Thomas Kuhn: The Structure of Scientific Revolutions, 1962; De oogst van onze eeuw

Thomas S. Kuhn: The Structure of Scientific Revolutions, third edition. University of Chicago Press, 1996, f33,95 (pbk)

Op het eerste gezicht is de titel van dit boek misleidend. Want, merken Martin Curd en J.A. Cover op in hun anthologie Philosophy of Science, het betoog van Thomas Kuhn in The Structure of Scientific Revolutions komt er nu juist op neer dat wetenschappelijke revoluties, zoals de Copernicaanse of die van Newton, ongestructureerd verlopen. Het zijn onvoorspelbare wisselingen van wetenschappelijk wereldbeeld, Gestalt switches, die met horten en stoten en langs niet-rationele weg tot stand komen.

Maar in de weg naar zo'n revolutie toe schuilt wel degelijk een structuur, weten ook Curd en Cover wel. Kuhn onderscheidt `normale wetenschap' en uitzonderlijke, `revolutionaire wetenschap'. Normale wetenschap bestaat uit puzzle solving, het ambachtelijk knutselen aan onopgeloste puzzels binnen een overheersende theorie, oftewel een `paradigma' dat zo lang mogelijk in stand moet worden gehouden. Revolutionaire wetenschap luidt een nieuw paradigma in, en dus ook allerhande nieuwe puzzels. Kuhns favoriete voorbeeld is de Copernicaanse revolutie, die afrekende met de aloude geocentrische kosmos. Zo'n omwenteling, aldus Kuhn, verloopt niet via een rationele procedure, maar omdat een oud paradigma zoveel gaten is gaan vertonen dat het niet meer houdbaar is. Als de crisis van het oude paradigma eenmaal voorbij is, knoopt de normale wetenschap de eindjes aan elkaar in `mopping up operations'. Pas dan worden de contouren van het nieuwe paradigma zichtbaar en blijken we ons in een `nieuwe wereld' te bevinden.

Dat beeld van wetenschap als een chaotische strijd op alle fronten maakte The Structure of Scientific Revolutions van Thomas Kuhn (1922-1996) tot een sensatie. Het gaf het boek ook iets van een intellectueel schandaal. Critici beschuldigden Kuhn ervan de wetenschap op te offeren aan `mob psychology' en de sluizen open te zetten voor irrationalisme. Zelfs filosofen die met Kuhn sympathiseerden, zoals de analyticus Hilary Putnam hamerden op de noodzaak rationele criteria te handhaven om het gevaar van relativisme af te wenden. Zijn boek maakte Kuhn anderzijds om dezelfde reden tot de kampioen van progressieve academici die in de jaren zestig probeerden de wetenschap te `vermaatschappelijken'.

Kuhns conclusies kwamen juist in 1962 zo hard aan omdat de wetenschapsfilosofie toen al niet meer zo zeker was van haar zaak. Het logisch positivisme dat `verificatie' had geopperd als streng criterium voor wetenschappelijkheid, dreigde op de klippen te lopen door de kritiek van filosofen als Wittgenstein, Goodman en Quine, die ieder op hun manier het vertrouwen in een heldere status en methode voor de wetenschap aan het wankelen brachten. Als rotsen in de branding golden Ernest Nagel, die in The Structure of Science (1961) een logisch empirisme verdedigde en natuurlijk Sir Karl Popper, met zijn invloedrijke begrip `falsificatie': wetenschappelijke vooruitgang wordt geboekt doordat onderzoekers nieuwe theorieen zo goed mogelijk proberen te weerleggen. Theorieen die overeind blijven, kunnen voorlopig mee. Theorieen die niet falsifieerbaar zijn, vallen buiten de wetenschap.

Kuhns boek ondergroef al deze verdedigingslinies. Volgens de fysicus Kuhn, die zich steeds meer had toegelegd op wetenschapsgeschiedenis, proberen onderzoekers juist helemaal niet hun theorieen te falsifieren, maar doen ze alle moeite om de natuur in een eenmaal gevestigd paradigma `te persen'. Wat niet in de theorie past, wordt weggeredeneerd of simpelweg over het hoofd gezien. Falsificatie speelt hooguit een rol achteraf, als eenmaal een nieuw paradigma zijn intrede heeft gedaan.

Met die schoksgewijze, `revolutionaire', opvating van theorievorming tastte Kuhn de redelijkheid van het wetenschapsbedrijf op vitale punten aan. Zo kan volgens Kuhn de keus tussen twee paradigma's `niet worden gemaakt op grond van bewijzen'; aanhangers van paradigma's redeneren altijd vanuit hun eigen paradigma.

Waarneming is met andere woorden altijd `theorie-gestuurd'. De overgang naar een nieuw paradigma is een sociologisch en historisch proces, dat kan worden vergeleken met een religieuze bekering, een politieke revolutie of een smaakomslag in de literatuur. Tegen het zere been was eveneens Kuhns constatering dat bij een wisseling van paradigma's niet gesproken kon worden van objectieve vooruitgang, in de zin dat `de waarheid' nu weer een stap dichterbij was gekomen. Alle wetenschappelijke kennis is historisch bepaald en voorlopig. Vaktermen als `atoom' of `elektron' hebben geen vaststaande betekenis los van het paradigma waarin ze worden gebruikt. Het Popperiaanse idee dat de wetenschap convergeert naar `de' waarheid, is volgens Kuhn daarom onbegrijpelijk.

The Structure werd het middelpunt van verhitte debatten, die als `the Kuhnian wars' jarenlang een stempel drukten op de wetenschapsfilosofie. Steen des aanstoots werd vooral Kuhns paradigma-begrip en zijn overtuiging dat twee paradigma's elkaar uitsluiten, niet te combineren zijn. Dat heeft als extreem gevolg dat aanhangers van Ptolemaeus in een totaal andere wereld moeten hebben geleefd dan die van Copernicus.

De moeilijkheid in dat idee is evident: als oude paradigma's echt onverenigbaar zijn met de onze oftewel `incommensurabel' zoals Kuhn het noemt, hoe kan hij er dan over schrijven? Taalfilosoof Donald Davidson heeft opgemerkt dat Kuhn `op een briljante manier uitlegt hoe de dingen ervoor stonden voor de revolutie met gebruik van wat anders? ons post-revolutionaire idioom'. Misverstanden en breuken in communicatie, aldus Davidson, vinden altijd plaats tegen een veel grotere achtergrond van gedeelde en welbegrepen overtuigingen.

Kuhns notie van incommensurabele paradigma's houdt geen stand.

Goede wetenschapsfilosofie geeft bovendien niet alleen een beschrijving hoe onderzoekers in de praktijk werken, maar ook theoretische voorschriften zoals Ernest Nagel deed, hielden Kuhns critici vol. Zij verwierpen Kuhns overtuiging dat waarneming altijd theorie-gestuurd is, en dat een keus tussen concurrerende theorieen niet eenduidig en volgens onafhankelijke criteria te maken is. Volgens hen had Kuhn bijvoorbeeld domweg ongelijk met zijn bewering dat de verklarende kracht van het Copernicaanse en Ptolemeische wereldbeeld even groot was en dat de keus tussen beide dus op iets anders moest zijn gebaseerd dan op rationele overwegingen.

Kuhns tegenstanders wezen ook op de vaagheid van het begrip `paradigma'. Goede voorbeelden van zulke invloedrijke theorieen zijn de Copernicaanse astronomie, de Newtoniaanse fysica en de evolutieleer van Darwin; maar Kuhn noemt ook veel minder cruciale wiskundige theorieen en de bewegingsleer van Aristoteles. Hij gaat er bovendien vanuit dat paradigma's niet zomaar veelomvattend zijn maar alomvattend, een holisme dat eveneens van veel kanten is aangevallen.

In de jaren na The Structure heeft Kuhn zijn standpunten afgezwakt en ontdaan van de felste retoriek; de term `incommensurabel' ging hij voortaan uit de weg. Ook bezwoer hij bij hoog en laag dat hij de rationaliteit van de wetenschap helemaal niet overboord had willen zetten, maar had willen herdefinieren op menselijke en historische maat als `overeenstemming tussen onderzoekers', een positie die hem een, soms onwillige, bondgenoot maakte van relativisten en van pragmatici als Richard Rorty.

Ondanks de vele kritiek is The Structure het invloedrijkste wetenschapsfilosofische werk van na de oorlog geworden.

Dat wetenschappelijke verandering sociologisch en historisch te begrijpen is; dat kennis `gesitueerd' is in een geheel van theorieen; dat onderzoekers samenwerken tegen een achtergrond van onuitgesproken overtuigingen (een mildere omschrijving van `paradigma') al zulke Kuhniaanse opvattingen zijn, hoe omstreden ook, niet meer weg te denken uit de wetenschap. Ze hebben bovendien ook buiten de universiteit bij een breed publiek ingang gevonden, van futurologen tot New Age-goeroes, een popularisering die Kuhns critici sterkt in hun overtuiging dat zijn ideeen het fundament van de westerse beschaving ondermijnen.

Ook in het huidige wetenschapsfilosofische debat is Kuhn nog aanwezig, al is het accent daar verschoven van de vraag naar rationaliteit en methode naar de bredere vraag hoe de wetenschap zich verhoudt tot de werkelijkheid. Realisten en antirealisten nemen elkaar in dat debat de maat, waarbij Kuhn niet verwonderlijk wordt omarmd door de antirealisten. Wetenschap, parafraseren zij zijn werk, is evenals bijvoorbeeld literatuur, het resultaat van menselijke interactie met de wereld, maar niet de geprivilegieerde toegang tot `de echte werkelijkheid' waarvoor de realisten haar houden.