Seksvrije verhalen uit Rome

Alberto Moravia: Nieuwe Romeinse verhalen. Uit het Italiaans vertaald door Marieke van Laake. Wereldbibliotheek, 440 blz. f59,50

In een tijd waarin de literatuur soms ten prooi lijkt te vallen aan autobiografisme, is het een verademing om weer eens iets te lezen van een echte schrijver: een schrijver die vanuit zijn fantasie nieuwe werelden weet te scheppen, nieuwe personages weet te bedenken en nieuwe gebeurtenissen weet te verzinnen. Zo'n schrijver is Alberto Moravia. Deze in 1990 overleden Italiaanse verteller heeft een oeuvre nagelaten dat er zowel kwantitatief als kwalitatief zijn mag. Ook in het Nederlands is zijn aanwezigheid niet te veronachtzamen: hij is van alle Italiaanse auteurs zowel klassieke als moderne, degene van wie in absolute zin de meeste boeken zijn vertaald. Het zijn er tot nu toe zo'n vijfentwintig en het einde lijkt voorlopig nog niet in zicht. Nadat enkele jaren geleden zijn Romeinse verhalen werd vernederlandst, ligt nu de bundel Nieuwe Romeinse verhalen op kopers te wachten.

Terwijl Moravia's vroegere romans en verhalen dikwijls handelen over seksuele perversiteiten en aberraties (reden waarom hij naar eigen zeggen nooit de Nobelprijs heeft gekregen), zijn deze Nieuwe Romeinse verhalen om zo te zeggen seksvrij. Hier en daar waait wel eens een rokje op of wordt wel eens een borst zichtbaar, maar van erotische fantasieen of pornografische strapatsen is geen sprake. Het is alsof de auteur wil laten zien dat hij ook zonder scabreuze thematiek een schrijver van formaat is. Als dat in zijn bedoeling heeft gelegen, is hij wat mij betreft ruimschoots in zijn opzet geslaagd.

Moravia's Nieuwe Romeinse verhalen (het zijn er maar liefst negenenzestig) worden in de ikvorm verteld. De manier waarop de auteur zich in de door hem gecreeerde figuren weet in te leven en te verplaatsen is een narratieve tour de force van de eerste orde. Zijn personages, die vrijwel zonder uitzondering tot de Romeinse volksklasse behoren, zijn vogels van zeer diverse pluimage varierend van vrachtwagenchauffeurs tot cafebazen, van werklozen tot schoenmakers, van automonteurs tot straatventers; hun vrouwelijke pendanten zijn kapsters, winkelmeisjes, dienstboden, fruitverkoopsters huisvrouwen en straatmadelieven. Gedreven door jeugdige levenslust proberen zij, door elkaars gezelschap op te zoeken en samen dingen te ondernemen, hun miezerig bestaan wat dragelijker te maken en aldus de verveling van alledag te verdrijven.

Terwijl het milieu van de personages steeds min of meer hetzelfde is, vertonen de verhalen zelf een aangename afwisseling: de ene keer gaat het over een geval van autopech, de andere keer over een dagje naar het strand, nu eens over een zelfmoordpoging, dan weer over een mislukte diefstal, nu eens over een oudejaarsviering, dan weer over een tasjesroof.

Overheersend zijn de thema's geld en liefde: het geld houdt verband met onbetaalde rekeningen, handelstransacties, oplichterspraktijken, huurschulden weddenschappen of faillissementen; de liefde neemt de vorm aan van vriendschappen, kortstondige flirts, verlovingen, echtscheidingen afspraakjes en uitstapjes. Elk verhaal vormt een afgeronde mikrokosmos met een plot waarvan de afloop niet zelden een verrassende werking bezit.

Het epicentrum van deze niet aflatende struggle for life and love is Rome: niet het Rome van de toeristen, de politici of de prelaten, maar (om het eigentijds uit te drukken) het Rome van de wijken. Het topografische kader, dat zich soms uitbreidt tot plaatsen in de omgeving zoals Ostia en Frascati, wordt nog eens extra versterkt door de honderden namen van straten, pleinen, bruggen, poorten, heuvels en andere orientatiepunten die her en der door de tekst heen zijn gestrooid. Deze geografische aanduidingen (waaraan de doorgewinterde Rome-reiziger zijn kennis van de stadsplattegrond kan toetsen) verlenen de verhalen een hoog werkelijkheidsgehalte. Ze maken dat de fictieve wereld van de verteller lijkt samen te vallen met de historische wereld van het naoorlogse Rome. Deze verhalen vormen dan ook Moravia's belangrijkste bijdrage aan het Italiaanse neorealisme.

Het lijdt geen twijfel dat de auteur zijn personages een warm hart toedraagt. De manier waarop hij hen in hun dagelijkse pleziertjes en beslommeringen schildert, straalt niet alleen sympathie uit, maar getuigt ook van een zekere verbondenheid. Al bezit Moravia niet de filosofische diepgang van Pirandello of de inventieve scherpzinnigheid van Calvino, in zijn belangstelling voor mensen doet hij niet voor zijn collega-vertellers onder.

Ook zijn normale pessimisme wordt in dit geval wat getemperd. Want in de meeste verhalen komt uiteindelijk alles op z'n pootjes terecht. Zoals altijd kenmerkt zijn stijl zich ook hier door een uitzonderlijke helderheid en souplesse (eigenschappen die in de vertaling van Marieke van Laake voortreffelijk bewaard zijn gebleven). Kortom, deze Nieuwe Romeinse verhalen zijn het zoveelste bewijs van de tintelende vitaliteit van Moravia's vertelkunst.

    • Frans van Dooren