Ontwikkelingshulp is bankroet

Het verminderen van het aantal landen dat ontwikkelingshulp krijgt is een goed begin, vindt Diederik de Boer. Maar de minister van Ontwikkelingssamenwerking moet bij de behandeling van haar begroting nog een paar stappen verder gaan.

Hoewel Nederland een van de grootste donorlanden in de wereld is loopt het Nederlandse beleid en met name de uitvoering ter plaatse hopeloos achter bij dat van bijvoorbeeld Duitsland of het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP). Met vier voor de hand liggende wijzigingen valt het Nederlandse beleid echter al behoorlijk te moderniseren. De minister van Ontwikkelingssamenwerking, Herfkens, zou de nadruk van haar voorganger Pronk op `duurzame armoedebestrijding' moeten vervangen door een streven naar duurzame economische ontwikkeling. De uitvoering van het beleid zou in handen moeten komen van een verzelfstandigd orgaan. Verder moet de overheid meer samenwerking zoeken met het bedrijfsleven. Ten slotte zou het ministerie het succes van de hulp tevens moeten verantwoorden in landenrapporten.

Oud-minister Pronk richtte zijn hulp de afgelopen jaren voornamelijk op armoedebestrijding. In de hulplanden werd met Nederlandse steun vooral gewerkt aan de verbetering van de sociale infrastructuur, aan nieuwe ziekenhuizen of scholen - aan losse zandkorrels. Het nadeel van dergelijke hulp is dat die projecten meestal op zichzelf staan en vaak niet duurzaam zijn. Hoe die scholen en ziekenhuizen op de langere termijn hun begroting rond moeten krijgen, is vaak onduidelijk. Veel effectiever, zo leert de ervaring van het afgelopen decennium van onder meer het UNDP is geconcentreerde hulp, verpakt in programma's. Nederland zou zich vooral moeten richten op hulp die het verbeteren mogelijk maakt van de voorwaarden voor economische ontwikkeling. Het gaat bijvoorbeeld om projecten die kredieten verlenen aan kleine bedrijven en startende ondernemers. Of om projecten waarbij vanuit Nederland de kennis en deskundigen worden geleverd voor het verbeteren van bijvoorbeeld het juridische systeem, de waterbeheersing of het belastingsysteem.

Omdat het ondersteunen van dit soort programmatische hulp kostbaar is kan die hulp pas effectief zijn als Nederland in staat is om zijn ervaring en kennis te bundelen in de ontvangende landen. Met andere woorden: concentratie van de aandacht van Nederland op een bepaalde sector geeft Nederland ook meer inzicht in zo'n sector. Dan kan daadwerkelijk worden meegedacht met de plaatselijke overheid en zullen toekomstige projecten beter aansluiten op wat echt nodig is. De duurzame economische ontwikkeling staat centraal en armoedebestrijding wordt daarvan een belangrijke afgeleide.

Zoals Herfkens al heeft aangekondigd wil zij het aantal landen die bilaterale hulp van Nederland ontvangen fors beperken. De landen zullen ongetwijfeld evenredig per regio verdeeld worden. Maar het verdient wel aanbeveling om bij de selectie de allerarmste landen te negeren. In die landen kunnen onze non-gouvernementele organisaties naast grote multilaterale instellingen als de Wereldbank, de Europese Unie en de Verenigde Naties, die bovendien meer know-how in huis hebben, een veel duidelijker en gerichter beleid voeren dan Nederland dat kan doen. Tevens is het directe samenwerkingsbelang van Nederland in die armste landen klein. Nederland kan zich beter richten op een groep landen die daar net boven zit.

De uitvoering van de Nederlandse ontwikkelingshulp kan professioneler en effectiever. Vraagt behoorlijk bestuur immers niet om een scheiding van beleid en uitvoering? Bijna alle grote donorlanden hebben een zelfstandig orgaan voor ontwikkelingssamenwerking. De Verenigde Staten heeft USAID Duitsland heeft GTZ, Denemarken Danida. In Nederland, een van de weinige grote donorlanden zonder apart orgaan, wordt de uitvoering van de hulpprogramma's verzorgd door diplomaten die zijn verbonden aan de ambassade.

Die zijn soms enthousiast en deskundig, maar soms ook in een andere discipline opgeleid en slecht op de hoogte van economische en ontwikkelingsproblematiek. Een apart uitvoerend orgaan zou de hulp bovendien ontdoen van de geur van liefdadigheid en hobbyisme die er nu nog vaak om heen hangt. Verder maken Nederlandse ambassades zelden gebruik van lokaal in te huren kennis die de beheerstaak van de diplomaten aanzienlijk zou kunnen verlichten. De UNDP is een goed voorbeeld van een donor die dat wel met succes doet.

Ook de samenwerking met het bedrijfsleven zou meer handen en voeten moeten krijgen. Het bedrijfsleven in het desbetreffende ontwikkelingsland alsmede in Nederland zou de kans moeten krijgen om mee te praten over het ontwikkelingsbeleid van de Nederlandse overheid. Het bedrijfsleven zou zelf zijn wensen kunnen formuleren en kunnen aangeven aan welke maatregelen het behoefte heeft in hun land. Nederland zou werk moeten maken van de export van het poldermodel als succesvol consensusinstrument dat niet alleen overleg met de overheid van een hulpland mogelijk maakt, maar ook met de private sector.

De transparantie van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid kan verbeterd worden door het beleid als het aantal landen is beperkt voortaan niet meer alleen per project en programma te evalueren maar ook per land. Waarom zouden we niet om de vier jaar de ontwikkelingen per land beoordelen? Zijn de doelstellingen gehaald? Is verbetering opgetreden in de meetbare sociale factoren, bijvoorbeeld op de Human Development Index van de UNDP? Zijn economische factoren verbeterd, zoals de mate van investeringen en de mate van zelfvoorzienendheid? Dit soort vragen worden steeds meer gesteld door de verschillende ontwikkelingsorganisaties.

Uiteindelijk kan het ministerie dan per land worden afgerekend op het gevoerde beleid en kan het beleid herzien worden.

Daarnaast zal de huidige steun aan non-gouvernementele organisaties als NOVIB en HIVOS voortgezet moeten worden. Die organisaties zijn vaak werkzaam in de `lage-inkomenslanden' en belangrijke uitvoerders van multilateraal beleid. Ook noodhulp, bijvoorbeeld bij natuurrrampen, verdient de blijvende aandacht van Nederland. Via deze kanalen blijft Nederland ook direct betrokken bij de steun aan de armste landen in de wereld.

Nederland is een belangrijk donorland. Met een nieuwe minister voor Ontwikkelingssamenwerking is het nu de hoogste tijd dat Nederland keuzes maakt en dat ook het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking een volwaardige gesprekspartner wordt voor alle partijen die zijn betrokken in het ontwikkelingsproces.