Onder de voet gelopen door patienten; Endegeest en andere inrichtingen

Gemma Blok en Joost Vijselaar: Terug naar Endegeest. Patienten en hun behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest 1897-1997. SUN 319 blz. f49,50

Geschiedschrijving van de psychiatrie wordt pas echt de moeite waard als de lezer een blik wordt gegund in het innerlijk van psychiatrische patienten. Vier studies over psychiatrische instellingen bewijzen echter dat men er beter in slaagt om de pioniers van de psychiatrie de ontwikkeling van opnamecijfers en patientenstromen, de therapeutische trends, de organisatorische perikelen en de intriges tussen de hoofdrolspelers in beeld te brengen dan de individuele patienten zelf.

Zo richten de Britse auteurs van The History of Bethlem hun schijnwerpers veeleer op de sociale en politieke achtergronden van het Londense gesticht Bethlem dan op de patienten die er in de loop van 750 jaar opgenomen werden. Opmerkelijk genoeg beweren de schrijvers dat niet het Spaanse Valencia (1409) maar het Londense gesticht Bethlem (1247) de beste papieren heeft voor het oudste gesticht van Europa. Een aanvechtbare stelling lijkt me, want de eerste tijd was Bethlem een algemeen ziekenhuis en pas vanaf de vijftiende eeuw werd het een specifiek gesticht voor psychiatrische patienten.

The History of Bethlem is een gedegen maar wel erg specialistische studie die voor een gewoon mens door de exorbitant hoge prijs nauwelijks te betalen is. Het grootste probleem is echter dat de patient in het boek bijna volledig bedolven lijkt te zijn onder het geweld van de al te overheersende sociale en politieke context.

Het boek waarin het zielenleven van patienten pregnanter wordt weergegeven is Madness in its place. Daarin tekent de Britse sociaalhistorica Diana Gittins, die eerder haar sporen verdiende met Fair Sex: Family Size and Structure 1900-1939 (1982), The Family in Question: Changing Households and Familiar Ideologies (1993) en The Child in Question (1997), de herinneringen en verhalen op van ruim zestig patienten en medewerkers uit Severalls Psychiatric Hospital in het Engelse Essex. Ze draagt haar laatste boek op aan haar moeder die in Severalls overleed.

Gesticht

De volgende twee boeken gaan over de Leidse psychiatrie gedurende de afgelopen eeuw zoals die werd bedreven in het krankzinnigengesticht Endegeest (1897) en het Sanatorium Rhijngeest (1903), de kliniek voor zenuwlijders die in 1950 werd omgedoopt tot Jelgersmakliniek (de universiteitskliniek).

Hoewel publicatie van twee aparte boeken enigszins afbreuk doet aan de historische bijzondere relatie tussen Endegeest en de universiteit vullen de studies elkaar door het verschil in gekozen perspectief uitstekend aan.

Tegelijkertijd is de separate verschijning tekenend voor de jarenlang bestaande gespannen verhouding tussen die twee. Want behalve tijdens het hoogleraarschap van Jelgersma (1899-1930), de eerste Nederlandse hoogleraar in de psychiatrie is de verhouding tussen Endegeest en de universitaire psychiatrie nooit zonder problemen geweest. Jelgersma, altijd meer geneigd een middenpositie te kiezen en befaamd als neuroanatoom en zielkundige, had een uitstekende verhouding met Endegeest. Zijn opvolgers Carp en Bastiaans hadden meer voorkeur voor de psychotherapeutische dan de biologische benadering. Beiden leefden op gespannen voet met de directie van Endegeest.

Negenennegentig jaar tussen wal en schip is een goed voorbeeld van geschiedschrijving van bovenaf waarin de prominente figuren met elkaar in een machtsstrijd verwikkeld zijn geraakt en waarin de lezer veel te weten komt over de organisatorische perikelen binnen de psychiatrie. Beeldend schetst de auteur van dit boek, H.G.M. Rooijmans, sinds 1976 hoogleraar psychiatrie in Leiden, de universitaire psychiatrie als een stuurloos schip, heen en weer zwalkend tussen aansluiting zoeken bij het Academisch Ziekenhuis Leiden of bij Endegeest. Gezien zijn eigen betrokkenheid in de hoogoplopende conflicten met Bastiaans en veel later met de leiding van Endegeest rijst de vraag of Rooijmans zelf de meest aangewezen figuur is om ons over deze geschiedenis van de Leidse universitaire psychiatrie in te lichten.

Van Jelgersma, Carp Bastiaans en Rooijmans vind ik de eerstgenoemde het interessantst. Jelgersma is bekend om zijn diesrede in 1914 als rector magnificus van de Leidse universiteit waarin hij zich uitsprak voor de psychoanalyse en de ideeen van Freud over het onbewuste die hij had opgepikt uit Traumdeutung (1900). Vrijmoedig begon Jelgersma over zijn dromen te vertellen, maar vermeed (uit kiesheid?) de seksuele duidingen daarvan. In tegenstelling tot Freud raakte Jelgersma niet door gesprekken met de zogeheten zenuwlijders (later neurotici genoemd) maar met psychotici (uit Endegeest) in de psychoanalyse geinteresseerd. Nog in 1928 schreef Jelgersma dat men voor psychoanalyse geen betere vooropleiding kon hebben dan geneesheer te worden in een krankzinnigengesticht.

Na 1914 hield Jelgersma zich betrekkelijk stil over de psychoanalyse, maar werd wel lid van de Nederlandsche Vereeniging voor Psychoanalyse. Volgens Jelgersma had de psychoanalyse het terrein van de psychiatrie weliswaar uitgebreid maar zij kon de psychiatrie niet vervangen. Toen de psychoanalytici zich te veel bemoeiden met zijn opvolging in 1930 reageerde Jelgersma echter kribbig, schrijft Rooijmans. Zij waren tegen de benoeming van Carp, toen hoofdassistent van Jelgersma, die in hun ogen geen goed analyticus kon zijn omdat hij katholiek was. Jelgersma was zo nijdig dat hij zelfs heeft overwogen om te bedanken als lid van de Vereeniging.

Het vierde boek in dit rijtje, Terug naar Endegeest, is een feest om te lezen. Nog meer dan in Gesticht in de duinen (1997), dat ging over 150 jaar geschiedenis van de provinciale psychiatrische ziekenhuizen van Noord-Holland, doen de historici Gemma Blok en Joost Vijselaar hun best om van dit boek iets bijzonders te maken.

De kritiek op hun vorige boek luidde dat daarin hooguit twee patienten in een schicht te zien waren en dat de psychiatrische inbreng erg mager was.

In Terug naar Endegeest wordt men bijna onder de voet gelopen door patienten, maar met de klinische blik van de schrijvers blijft het tobben. De tekst is verlevendigd door twee fraaie beschrijvingen van bezoeken aan patienten thuis door de Endegeester psychiater H.C. Jelgersma (de neef van de professor) die van hem niet opgenomen hoefden te worden hoewel hij de patienten wel degelijk psychisch ziek vond. Op zijn barokke manier verhaalt Jan Wolkers in `De geest waait' van de patiente uit Endegeest die tijdens de oorlog enige tijd bij de familie Wolkers verbleef. Maarten Biesheuvel vertelt over de maffe Mellenberg, de man die de psychiater vertelde dat hij Endegeest een millimeter kon verplaatsen.

Van Jacob Maris, zelf ex-patient uit Endegeest, zijn twee verhalen opgenomen. Ontroerend schrijft hij over de bruisende biljarter Koos, overtuigd alcoholist en socialist. Met 84 jaar maakte hij een eind aan zijn leven toen zijn stamkroeg bleek weggesaneerd die hij elke avond tijdens zijn jarenlange bestaan in Endegeest had bezocht. `Met strak gekamde kuif en in het nette pak had men hem zo tegen achten, wat later dan gewoonlijk, nog uit zien gaan', schrijft Maris. `Het was november, en het water van de Vliet moet die avond verschrikkelijk koud geweest zijn.'

Door een steekproef van 48 dossiers in de periode tussen 1897 en 1939 krijgen we een indruk van de aard van de problemen waarvoor men in Endegeest, als regel onvrijwillig, opgenomen werd. Pas vanaf 1948 kon dat ook vrijwillig. Helaas komen we weinig over het innerlijk van die patienten te weten omdat hun persoonlijke geschriften en de verpleegkundige rapportages uit de dossiers zijn verwijderd.

Opvallend genoeg neemt de invloed van de psychoanalyse vanaf 1920 toe in de aantekeningen van de psychiaters die steeds vaker letterlijke citaten van patienten noteren en meer belangstelling tonen voor hun psychoseksuele ontwikkeling. In het commentaar op de casuistiek slaat Vijselaar vaak de plank mis doordat hij de oorzaak met het ziektebeeld zelf verwart. Ernstiger is dat hij die gevallen te veel toetst aan latere inzichten uit psychotherapie of feminisme.

Zo lijkt me Vijselaars commentaar bij de opmerkingen van een gestichtsgeneesheer ongelukkig en misplaatst. In 1915 noteert de arts over een vrouw met een `toornige' manie: `In hare uitingen heeft zij het veel over echtscheiding en andere dingen waaruit men het besluit zou kunnen trekken dat zij een zeer ongelukkig huwelijksleven had. (...) Ik krijg steeds den indruk dat deze vrouw veel verdriet opkropt.' Vijselaar: `Het is tekenend voor deze pre-psychoanalytische periode dat Janssens niet verder doorvroeg naar de aard van het verdriet.' Een ontmoeting met een vrouw met een toornige manie zou voldoende zijn geweest om dit commentaar te schrappen. Als psychiater kun je volstaan met luisteren, omdat men er toch niet tussen komt en de kans groot is dat de boosheid tot het ziektebeeld behoort.

Elders beweert Vijselaar dat de artsen de woorden van mannen en vrouwen anders wogen. Men was eerder geneigd het woord van een vrouw als waan af te doen. Maar de feiten die de auteur aandraagt overtuigen me niet. Evenmin steekhoudend is het oordeel van de schrijver over het schuldgevoel van een meubelmaker die na het afleveren van een kast in Rotterdam `per ongeluk een cafe met damesbediening' (een bordeel) was binnengestapt.

Nu meende hij dat God hem had verdoemd. Zijn opname zag hij als een straf en hij zou een dood sterven `zoo verschrikkelijk, dat ze zullen verklaren nog liever een beest te zien sterven dan hem'. Volgens Vijselaar had dit schuldgevoel te maken met een verbod op seksualiteit. Het is waarschijnlijker dat dit gevoel gewoon onderdeel van de depressie van de meubelmaker was.

Geestiger is de ziektegeschiedenis van de kapper die onder de diagnose manisch-depressieve psychose opgenomen werd. Hij had op straat de ondergang van de wereld gepredikt. Na een paar dagen in bed verpleegd te zijn was `zijn stemming nog vroolijk en tevreden, het gloeit nog in zijn borst, en nu en dan voelt hij de behoefte luid uit te roepen wat de Heer in hem gewrocht heeft.' Een dag of tien later was hij op de afdeling alle patienten aan het knippen en scheren. Spoedig lieten de artsen van Endegeest deze `gemoedelijke en vriendelijke man met een zachten, doch hyperreligieuzen aanleg' volledig hersteld de poort uitgaan.

Vijselaar presenteert een aantal mij onbekende feiten, bijvoorbeeld dat Henk Jelgersma (de eerdergenoemde neef van de hoogleraar) reeds in 1929 in Leiden de voor- en nazorg in het leven riep. Dat deed hij in navolging van dr. J.H. Pameyer, directeur van het gesticht Maasoord in Poortugaal (voorloper van Delta), die in 1926 in Rotterdam de zogenaamde `Buitendienst' opzette. Ten onrechte wordt dus Arie Querido, van 1927 tot 1931 geneesheer van het Leidse idiotengesticht Voorgeest, allerwegen beschouwd als de pionier van de sociale psychiatrie. Niet eerder dan in 1931 richtte Querido de acute psychiatrie op in Amsterdam. Jelgersma was hem voor.

Vleugels

Tegen het einde krijgt Terug naar Endegeest bijna vleugels door de geestdriftige manier waarop Gemma Blok de woelige jaren van de antipsychiatrie tussen 1976 en 1982 beschrijft.

Eind jaren tachtig waren de eerste tekenen van het nu nog steeds actieve fusiespook al te zien. In 1987 fuseerde Endegeest met de Jelgersmakliniek en Huize Solglytt, een particulier verpleeghuis in de Leidse binnenstad. Omstreeks het jaar 2000 hoopt het gefuseerde Endegeest in een nieuwe overkoepelende geestelijke gezondheidszorgorganisatie voor de regio Zuid-Holland Noord op te gaan. Volgens directeur Kleijne wil Endegeest in 2005 nog slechts 260 klinische bedden op het oude terrein overhouden, wat een halvering betekent met ongeveer tien jaar daarvoor. Eind 1997 is besloten om op het terrein van het Leids Universitair Medisch Centrum een nieuw centrum voor kortdurende psychiatrische zorg op te richten. Zo lijkt althans deze droom van Jelgersma toch nog in vervulling te gaan.

Severalls is inmiddels gesloten, maar na een eeuw blijft Endegeest in afgeslankte vorm bestaan. Ondertussen is er een heleboel in de psychiatrie veranderd. In het begin van de eeuw werd nauwelijks kritiek geuit op de inrichtingen. `Reeds als men van de stoomtram voor het hek afstapt, komt dat gevoel van rust over u', heette het lyrisch in 1907 in het tijdschrift Eigen Haard. `Endegeest met z'n vriendelijke paviljoens en z'n pittoresk oud kasteel ligt geheel verscholen in het lommerend groen van 'n uitgestrekt bosch met vele lanen en zijpaadjes. Vriendelijk, huiselijk ziet alles eruit, de omgeving in haar kalme rust ademt... vrijheid.'

Ongeveer driekwart eeuw later wist de kritiek op de inrichtingen, die vanaf de jaren twintig regelmatig de kop opstak, van geen ophouden meer. De progressieve Gekkenkrant uit 1975 noemde Endegeest niet langer rustgevend en schilderachtig, maar benauwend, kaal en saai.

In de nacht van 13 maart 1978 stond een leerling-verpleegkundige met een pistool bij directeur Gerard Mojet voor de deur. De negatieve pers over Endegeest bleef daarna aanhouden. In NRC Handelsblad stond op 10 juni van datzelfde jaar: `Stuurgroepen verschonen geen vuile broeken.' Mojet, aanvankelijk laconiek over zijn rol van zondebok, nam uiteindelijk begin 1981 ontslag.

Toen de antipsychiatrische golf over haar hoogtepunt heen was en de psychotherapeutische genezingsdrang tot bedaren was gekomen, werd het beleid in Endegeest pragmatischer en hoefde men niet langer verhullend over ziekten als schizofrenie te spreken. De relatie tussen de medewerkers van Endegeest en de ouders van psychiatrische patienten, die niet langer als de schuldigen aan de problemen van hun zieke familielid werden gezien verbeterde aanzienlijk. Een zo groot mogelijke deelname aan de samenleving door patienten, uitleg over het ziektebeeld en samenwerking met de familie, gepaard met een groot natuurwetenschappelijk optimisme, gingen in toenemende mate het beeld van Endegeest in de jaren tachtig en negentig bepalen.

Veel mensen die Endegeest in vroeger dagen hebben gekend zijn vertrouwd met het beeld van de tuinploeg, inmiddels verleden tijd. Daarom is het jammer dat het gedicht Endegeest Revisited (het slot van `De ballade van de idioten') van de Leidse psychiater Frank Koenegracht uit zijn bundel Verdwijning van Leiden (1989) in het boek van Blok en Vijselaar ontbreekt. Koenegracht was werkzaam in Endegeest, zij het heel kort. `In de herfstige mist staat de tuinploeg (...) Zo stil aan de harken geklonken.' Men zou willen weten wat er omging in de hoofden van die ploeg. Maar zonder egodocumenten is de kans klein dat dit lukt.