip naar Azie vertrok kan onmogelijk op een dag zijn uitgereed en de paradijsvogel is geen mythisch dier, zoals de Phoenix, maar vliegt tot op de dag van vandaag in het wild rond. Maar dit soort onnauwkeurigheden laten onverlet dat het een mooi boek is, dat met zijn honderd prenten maar een fractie toont van de totale rijkdom aan prenten waarop die rare Hollanders figureren.