Ons woon in n vormlose land; Henk van Woerden over de moord op Hendrik Verwoerd

Henk van Woerden: Een mond vol glas. Podium, 223 blz. f39,90

`Soms huil hij so baie, als hulle die foto's toon, huil hij so baie' zegt de verzorgster van Demitrios Tsafendas. Henk van Woerden zocht de tachtigjarige moordenaar van premier Hendrik Verwoerd op in de psychiatrische inrichting Sterkfontein. De ziektegeschiedenis van een man en van een land.

Het is een museumpje van niks, maar vergeten doe je het niet, het District Six Museum in Kaapstad, gevestigd in een vervallen kerkgebouw aan Buitenkant Street. Hier, tussen het zakencentrum en de haven, bestond ooit een gemengde volkswijk waar kleurlingen en blanken, Indiers christenen, joden en moslims samenleefden. Tot premier Verwoerd in 1966 de buurt tot blank gebied verklaarde. Bulldozers sloopten alle huizen en bedrijfjes en zestigduizend bewoners verdwenen naar troosteloze townships op de Cape Flats, de uitgestrekte barre vlakten bij Kaapstad.

District Six is nooit herbouwd, wat ervan rest is een verwaaide strook dor grasland midden in de stad, die als een rauw litteken herinnert aan de apartheid. In het museum aan de rand van de oude buurt herinnert een handvol familieportretten aan betere tijden. Op de vloer ligt een stratenplan waar je overheen kunt lopen, kijkend naar straatnaambordjes die uit de puinhopen zijn gered. In vitrines liggen restanten van inboedels. Mij deed deze onbeholpen uitstalling meer dan een bezoek aan Robbeneiland, waar Mandela en zoveel anderen gevangen zaten, onder wie ook de moordenaar van de apartheidspremier Hendrik Verwoerd. District Six Museum is aangrijpender, een leegte vol herinneringen, een symbool van onteigening.

In Een mond vol glas, het sluitstuk van Henk van Woerdens drieluik over Zuid-Afrika, spelen zowel Distrik Ses als de townships waarheen de bewoners zijn verbannen, een prominente rol. Geen blanke, schrijft hij, die vrijwillig naar dit deel van de vlakte gaat. In de niemandslanden van Crossroads, Khayelitsha, Mitchell's Plain en Walhalla, waar miljoenen mensen in olievaten en uit hout en vuilniszakken opgetrokken hutjes wonen, regeren criminele bendes.

Iedere dag maken de kranten melding van moordpartijen, verkrachtingen bloedige afrekeningen.

Onteigening

Henk van Woerden, die als telg uit een Nederlands immigrantengezin van 1956 tot 1966 (van zijn negende tot zijn negentiende) in Kaapstad woonde, vroeg, toen hij er in 1994 even terug was, aan een politieman hoe het geweld in de townships te verklaren is. Het antwoord luidde: `Ik ben opgegroeid in Distrik Ses. Als kind van tien, twaalf jaar ben ik van beestachtig gedrag getuige geweest. Hoe moet je die verdorvenheid onder ons kleurlingen uitleggen?'

Zwarte schrijvers als Alice Walker gebruiken ter verklaring de term `onteigening' als zij het hebben over mensen of bevolkingsgroepen die beroofd zijn van alles: hun land, hun geschiedenis, hun cultuur, taal en identiteit. Van Woerden hanteert dit begrip weliswaar niet, maar het is wel waar Een mond vol glas over gaat. `Ons Suid-Afrikaners woon in n vormlose land', noteerde de schrijver Jan Rabie kort na de machtsovername van de Nasionale Party in 1948. En dat vormloze, constateert Van Woerden vijftig jaar later, heeft sindsdien een overtreffende trap bereikt. Hij somt de namen op van de bendes die elkaar vandaag de dag in de townships met stiletto's en vuurwapens afmaken: Sexy Boys, Scorpions, Hard Living Kids en constateert dat er op de Kaapse Vlakte `een wanhopige behoefte aan vormgeving bestaat'.

Van Woerden heeft die behoefte zelf ook. Als kind van een Hollands gezin dat in de jaren vijftig in de Kaap belandde en daar binnen een mum van tijd volkomen desintegreerde, kent hij het gevoel `onteigening'. Kaapstad is de stad van het verlies. Zijn moeder stierf er, zijn vader liet hem er in de steek, zijn broer werd gek buren met een andere huidskleur verdwenen, buurten die hij gekend had werden weggevaagd, platgebulldozerd.

In zijn bekroonde debuutroman Moenie kyk nie (1993) heeft hij de verwarring vormgegeven die hij als 19-jarige voelde in het land waarvan hij was gaan houden, zijn land, geregeerd door de apartheid die hem op de vlucht joeg.

Moenie kyk nie eindigt in 1966 met de moord op premier Verwoerd. Nadat een `dolgedraaide Griek', zoals hij de moordenaar toen nog noemde, de architect van de apartheid had doodgestoken, vielen de verlichte kringen waarin de schrijver als kunstacademie-student verkeerde ten prooi aan angst. `Angst was een soort zintuig geworden', schreef hij in zijn debuut. Balthazar Vorster zou de macht overnemen, het was tijd om naar Europa af te reizen. `Ik weet niet wat ik tegemoet ga, maar wie hier blijft, leeft onder een stolp. Vele vrienden zijn vooruitgegaan of staan op het punt te vertrekken; de meesten nemen geen afscheid, ze verdwijnen eenvoudig.'

Van Woerden keerde, na de vrijlating van Mandela, wel terug, zoals beschreven in zijn tweede roman Tikoes (1996), waarin de liefde voor zijn oogverblindende vriendin gelijk opgaat met zijn liefde voor de Kaap. Na al die jaren heeft hij het gevoel eindelijk thuis te komen, om vervolgens - hij blijft ontheemd - toch weer te vertrekken. `We kunnen toch heen en weer blijven vliegen, zoals iedereen', zegt zijn vriendin.

Een mond vol glas is het resultaat van dit `heen en weer vliegen'. Van Woerdens nieuwe, wederom spectaculaire, roman sluit chronologisch aan bij Moenie Kyk nie en volgt vanaf de moord op Verwoerd in 1966 het spoor terug. Toen Demitrios Tsafendas op 6 september van dat jaar in het parlement van Kaapstad een einde maakte aan het leven van de Nederlandse immigrant Hendrik Verwoerd had diens bijna-naamgenoot Henk van Woerden tekenles op de nabijgelegen academie.

Door het raam van zijn lokaal zag hij het nieuws op de kabelkrant voorbijflitsen. Sinds die tijd heeft de dader door zijn hoofd gespookt: wat was zijn achtergrond wat waren zijn motieven?

Tijdens zijn bezoeken aan het van de apartheid verloste Zuid-Afrika is Van Woerden de staatsarchieven ingedoken, niet alleen om de moord zelf te reconstrueren, maar vooral om erachter te komen wie Tsafendas was en wat hem dreef. Hij ziet in deze ontheemde, getraumatiseerde `bastaard' niet alleen zijn eigen geschiedenis als immigrant en balling weerspiegeld, maar die van Zuid-Afrika. Op een middag vlooit hij in de bibliotheek vlakbij het parlementsgebouw kokhalzend vier maanden het dagblad Die Burger uit 1960 door: `een karikatuur van een land, mijn land, een beestenzooi, verziekt, verstard versteend.' Na afloop, als hij thee drinkt in de Compagniestuin waar ook het parlementsgebouw staat, weet hij niet wat hij met zijn woede aanmoet. Gelukkig is hij ondanks adviezen van vrienden - en anders dan twintig jaar eerder de woedende Griek - niet gewapend.

Verwoerds moordenaar is helemaal geen echte Griek. Demitrios Tsafendas werd in 1918 in Mozambique geboren als kind van een Griekse vader en diens zwarte dienstmeid Amelia Williams, die al snel de bons kreeg. Demitrios werd naar Alexandrie gestuurd, naar zijn Griekse grootmoeder. Op zijn achtste keert hij terug naar Mozambique. Zijn vader is daar getrouwd met een blanke vrouw, door Demitrios als zijn biologische moeder beschouwd. Hij is een buitenbeentje in het gezin: zijn huid is donkerder dan die van zijn halfbroer en -zusje zijn haar kroest en zijn moeder houdt niet van hem. Hij wordt naar een Engelstalige kostschool in Transvaal gestuurd, waar hij als kleurling lijdt onder discriminatie en het niet verder brengt dan de zesde klas van de lagere school.

Wanneer zijn vader en de rest van het gezin in de jaren dertig naar Pretoria verhuizen, mag hij niet mee: de autoriteiten weigeren hem een verblijfsvergunning. Achttien jaar oud is hij als hij erachter komt wie zijn, inmiddels overleden, moeder was. In een klap weet hij zich `ongeneeslijk anders'.

Uiteindelijk komt hij illegaal in Zuid-Afrika. Als los werkman in Johannesburg bezoekt hij bijeenkomsten van de communistische partij, wat hem al snel op deportatie naar Mozambique komt te staan. In 1942 is hij weer in Zuid-Afrika, nu om zich in de haven van Kaapstad in te schepen op een vrachtvaarder met bestemming Canada. Twintig jaar blijft hij weg, zwervend door Amerika en Europa verwaarloosd, arm en regelmatig danig in de war. In de Verenigde Staten en Duitsland wordt hij een aantal keren opgenomen in psychiatrische inrichtingen waar de diagnose luidt dat hij schizofreen is.

Incompleet mens

In Demitrios Tsafendas heeft Van Woerden de tragiek herkend van de landverhuizer, per definitie een `onzeker en incompleet mens' die leeft van achterdocht. Maar wat hij vooral laat zien, is de wanhoop van de bastaard. Hij schildert de vernederde kleurling die hij zo goed kent uit zijn eigen jeugd. Kleur, heeft hij er geleerd, was iets waar je aan leed. Gemengde afkomst had namen die klonken als ongeneeslijke ziektes zoals mesties, mulat, creool, halbloed, baster. En daar werd door een uit Nederland afkomstige premier, `die kaaskop met de varkensneus' ook nog eens `Kaapse kleurling' aan toegevoegd.

Niet alleen Tsafendas, ook zijn slachtoffer, de in Amsterdam geboren Hendrik Verwoerd was een landverhuizer, een buitenstaander. Maar hij was volgens zijn biograaf `het grootste geschenk van Nederland aan Zuid-Afrika in de twintigste eeuw'.

Hij werd minister van `naturellesake' en in 1958 premier die, als leider van de Nasionale Party, met harde hand de apartheid doordrukte en de kleurlingen van District Zes naar de vlakte joeg.

Al die jaren dat Verwoerd de scepter zwaaide, deed Tsafendas moeite terug te keren naar Zuid-Afrika, waarvan hij droomde en dat hij als zijn land beschouwde, maar waar hij niet binnen mocht. In 1963 steekt hij vanuit Mozambique illegaal de grens over. In Zuid-Afrika is dan inmiddels de draconische pasjeswet ingevoerd en zijn deportaties aan de orde van de dag. Demitrios vindt werk in de haven van Kaapstad, praat veel met Jan en alleman en gaat luidkeels tekeer tegen de regeerders. Vooral de immoraliteitswetten die liefde tussen zwart en blank verbieden zitten hem erg dwars. Wanneer hij in 1966 eenzaam en radeloos zwervend van huurkamer naar huurkamer bij toeval een baan kan krijgen als bode in het parlement, begint een plan om Verwoerd te vermoorden vaste vormen aan te nemen. `Er moest een daad worden gesteld', schrijft Van Woerden, `om iets van vroeger heel te maken. Hij is ziek van schaamte en van nostalgie. Nostalgie naar wat weet hij niet meer.'

Tsafendas is ongewenst in Zuid-Afrika, zoals hij overal ongewenst is. Hij staat op een zwarte lijst en is bij vergissing aangenomen bij het parlement. Op 2 september 1966 tikt een agent de lastbrief uit waarin hij op korte termijn van zijn deportatie op de hoogte zal worden gesteld. Vier dagen dagen later, de dag waarop Verwoerd in het parlement een belangrijke verklaring zal afleggen over de Bantoestans (`thuislanden' voor zwarten) is hij nog net in dienst. 's Ochtends koopt hij twee dolken en om twee uur 's middags Verwoerd staat op het punt in de bankjes plaats te nemen steekt hij de premier met vier wilde halen dood.

De moord op Verwoerd betekende volgens Van Woerden voor Zuid-Afrika ongeveer het zelfde als de dood van Kennedy voor de VS. `een breuk met het verleden, het verlies van onschuld, een ijselijk teken aan de wand'. Maar niemand wist wat er precies was gebeurd. Was het slechts de daad van een gestoorde eenling een gek? Verlichte blanken betreurden dat het geen `politieke moord' was en ook door zwarte Zuid-Afrikanen is Tsafendas nooit tot heldhaftig tirannenmoordenaar uitgeroepen. Weliswaar was zijn naam na de aanslag enige tijd als werkwoord in zwang onder zwarte jongeren (I'll Tsafendas you betekende zoveel als ik maak je af), maar het ANC veroordeelde de moord. Volgens Mandela betrof het de daad van een `obscure blanke parlementaire boodschapper'.

Van Woerden beschouwt de aanslag als een aangelegenheid tussen twee landverhuizers, waar hij zich maar al te goed in kan herkennen. `Verwoerd was een buitenstaander in Afrika, een halfbakken Hollander, net als ik. (...) Een halve Griek die een halve Nederlander vermoordde. Het antwoord op veel vragen schuilt in de voorgeschiedenis van dat `halve'.

Reconstructie

Het beeld van die voorgeschiedenis samengesteld uit zijn eigen ervaringen als (verdreven) immigrant en uit de archiefstukken over Tsafendas vormt de inhoud van Een mond vol glas. Deze doorleefde, reconstructie heeft als verrassende apotheose een ontmoeting met de tachtigjarige moordenaar. Van Woerden voerde drie gesprekken met hem in de psychiatrische inrichting Sterkfontein bij Krugerdorp. Over onteigening gesproken: Tsafendas heeft niets meer, zelfs zijn geboorteakte en een fotootje van zichzelf als jongetje zijn vernietigd. Hij is doof, maar een gehoorapparaat krijgt hij niet.

Hij stinkt en wordt duidelijk verwaarloosd. Maar hij vertelt en vertelt alsof zijn leven ervan af hangt onsamenhangende verhalen over zichzelf. Zijn verleden, vindt Van Woerden, `behoort tot het domein van het glas, verbogen, gezien door een lens met scherpe breuken' ongeveer zoals het verleden van Zuid-Afrika.

`Een overlevende uit het wrak van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis' is deze broze, halfzijdig verlamde man, die er nooit in is geslaagd zijn verleden vorm te geven. Waarom heeft hij Verwoerd vermoord? Hoe was hij daartoe in staat? Van Woerden vraagt hem ernaar, maar krijgt behalve spijtbetuigingen en tranen, geen antwoord. Hooguit kunnen we uit zijn verhalen, gecombineerd met het archiefonderzoek van Van Woerden, opmaken hoe zijn zelfbeeld van meet af aan is verminkt. Niet-blanken waren smerig, dierlijk, onrein en onbetrouwbaar en halfbloeden als hij waren het ergste, want zij zaten het dichtst op de blanke huid.

Kleurlingen werden gedefinieerd aan de hand van wat zij niet waren: niet blank en niet zwart. De Immorality Act berustte op een fundamentele afkeer, niet alleen van zwarten, maar vooral van wat als het product van bestialiteit werd beschouwd. Dat, schrijft van Woerden was de werkelijke, beladen betekenis van `baster'. De overschreden grens tussen soorten waaruit nageslacht was voortgekomen: iedere kleurling een wandelend schaamteobject.

Tsafendas' trauma was dat hij heimwee had naar een huis dat er nooit geweest was. De Afrikaner was bereid geweest een thuisland te bevechten, door middel van grof staatsgeweld. Preoccupatie met zuiverheid en onbezoedeld bloed was daar onlosmakelijk mee verbonden en Van Woerden vraagt zich dan ook af wie er indertijd gekker is geweest, Verwoerd of Tsafendas? Achteraf bezien, schrijft hij `is het of de macht van de waanzin toen heel even gelijk was aan de waanzin van de macht.

De moord was daar een droeve uitdrukking van geweest, alsof de natuur uiteindelijk toch een soort balans opmaakte.' Mooi geformuleerd deze tragiek, zoals alles in dit boek mooi is: de zelfreflectie en de herinneringen van de schrijver, het portret van Tsafendas, hun confrontatie en het contrast tussen het paradijselijke Kaapstad en de gewelddadige krottenwijken op de vlakte.

Maar Een Mond vol glas, net zo beeldend geschreven en scherp observerend als Van Woerdens vorige romans, is voor alles en dat maakt het bijzonder een psychologische roman over een land. Zuid-Afrika op de divan. Cabaretier Pieter-Dirk Uys zei na de afschaffing van de apartheid dat iedereen in Zuid-Afrika benieuwd was `naar de toekomst van ons verleden'. Luisterend naar de moordenaar van Verwoerd, op bezoek in een township op de vlakte of rijdend langs de woestenij van wat ooit District Zes was, brengt Van Woerden over dat dit verleden `een nog gruwelijker toekomst beschoren (is) dan de meeste blanken ooit hadden kunnen bedenken'.

Waarom Een mond vol glas tot de fictie gerekend moet worden en geen zuivere (auto)biografie is, geeft Van Woerden in een korte verantwoording zelf aan. Hij heeft de levensloop van Tsafendas, die nooit eerder geboekstaafd werd, samen met zijn eigen herinneringen en reiservaringen, gebruikt voor een compleet nieuw verhaal. Met deze `kunstgreep', zoals hij het zelf noemt, heeft hij zijn hoogstpersoonlijke perceptie van zowel Tsafendas' als Zuid-Afrika's stoornis tijdens de apartheid vormgegeven. Fictie op (auto)biografische basis zou je van Woerdens romans kunnen noemen: gedocumenteerde werkelijkheid die door de verbeelding van een groot schrijver is aangeraakt en herschapen.