Von Triers angst voor zijn talent

AMSTERDAM, 27 NOV. Dat de Holocaust nauwelijks is na te vertellen laat staan weer te geven in beelden, is het bekende probleem waarmee iedere filmmaker die zich aan dit onderwerp waagt geconfronteerd wordt. Gisteren, op de eerste middag van het achtdaagse International Documentary Filmfestival Amsterdam, werden twee documentaires vertoond over het `modelgetto' Theresienstadt waarin op verschillende manieren was geprobeerd dit probleem op te lossen.

Nadja Seelich gebruikte voor Theresienstadt sieht aus wie ein Curort de geluidsbanden waarop haar grootmoeder in 1948 vertelde hoe ze drie jaar overleefde in het doorgangskamp Theresienstadt. Bij de krachtige stem van de oude vrouw worden sobere zwartwitbeelden getoond, zoals van namenlijsten of van een donkere tunnel, die juist veel effect hebben.

De illusie die de grootmoeder haar kinderen in de brieven naar huis voorhield, dat Theresienstadt op een kuuroord leek, is ook de illusie die de nazi's wilden wekken om hun moordwerk te kunnen voortzetten. Dat blijkt uit Un vivant qui passe van Claude Lanzmann, bestaand uit materiaal dat niet gebruikt werd voor de grote Holocaust-documentaire Shoah. Ook hier is het beeld sober, de camera is vooral gericht op de man die zijn verhaal doet: Maurice Rossel, die als vertegenwoordiger van het Rode Kruis in 1944 Theresienstadt bezocht. Ondanks zijn voornemen `achter de facades' te kijken, schreef hij in zijn rapport dat het net een gewone stad was. “Ik kon niet verdragen dat de joden daar zich zo dociel gedroegen', zegt Rossel, en zelfs nu lijkt hij nog niet te begrijpen dat dat uit doodsangst was. Lanzmann probeert hem steeds indringender duidelijk te maken hoezeer hij zich heeft laten beetnemen door de nazi's, die het bezoek tot in alle details hadden voorbereid.

Tijdens `Het gesprek van de dag' zei een knorrige Lanzmann dat hij Rossel in de film niet heeft willen aanklagen. Op de vraag waarom hij ervoor gekozen heeft vrijwel alleen de geinterviewde in beeld te brengen, antwoordde hij: “Ik wilde zo min mogelijk werk aan de film besteden. Ik ben lui'.

De Ydmygede (De vernederden) van Jesper Jargil, over de totstandkoming van de film The Idiots van Lars von Trier, was waarschijnlijk nauwelijks interessant voor wie die film niet kende. In The Idiots zoekt een groep mensen naar vrijheid in het spelen van de idioot. De Ydmygede is vooral een portret van de immer tobbende regisseur Von Trier, die op een bandrecorder-dagboek lucht geeft aan zijn angsten (`ik ben bang voor mijn eigen talent') en zijn twijfels over de acteurs en de film.

Interessant is dat Von Trier in de rol van psychoanalyticus kruipt en de acteurs in hun emoties laat graven, om `authenticiteit' in de grotendeels geimproviseerde scenes te krijgen, terwijl hij zelf steeds verder in een isolement raakt. Hij neemt zichzelf veel te serieus om in de bevrijdende idiotie te kunnen delen.