Parijs ontfermt zich over heel Afrika

PARIJS/ROTTERDAM, 27 NOV. In het Carrousel du Louvre onthaalt Frankrijk vandaag en morgen 49 leiders uit Afrika. De gastenlijst van de 20ste Frans-Afrikaanse top is langer dan ooit en menig bezoekend staatshoofd spreekt geen Frans.

Frankrijk, de ex-onderwerper en politieman van Franstalig Afrika bestaat niet meer. Leve Frankrijk als steun en toeverlaat van heel Afrika of het nu gaat om ex-kolonien van de Fransen, de Britten, de Portugezen of de Belgen. Dat is de verborgen agenda van de 20ste Frans-Afrikaanse top die vanmorgen is begonnen in Parijs.

Het gezelschap Afrikanen dat vandaag en morgen bijeenkomt in het Carrousel du Louvre - delegaties uit 49 landen, waaronder 33 staatshoofden - is aanzienlijk breder dan op eerdere Frans-Afrikaanse toppen. Niet alleen oude getrouwen van Frankrijk als Abdou Diouf van Senegal en Gnassingbe Eyadema van Togo, maar ook Daniel arap Moi van Kenia en bij de Amerikanen geliefde `nieuwe leiders' als Meles Zenawi van Ethiopie, Isayas Afeworki van Eritrea en Yoweri Museveni van Oeganda maken hun opwachting. Zelfs staatshoofden die er in Parijs van worden verdacht een complot tegen de francofonie te smeden zoals president Bizimungu van Rwanda en diens gewezen bondgenoot - nu gezworen vijand - Kabila van Congo, zijn van de partij.

Het thema is deze keer `veiligheid'. Die keuze snijdt hout: bijna een kwart van de vertegenwoordigde landen verkeert in staat van oorlog. De staatshoofden van alle bij het conflict in Congo betrokken landen zijn in Parijs en de Franse gastheren hebben de kemphanen ondergebracht in belendende hotelsuites, om hen te verleiden tot informeel overleg.

De vorige Frans-Afrikaanse top in Ouagadougou (1996) richtte zich op `goede bestuurlijke praktijken', wat neerkwam op een Frans pleidooi voor een beetje democratie. Achteraf gezien was dat een voor-aankondiging van wat meer distantie van Frankrijk tot zijn oude vrienden in Afrika.

Met de modernisering van de post-koloniale verhoudingen werd verbaal een begin gemaakt in de nadagen van Francois Mitterrand. De socialistische president bleek echter gehecht aan `l'Afrique de Papa' het Franse netwerk van semi-verborgen lijnen naar Afrikaanse leiders, op de grens van kolonialisme en affairisme. Knooppunten van die netwerken waren het Elysee, het departement van `Cooperation' aan de Rue Monsieur en La Defense, de Parijse voorstad waar de oliemaatschappij Elf Aquitaine kantoor houdt. De Franse justitie heeft nog steeds mappen vol met diverse affaires-Elf, die documenteren hoezeer dit voormalige staatsbedrijf namens Frankrijk Afrikaanse regimes kon maken en breken.

Pas onder president Jacques Chirac (vanaf '95) en vooral nadat Lionel Jospin in 1997 het premierschap overnam, kon een aantal ingeslopen tradities worden aangepakt. Op 5 juni 1997, toen de regeringsploeg van Jospin voor het eerst vergaderde, brak een bloedige burgeroorlog uit in Brazzaville de hoofdstad van voormalig Frans Congo. Franse paracommando's beperkten zich deze keer tot evacuatie van buitenlanders, terwijl Parijs een vorig Congolees bewind nog in 1987 had gesteund tegen putschistische militairen. Een maand later kondigde de nieuwe minister van Samenwerking, Charles Josselin, een herziening aan van de defensie-overeenkomsten - zeven verdragen en nog eens 15 bijstandsakkoorden - die Frankrijk aan Afrika binden.

Symbool van de nieuwe zakelijkheid is de integratie van de Franse ministeries van Samenwerking (in feite Afrikaanse zaken) en Buitenlandse Zaken. Er is nog steeds een minister van `Cooperation', om de oude klanten van dit Parijse doorkiesnummer voor Franstalig Afrika niet te bruuskeren.

Maar het is minister van Buitenlandse zaken Hubert Vedrine die - natuurlijk onder sturing van president en premier - de Afrikapolitiek bepaalt. Het beleid blijft Frankrijks zakelijke en politieke belangen dienen. De geldstromen naar Afrika worden voorzichtig verlegd van voormalige Franse kolonien, wier loyaliteit aan Parijs decennialang hoger werd aangeslagen dan hun democratische en economische staat van dienst, naar veelbelovende landen elders op het continent.

De landen aan de overzijde van de Middellandse Zee blijven een bijzondere plaats innemen in de Franse buitenlandse politiek. Niet alleen is Noord-Afrika een emotioneel nastaand stuk ex-Frankrijk de helft van Parijs' totale ontwikkelingshulp (6,2 miljard gulden) wordt uitgegeven op het Afrikaanse continent. Frankrijk exporteerde in 1996 voor 27,5 miljard gulden naar Afrika (tegen een import van 20 miljard). Van de export naar Afrika bezuiden de Sahara gaat inmiddels de helft naar niet-Franssprekende landen als Angola, Ethiopie, Kenia, Nigeria, Oeganda en Zuid-Afrika. Nu Frankrijk een moderne, open verhouding met Afrika zoekt, zou het een irrationele luxe zijn zich te beperken tot de landen die de Franse taal delen.

Deze `ouverture' is niet overal goed gevallen. Omar Bongo, sinds 1967 president van Gabon, een favoriet Afrikaans olie-adres van opeenvolgende Franse presidenten, is er vandaag niet bij. Zolang hij op de bijeenkomsten van het Britse Gemenebest niet welkom is, vindt hij het ongepast dat de Engelstalige Afrikanen van twee walletjes eten. Bongo moet op 6 december voor de tweede maal in het strijdperk treden met kandidaten van andere partijen. In 1993 `corrigeerde' hij de uitslag en liet hij zich tot overwinnaar uitroepen.

Dat precedent ontlokte onlangs aan de Franse Socialistische Partij een vermanend woord: het Gabonese volk heeft recht op een “eerlijke en vrije' stembusslag. Bongo was woedend. Minister Josselin relativeerde de rel en zei dat “onze gesprekspartners heel goed onderscheid kunnen maken tussen een politieke partij en een regering'.

Pijnlijker is de kritiek van Noel Mamere, vooraanstaand parlementarier van de Groenen. Deze vrijdenkende coalitiegenoot van Jospin meent: “Deze top zal er opnieuw een zijn van Frankrijks clienten en handlangers. Men heeft zich voorgenomen de Frans-Afrikaanse betrekkingen te vernieuwen, maar er is niets van te bespeuren. Frankrijk helpt nog steeds dictators en sluit de ogen voor getrukeerde verkiezingen.' Dit zoveelste bewijs van vrijmoedigheid binnen de breed-linkse coalitie kan premier Jospin dwingen zijn visie op de verhoudingen met Afrika aan te scherpen, met het risico dat hij in aanvaring komt met president Chirac, die als erfgenaam van generaal De Gaulle zeer hecht aan de tropenconnectie.

Jospin moet toch al op eieren lopen als het om Afrika gaat. Frankrijk heeft een zeer ongemakkelijke herinnering aan de eigen rol in het drama Rwanda, waar in 1994 liefst 800.000 Tutsi's en gematigde Hutu's om het leven zijn gebracht door een autoritair Hutu-bewind dat de steun had genoten van Francois Mitterrand. Een parlementaire enquetecommissie worstelt al maanden met deze erfenis. Oud-premier Rocard sprak tijdens de hoorzittingen van “tropisch nazisme' en Frankrijks “oneerbare' betrokkenheid bij een “racistisch en moorddadig regime'.

De meest tastbare verandering in Frankrijks Afrikabeleid is de beperking van de militaire aanwezigheid op het continent.

Dit voorjaar gingen beide Franse bases in de Centraal-Afrikaanse Republiek dicht. Sinds Jospin heeft gezegd dat hij geen Franse soldaten meer gemengd wil zien in inter-Afrikaanse vetes, legt Parijs veel nadruk op vredesoperaties door Afrikanen. Als het kan, dringt Frankrijk daar samen met de Britten en de Amerikanen op aan. Het wantrouwen tegen de Amerikaanse voornemens op het continent blijft overigens groot en is een niet geringe drijfveer bij alles wat Frankrijk in Afrika onderneemt. Ook vandaag en morgen, in het Carrousel du Louvre.