Vechten in de Ferdinand Bol

Amsterdam, de Ferdinand Bolstraat, ter hoogte van de brouwerij, een jaar of veertig geleden, lichte regen, in het ochtendspitsuur. Van stress en het opsteken van de middelvinger heeft de wereld nog nooit gehoord. Twee keurige heren van middelbare leeftijd, type procuratiehouder, fietsen min of meer achter elkaar naar hun werk. Ze kennen elkaar niet. Het licht is rood.

In de fietsende menigte ontstaat gedrang. Zonder opzet raken de heren tegen elkaar bekneld. De aktetas van A valt op de grond. Kunt u niet wat voorzichtiger zijn? Ik ben voorzichtiger! Het ene woord lokt het andere uit. Het licht springt op groen, maar deze heren hebben nu iets te vereffenen. Er vallen rake klappen, hoeden vliegen door de lucht. Ze pakken elkaar als worstelaars beet, rollen door de plassen. De volgende golf fietsers blijft staan, er vormt zich een kring. Geef 'm van katoen! Trek z'n kop van z'n romp! Hup Holland! Enzovoort. Het vechten van twee is een verzetje voor de rest, altijd, en zeker als mannen in de niet meer zo sportieve leeftijd het met elkaar aan de stok krijgen. Kooivechten voor bejaarden, een gat in de markt. In de literatuur heet het polemiek. Tot zover het eerste deel van de voorgeschiedenis.

Uit het begin van deze eeuw dateren de eerste opnamen van Caruso. Iedere keer dat je het hoort krijg je de sensatie van het ongelooflijke: de wereld van bijna een eeuw geleden is hoorbaar. Dezelfde gewaarwording hoewel in mindere mate ontstaat, althans bij mij, als ik jazz uit de jaren twintig hoor, de stem van Colijn, van Goebbels, een willekeurige nieuwslezer. Van Couperus, Ter Braak, Vestdijk, Du Perron, Ina Boudier Bakker bestaan geen opnamen. Pas ver na de oorlog zijn de schrijvers door de radio en de televisie ontdekt als de persoonlijkheden die ze in de gedrukte media al waren. Omstreeks dezelfde tijd is de oral history tot een afzonderlijke tak van wetenschap geworden. Wat de literatuur aangaat zit er in Nederland nog niet veel systeem in.

Wat let ons zeiden Tom Rooduijn en ik tegen elkaar, de eerste naoorlogse generatie van Nederlandse dichters en schrijvers op de band vast te leggen? De VPRO voelde ervoor, en zo is de serie radioprogramma's ontstaan, getiteld De grondleggers. De teksten zijn daarna geredigeerd en afgedrukt in een boek naar een dichtregel van Remco Campert genoemd Dwars door puinstof heen met een cd waarop de stemmen van de Vijftigers en generatiegenoten staan. We schreven er een inleiding bij waarin we hebben geprobeerd de Vijftigers historisch te markeren. Daarbij hebben we ons o.a. laten leiden door de gedachte dat 10 mei 1940 een datum van even groot historisch belang is als 5 mei 1945, omdat op de tiende het neutrale provinciale zelfgenoegzame Nederland werd meegesleurd in de wereldgeschiedenis. Tot zijn verontwaardiging. Die datum betekent een breuk in de continuIteit van de generaties. De breuk wordt pas een paar of tien later zichtbaar, in de literatuur als de Vijftigers nationaal van zich doen spreken.

Deze theorie bleek boos verzet te wekken. Wat denken die mensen wel! was de strekking. Dat ze op eigen houtje hemel en aarde opnieuw hebben geschapen! Rooduijn en ik overwogen of we ons in een `polemiek' zouden begeven. Maar gelijk krijg je toch niet, het blijft gedoe en je kunt je beter over iets anders opwinden. Degene die zich toen het allerboost had gemaakt was de econoom Jan Pen. Het verbaasde me van deze vriendelijke geleerde Groninger. Maar je kunt je wel meer vergissen in iemand met die je eens in de vijf jaar tegenkomt en met wie je dan een aardig gesprekje hebt.

Pen schreef een stukje in het Hollands Maandblad. Uit onze inleiding had hij begrepen dat we na de Bevrijding in Nederland liever een soort burgeroorlog dan een restauratie hadden gezien. “Had Hofland liever gewild dat er na de Bevrijding nog eens flink in de straten was gevochten? In Griekenland is dat gebeurd, en daar werd vier jaar lang nog menigeen de keel afgesneden. (-) Hofland laadt hier de verdenking op zich dat hij een liefhebber is van geweld. (-) Nee, het werkelijke wonder van Nederland was natuurlijk dat een verwoest en leeggestolen land er binnen een jaar of tien weer bovenop was. Dwars door puinstof heen hebben we kans gezien de boel er weer bovenop te krijgen.'

Ik, liefhebber van geweld? Ik kreeg zin een stukje terug te schrijven, maar dacht aan de Ferdinand Bol en liet het erbij. Onlangs heeft Jan Pen zijn stukjes gebundeld (Een overzichtelijke wereld, uitgave Nieuwezijds, f 24.50). Nu schrijf ik, wat me toen te binnen was geschoten: dat mijn geeerde polemist de wereld tussen 1945 en 1955 wel heel overzichtelijk maakt. Hij heeft er als 25 tot 35-jarige van toen weinig van gemerkt dat Nederland op eigen houtje de grootste oorlog uit de vaderlandse geschiedenis heeft gevochten en verloren.

Een paar honderdduizend dienstplichtigen werden regelrecht uit de Bezetting naar de andere kant van de wereld gestuurd. Niet alleen verhoudingsgewijs is het een onderneming die de Golfoorlog ver overtreft. Misschien is het een kwestie van leeftijd, zelfs van generatie of je daar veel of weinig van hebt gemerkt. Hoe overzichtelijk wil je je wereld maken? De straatgevechten waren niet in Amsterdam maar in Djokjakarta. In de Gordel van Smaragd is toen nog menigeen de keel afgesneden. Dat was de andere kant van het Nederlandse wonder, aan mijn generatie niet ongemerkt voorbij gegaan.