Oogkleppen van de sinofiel; Misverstanden over China

Jonathan D. Spence: The Chan's Great Continent. China in Western Minds. W.W. Norton and Company, 279 blz. f68,75

Jonathan Spence, hoogleraar Chinese geschiedenis aan Yale University publiceert al meer dan dertig jaar op het brede terrein van de politieke en culturele ontwikkelingen in de Chinese maatschappij vanaf de late zestiende eeuw tot heden. Zijn werken zijn in het algemeen zeer toegankelijk. Verschillende boeken werden vertaald in het Nederlands. In zijn eerste publicaties ging zijn aandacht vooral uit naar de verhouding tussen Chinezen en Mantsjoes. In zijn latere boeken hield hij zich in toenemende mate bezig met de contacten tussen Chinezen en westerlingen. Zijn bekendste werken op dit terrein zijn The Memory Palace of Matteo Ricci (1984) en het meer recente God's Chinese Son: The Taiping Heavenly Kingdom of Hong Xiuguan (1996). Zijn laatste boek The Chan's Great Continent gaat niet meer over China maar over de voorstellingen die men zich in het Westen van China heeft gevormd.

De vraag dringt zich op of een sinoloog bij uitstek de geschikte auteur is van een studie over zo'n onderwerp. Ligt dat niet veel meer op het terrein van een beoefenaar van de Europese intellectuele geschiedenis? Inmiddels heeft zich zelfs een specialisme ontwikkeld, de imagologie, dat zich richt op de bestudering van de beeldvorming binnen specifieke culturen van andere volkeren. We zijn immers niet alleen geinteresseerd in een kleurrijke catalogus van cliches, misvattingen en verdraaiingen maar we willen ook weten wat de bron is van dergelijke ideeen en hoe hardnekkig ze zijn geweest.

Spence's nieuwste boek is gebaseerd op een serie colleges. In elk hoofdstuk introduceert hij enkele schrijvers over China. Hun opvattingen worden geillustreerd door pakkende citaten. Binnen elk hoofdstuk worden zo mogelijk positieve en negatieve beelden van de Chinese maatschappij en cultuur gecontrasteerd. Als catalogus voldoet het boek van Spence dan ook zeker, zij het dat de schrijver een grote voorkeur toont voor die auteurs wier werk beschikbaar is in het Engels en die bekendheid genieten in Noord-Amerika. Een methodologische verantwoording ontbreekt echter en er is nauwelijks sprake van aandacht voor de doorwerking van de geetaleerde opvattingen.

Marco Polo

Boeiend en onderhoudend is het resultaat wel. Spence begint zijn verhaal met een bespreking van Marco Polo en diens reisverslag. Helder zet hij alle problemen rond dit werk uiteen: het origineel is verloren gegaan en we kennen alleen bewerkingen die elkaar nogal eens tegenspreken. Het is verre van zeker dat Marco Polo alle door hem beschreven plaatsen werkelijk heeft bezocht; en Marco Polo lijkt zijn eigen rol en die van zijn vader en oom schromelijk te overdrijven.

Spence twijfelt echter niet aan een verblijf van Marco Polo in China.

In latere hoofdstukken komen verschillende keren fictionele werken aan bod waarin Marco Polo en Koeblai Khan zelf de hoofdpersonen zijn geworden. In het hoofdstuk `An American Exotic?' behandelt Spence bijvoorbeeld niet alleen D.W. Griffith's stomme film Broken Blossoms van 1919, Ezra Pound's Cantos en Pearl Bucks roman The Good Earth van 1931 maar ook Eugene O'Neills toneelstuk Marco Millions van 1927. In deze draak is Marco Polo een meedogenloze geldwolf die de liefde van Koeblai Khans smachtende kleindochter Kukachin versmaadt om terug te keren naar Venetie en daar te trouwen met `his childhood sweetheart ..., the now stout and middle-aged Donata.' In ditzelfde hoofdstuk staat Spence ook nog stil bij Charles Finney`s The Circus of Dr. Lao uit 1935 en John Steinbecks korte verhaal `Johnny Bear' uit 1939, dus een al te diepgaande behandeling van elk van deze schrijvers kan men niet verwachten.

Marco Polo komt nog eens terug in het laatste hoofdstuk `Genius at Play'. In dit hoofdstuk bespreekt Spence achtereenvolgens Franz Kafka's The Great Wall of China Jorge Luis Borges' The Garden of the Forking Paths en Italo Calvino's Invisible Cities. Terwijl Marco Polo in het laatste werk de Mongoolse vorst vertelt van zijn reizen door diens rijk, begint hij tenslotte zelfs te twijfelen aan zijn werkelijkheid. De slotalinea van het hoofdstuk benadrukt nog eens dat het thema van het boek niet wordt gevormd door kennis van China maar door voorstellingen van China: `The secret lies in the ear, the ear that hears both what it wants and what it is expecting.'

Er is veel wat niet aan de orde komt. Spence gaat niet in op de ontwikkeling van de sinologie als wetenschappelijke discipline noch op sinologische auteurs, van wie althans sommigen ook buiten hun vakgebied gelezen zijn, schitteren door afwezigheid.

Er is, afgezien van de bespreking van Voltaire's bewerking van Premare's gedeeltelijke vertaling van De wees van het geslacht Zhao als l'Orphelin de la Chine, geen enkele aandacht voor vertalingen uit de traditionele en moderne Chinese literatuur en hun invloed. Ook de vertalingen van Chinese filosofie en hun invloed komen niet aan de orde, of het nu gaat om het confucianisme of om het taoisme, terwijl het Boek van de Weg en de Deugd (Daode jing) van de Oude Meester (Laozi), toch tientallen zo niet honderden keren is vertaald, hervertaald, bewerkt en verkracht. Ook de invloed van het maoisme in het Europa en Noord-Amerika van de jaren zestig en zeventig komt nauwelijks aan bod. Daar staan in het hoofdstuk `Mystiques of Power' hilarische passages uit de memoires van Nixon en van Kissinger tegenover. Over hun idolate bewondering en torenhoge ontzag voor Mao Zedong, ofschoon die in 1972, zoals Malraux hen reeds had gewaarschuwd, nog slechts rondwaarde in zijn eigen monologen.

Nationale trots

Als Nederlanders voelen we ons natuurlijk gekwetst in onze nationale trots omdat Spence wel een hele bladzij besteedt aan de duivelse Fu-Manchu, Sax Rohmers belichaming van het Gele Gevaar, maar geen woord vuil maakt aan Rechter Tie, de creatie van onze eigen dr. Robert van Gulik. Toch schreef hij zijn romans in het Engels en schetste hij een uiterst positief beeld van zijn Chinese magistraat, detective en echtgenoot van vele tevreden vrouwen. Opmerkelijk is tevens dat Spence nog wel een regel wijdt aan het reisverslag van het tweede VOC-gezantschap naar de Keizer van China door Olfert Dapper, maar geen woord aan het veel invloedrijker verslag van het eerste gezantschap door Johan Nieuhoff.

Wie achtergrondinformatie zoekt bij de Nederlandse literaire chinoiserie van het Interbellum zal bovendien ontdekken dat Spence niet stilstaat bij de grote populariteit van Hans Bethge en Klabund in het Duitse taalgebied en ver daarbuiten.

Wat staat er dan wel in dit boek als zoveel ontbreekt? Het openingshoofdstuk over Marco Polo en andere middeleeuwers wordt gevolgd door `The Catholic Century'. Dat is gewijd aan de publicaties van de missionerende jezuieten en de hen bestrijdende Dominicanen van de zeventiende en achttiende eeuw. In `The Realist Voyages' passeert een aantal reisverslagen de revu uit diezelfde periode; het hoofdstuk besluit met een korte bespreking van het Engelse gezantschap van Macartney in 1793, dat wel erg mager afsteekt tegen de uitvoerige literatuur over dit onderwerp van de laatste jaren. `Deliberate Fictions' contrasteert Daniel Defoe en Oliver Goldsmith en `Matters of Enlightment' behandelt in kort bestek Leibniz (die voorstelde dat China missionarissen naar Europa zou zenden), Montesquieu, Voltaire en Herder.

Van de filosofische bespiegeling, van de wereldgeschiedenis dalen we plotseling af naar de beschouwing van het dagelijkse leven in China in `Women Observers', dat vooral teruggrijpt op brieven van Amerikaanse zendelingsvrouwen in het China van de negentiende eeuw. `China at Home' beschrijft de reacties in Noord-Amerika op de instroom van Chinese immigranten in het Verre Westen en leunt sterk op het vroege journalistieke werk van Mark Twain. `The French Exotic' biedt de lezer een detour door het decadente Europa en behandelt het werk van Pierre Loti, Paul Claudel en Victor Segalen.

Na `An American Exotic?' staat `Radical Visions' stil bij het werk van Malraux, Berthold Brecht en Edgar Snow.

In `Mystiques of Power' wordt de behandeling van Nixon en Kissinger voorafgegaan door een relatief uitvoerige en verhelderende beschouwing over het leven en werk van Karl Wittfogel, eerst Duits communist, later Amerikaans anticommunist en auteur van Oriental Despotism uit 1957.

The Chan's Great Continent wordt besloten door het reeds genoemde hoofdstuk `Genius at Play', waarin China geheel wordt gereduceerd tot een vel wit papier waarop westerlingen hun fantasieen kunnen projecteren. Dat `the Chan's great continent' niet geidentificeerd mag worden met het werkelijk bestaande China was al duidelijk op bladzijde 7 van het eerste hoofdstuk, waar Spence stilstaat bij Marco Polo's uitvoerige beschrijving van het Mongoolse beleg van 1268 tot 1273 van Xiangyang. Nog steeds is dit een grote stad in het noordwesten van de provincie Hubei (`ten noorden van het Dongtingmeer'). Een van Spence's sinologische slordigheden is zijn verplaatsing van de stad meer dan duizend kilometer naar het noordoosten, naar het noordwesten van de provincie Hebei (`Ten noorden van de Gele Rivier') die toen al tientallen jaren door de Mongolen werd geregeerd.