Spookrijden; Zapdansen 21

Ontwaken kan hardvochtig zijn. Mannen kunnen op de rand van hun bed worden overvallen door een alles overheersend gevoel van verlies. Voor vrouwen ligt dat anders.

In de Evergreen, een hip Amerikaans tijdschrift dat allang niet meer bestaat, las ik dertig jaar terug een gedicht waarvan ik mij nu niet meer de schrijver en alleen de titel nog letterlijk kan herinneren, maar dat diepe indruk op mij maakte. Vooral, denk ik, vanwege de toon waarin het gezet was, die de toon was van de blues. Een blues, moet ik zeggen, want er zijn er vele. Er zijn er die zeuren, die klagen, die janken, die lijden aan zichzelf. Er zijn er ook die stampen van woede, die gillen van pijn of rochelen van dood. Weer anderen barsten van de trots, krampen van het lachen of dampen van de seks. Bijna allemaal proberen ze de duivel tenminste een dag voor te blijven, maar hebben ook net de laatste trein gemist. Soms blazen ze alleen maar even zachtjes in je gezicht, dan weer striemen ze als hagel of moeten en zullen, bij voorkeur rond middernacht in een lege parkeergarage of op een modderig veld plotseling met je dansen.

Maar de blues onder dit gedicht was een geval apart. Dit was er zoeen die `s nachts opeens met groot licht uit de lange donkere tunnel van je hart op je af komt racen. `Young Man Awake At Dawn' heette het, en dat riep het beeld op van een man, niet eens noodzakelijk een jonge man, die naakt op de rand van een groot en waarschijnlijk heftig doorwoeld bed zit, waarin een vrouw ligt te slapen.

Het is vrij kil in die slaapkamer. De verwarming staat op dit vroege uur nog laag en de man is kennelijk niet op het idee gekomen om hem hoger te zetten, of om wat dichter tegen de vrouw in het bed aan te kruipen. Of misschien heeft hij dat laatste wel geprobeerd, maar is geen bed diep genoeg om bescherming te bieden tegen het soort kilte dat hem zojuist in zijn slaap heeft overvallen.

Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin alsof hij net een vreemd geluid heeft gehoord en het elk moment verwacht weer te zullen horen: het geluid van die kilte misschien - zoals het vale licht dat door de spleten van de luxaflex naar binnen valt er de kleur van heeft. Een geluid als van een kolonne vrachtwagens die 's nachts plotseling ratelend je straat in komt rijden, metalen grendels die open- of juist dichtgeschoven worden, uitvallende vliegtuigmotoren. Of, iets preciezer: het zware ademhalen van iemand die aan de andere kant van een deur staat te wachten, de enkele `swisj' waarmee de horizon wordt weggezeemd.

Het ene moment is alles nog in orde, klopt als een bus en het volgende moment begint alles los te laten, uit elkaar te vallen beetje bij beetje te verpulveren, tot er niets meer over is.

Trinnggg

`Niets', dat is volgens de Britse schrijver Martin Amis, op de eerste bladzijde van zijn roman The Information, ook precies wat mannen altijd zeggen, wanneer ze 's nachts huilend wakker zijn geworden en hun vrouwen hen vragen wat er is: `Nothing. It isn't anything. Just sad dreams.' Een in al zijn vaagheid uiterst accuraat antwoord: het is het tegen het ochtendgloren - wanneer de dag haar make-up nog niet op heeft - bijna hoorbaar nietig worden van hun dromen, dat hen uit de slaap houdt. Het met een harde `trinnggg' bovenin de kassa omhoog schietende bordje met het totaalbedrag van alles wat ze zijn kwijtgeraakt.

Vreemd, zou de man kunnen denken, dat zelfonderzoek altijd gepaard gaat met zo'n scherp, aan een acute aanval van hoogtevrees grenzend gevoel van verlies. Een onweerstaanbaar gevoel van verlies soms, waardoor je verleid wordt om nog weer dieper terug te gaan in het verleden, om te achterhalen waar het precies mis is gegaan, waar het gemis is begonnen. En dan kan het gebeuren dat je af en toe op een tijdstip als dit - wanneer je, als je al onderweg bent, onderweg moet zijn naar huis - in je auto stapt om rondjes te gaan rijden langs plekken waarvan je hoopt dat de geest van tenminste een van je vroegere ikken er nog rondhangt. Misschien dat er nog iets te regelen valt, iets goed te maken. Spookrijden, dat is het, langs de verkeerde helft van je leven terugrijden in de tijd, tot op een gegeven moment alles wat zich aandient, elke herinnering, maar ook elk verlangen als vanzelf de grauwe kleur aanneemt van het gemis. Alsof je leven een stroom is van dingen die je door je vingers hebt laten glippen.

Een typisch jongens-iets, denkt de vrouw, die inmiddels wakker zal zijn geworden en het soort kromming in de rug van de man op de rand van haar bed herkent als de kromming waarin mannen zichzelf in bescherming nemen. Omdat ze niet tegen hun verlies kunnen, proberen ze - om dat niet ook nog kwijt te raken - dan maar uit alle macht vast te houden aan hun gevoel van verlies. Ook al weten ze niet eens meer precies wat ze verloren hebben, het blijft in hun hoofd rondzingen als iets waardevols dat richting moet geven aan hun leven. Jezus, als het even kan boetseren ze uit de modder van hun verlies zelfs nog een volledige persoon, opgebouwd uit wat ze zo vreselijk denken te missen - een vermiste.

Een die ze hopen ooit weer tegen te komen maar dan als de onbekende op wie ze hun hele leven hebben gewacht.

Zelf gaat ze heel anders om met verlies. Ze laat zich erdoor veranderen of ze snijdt het weg als een pit uit een aardappel, maar ze gaat er niet op zitten broeden in de vage hoop dat er ooit nog iets uit zal komen. Ze was niet van plan te bezwijken onder de zwaartekracht van haar ingestorte verlangen. Hij mag denken dat hij het eeuwige leven heeft, zij niet.

Hoewel ze nu klaarwakker is, houdt ze zich nog even stil en haar ogen gesloten. Liefde, denkt ze, is geven, maar vooral nemen. Iemands liefde valt af te meten, niet aan wat hij allemaal wel niet voor je overheeft maar aan wat hij allemaal van je hebben wil, wat hij uit de bodem van jouw wezen op wil graven om het zich vervolgens letterlijk eigen te maken, er een mee te worden, omdat hij niet meer zonder kan. Liefde is honger. Alleen moet je je ervoor hoeden dat hij ook echt het onderste uit de kan krijgt.

Ze komt langzaam overeind in bed, glijdt met haar armen langs zijn rug omhoog tot die over zijn schouders hangen, en zij, met haar hoofd vlak naast het zijne, samen met hem naar buiten kan kijken. Daar was de thuisloze, die in een van de portieken aan de overkant van de gracht zijn vaste stek voor de nacht heeft, net begonnen aan zijn ochtendritueel, dat uit een soort mime-versie bestond van de handelingen zoals hij die een leven terug dadelijks zal hebben uitgevoerd. Hij rekt zich uit, vouwt zijn kartonnen matras en lappendeken op en loopt dan naar de boom die aan de wallenkant van de gracht staat. Hij posteert zich onder haar takken, kijkt even afwachtend omhoog en begint dan met zijn handen wassende bewegingen te maken.

Onder zijn oksels, over zijn buik langs zijn benen, geen plekje wordt overgeslagen. Wanneer hij daarmee klaar is, haalt hij nog een paar keer zijn tot een kam gekromde vingers door zijn haar, doet dan een stap in de richting van het water, knoopt zijn gulp open en leegt, met wijd opengesperde mond, zijn blaas.

Ze wachten nog even tot de man, plotseling doodmoe lijkt het wel, weer is teruggesjokt naar zijn portiek en vallen dan op elkaar aan met de verbeten passie van twee geliefden die elkaar net voor de eerste keer hebben bedrogen of op het punt staan dat te gaan doen.