Nostra maxima culpa; Nederland en het imperialisme

Susan Legene: De bagage van Blomhoff en Van Breugel. Japan, Java, Tripoli en Suriname in de negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur van het imperialisme. Koninklijk Instituut voor de Tropen, 468 blz. f59,-

In 1922 reisde Louis Couperus naar Japan, in de hoop een onbegrijpelijke samenleving te aanschouwen. Het werd een teleurstelling: `Het is alles als een reeds opgelost raadsel, misschien zelfs nu en dan een ontwijd geheim ... Japan is ons nu eenmaal geen mysterie meer.'

Couperus' deceptie is tekenend voor de exotische verwachtingen van de buitenlandse reiziger, maar tevens voor de reeds bekende beelden waarmee hij uit Nederland was vertrokken. Het ware Japan was, volgens hem het beste te zien in de Westerse musea.

De bronnen van Couperus' kennis over Japan lagen ver terug. Eeuwenlang hadden Japanse snuisterijen hun weg naar Nederlandse rariteitenkabinetten gevonden. De musea waar de vooringenomen literator op doelde, waren echter pas in de negentiende eeuw ontstaan, toen de eerste publieke verzamelingen onder koninklijk patronage werden aangelegd. Zij waren de bouwstenen voor de volkenkundige musea die lange tijd onze blik op de vreemde culturen hebben gevormd.

Over het Nederlandse beeld van de buiten-Europese wereld in de eerste helft van de negentiende eeuw gaat De bagage van Blomhoff en Van Breugel. Aan de hand van de levens, reizen en collecties van drie broers Van Breugel en hun zwager Jan Cock Blomhoff schetst Susan Legene de contouren van Nederlands uitzicht op de wereld. De vier patriciers vertrokken kort na 1816 in staatsdienst of uit eigenbelang naar verschillende windstreken: Japan, Java, Tripoli en Suriname. Alle vier legden een zekere etnografische interesse aan de dag, verzamelden voorwerpen uit hun gastland en lieten papieren en publicaties na die hun visie op hun wereld verraden.

Het resultaat is boeiend en vermakelijk door de biografische details en de herhaalde verwijzing naar de merkwaardige pronkstukken die uit buitenposten naar huis werden gestuurd. Interessant is de wijze waarop gezagsverhoudingen en culturele vooroordelen de blik bepaalden: in Japan met een zeker respect dat werd afgedwongen door de Japanse autoriteiten.

In Tripoli met een christelijke rechtschapenheid die meer oog had voor de antieke overblijfselen dan voor de islamitische cultuur. In Suriname met de praktische belangen van de plantage-eigenaar.

Doorsnee reizigers waren de broers en zwager niet. Zij waren tijdelijke bezoekers in hoge posities en wijdden zich nogal vrijblijvend aan hun orientaliserende interesses: Jan Cock Blomhoff leefde geisoleerd op Deshima, het kunstmatige eilandje in de haven van Nagasaki; Jacques van Breugel verschanste zich in zijn ambassade in het turbulente Tripoli en verkeerde vooral in diplomatieke kringen; en Gaspar van Breugel bleef gedurende zijn korte verblijf in Suriname toch vooral de meester die eens een kijkje op zijn plantages kwam nemen. Jan Eliza van Breugel was militair instructeur van de Madoerese hulptroepen op Java en later residentie-secretaris, stierf voortijdig en liet weinig sporen na. Toch stond hij van de broers het meest langdurig en intensief in contact met niet-Europeanen. Zijn dagelijkse omgang met Javanen en Madoerezen maakten hem meer deelnemer dan toeschouwer. Zijn broers en zwager bleven daarentegen grotendeels buitenstaanders; hun afstand en dus verbazing en vervreemding bleven intact.

Souvenirs

De reizigers namen allen souvenirs mee om de thuisblijvers zich te laten verwonderen. Hoe de exotische voorwerpen een plaats kregen in de `Collectie Nederland' is het meest coherente en interessante deel van het boek, maar beslaat helaas slechts veertig bladzijden. De spullen waren nauw verbonden aan de persoonlijke ervaringen van de Van Breugels en Bomhoff. Eenmaal in Nederland, kregen ze bredere betekenis. Veel voorwerpen kwamen terecht in het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden.

Op de golven van de wetenschappelijke revolutie werden de ontheemde voorwerpen beschreven en gerubriceerd, van elkaar gescheiden en uit hun oorspronkelijke verband gehaald. Ze kregen een plek in de Nederlandse mentale ordening van de wereld. Dit intrigerende verschijnsel had langer mogen worden uitgesponnen. Het had kunnen verklaren hoe sterk bepaalde beelden op ons voorstellingsvermogen werken en hoe, bijvoorbeeld, Couperus' visie van een eeuw later door het museale wereldbeeld was gevormd.

Maar Legene wil meer verklaren. Haar hamvraag is waarom de Nederlandse samenleving zo ongevoelig bleef voor de morele dilemma's die het contact met vreemde culturen en met name de slavernij opriepen. Sterker: waarom we er nog steeds doof voor zijn. De bron van dit onvermogen moeten we zoeken in de eerste helft van de negentiende eeuw. Legene spreekt van een `strategie van verzwijgen ontkennen, verbieden' die in scherpe tegenstelling stond tot de planmatige, agressieve expansie van Nederland na 1816.

Hier ontspoort het boek. Was de Nederlandse expansie nu werkelijk zo agressief en planmatig? Integendeel, zou je denken: op de meeste plaatsen was eerder sprake van een uitgesproken stagnatie of zelfs krimp. In Japan hield Nederland vast aan het systeem van het nauwelijks winstgevende handelsmonopolie vanuit het geisoleerde Deshima. Op de Noord-Afrikaanse kust floot Nederland een wijsje mee met de Engelsen en stuurde een fregatje om de Barbarijse heersers kort te houden. De Surinaamse economie kwijnde als niet tevoren. Alleen Java vormde een uitzondering: daar verzette Nederland de bakens en ontwikkelde een ingenieus en winstgevend systeem van exploitatie.

Wel veranderde de toon van de Nederlandse buitenlandse politiek.

Nederland was geen aandeelhoudersvergadering meer, maar een koninkrijk dat naar een plaats tussen de grote mogendheden zocht. Het had flink mogen doen op het Congres van Wenen, kreeg de zuidelijke Nederlanden toegestopt, alsook een paar oude kolonien. Het is eerder het opgeblazen ego en de retoriek van een staat in wording dan een bewust plan van verovering en verzwijgen die het Nederlandse optreden kenmerkten. In de koloniale praktijk voerde pragmatisme echter de boventoon. Nederland was en bleef een handelsnatie. Een klein land waarvan prestige en begroting door de kolonien vlottend werden gehouden. Hoewel een gebrekkig inlevingsvermogen een wezenskenmerk is van het kolonialisme, was de Nederlandse geest sowieso te parochiaal om de wereld te omvatten. Hoe Nederland het zwijgen heeft geleerd, wordt niet duidelijk; wat precies de effecten waren, evenmin.

Slavernij

De bagage van Blomhoff en Van Breugel helt sterk over naar het vraagstuk van de slavernij. Niet zozeer omdat de plantage-eigenaar Gaspar van Breugel nu de meest interessante verslaggever was, maar omdat Legene het meest aangetrokken blijkt door het vraagstuk van racisme. Haar verhaal spitst zich toe op de kwestie waarom de slavernij in Suriname relatief laat, in 1863, werd afgeschaft. Ze voegt echter niets nieuws toe aan het fors uitdijende debat: ze noemt slechts de late industrialisatie van Nederland, waardoor het besef van nut en noodzaak van een vrij arbeidsproletariaat ook in de kolonien pas laat doordrong. Een bekende doch op deze wijze geformuleerd nogal ingewikkeld ogende theorie. Oorzaken als de graad van politieke organisatie in Nederland, de trage opkomst van het economisch liberalisme, of de slepende kwestie van de schadevergoeding van slaveneigenaren blijven onbesproken.

Er bromt dus een forse moraliserende hommel in de honingpot. Op zichzelf is daar niets mis mee: een wijze les kan immers geen kwaad. Maar Legene maakt haar pretenties niet waar en brengt het boek door haar zware ethische programma uit balans. De grote vragen laten zich niet beantwoorden door het relaas van de keukenproblemen in het diplomatenhuis in Tripoli, of van de ongemakken tijdens de reis naar het Japanse hof in Edo. Aan de ene kant beperkt de biografische aanpak het betoog zo lezen we veel te weinig over Java alleen omdat Jan Eliza van Breugel weinig van zich heeft laten horen. Anderzijds barst het verhaal uit zijn naden omdat de gehele context verklaard en geillustreerd moet worden. De schrijfster verlaat zich noodgedwongen op halve verklaringen en hele impressies. Omineus zijn de talloze verwijzingen naar voorgaande hoofdstukken, die aangeven hoe met de structuur is geworsteld. Dat we uit dit mikado ook nog moeten leren dat we al twee eeuwen koloniaal doofstommetje spelen ik neem het graag aan, al doen we het volgens mij al veel langer is me te hoog gegrepen.

Op welke wijze Nederland een clichematig beeld van de wereld kreeg of zelfs een postkoloniaal racisme ontwikkelde, blijft ongewis. Het boek dat zo'n mooi uitgangspunt had, lost op in zijn eigen pretenties. De bagage van Blomhoff en Van Breugel is een boeiende, ja zelfs belangrijke, maar verwarde poging om de Nederlandse beeldvorming van een exotische wereld te analyseren.