Norrington een met de musici

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Roger Norrington m.m.v. Ronald Brautigam (piano). Programma: Schumann, Beethoven, Elgar. Gehoord: 25/11 Concertgebouw Amsterdam.

Voor dirigent Roger Norrington is dirigeren geen kwestie van charismatisch leiderschap. Norrington maakt muziek met de musici, en wekt de indruk bok en stok liever kwijt dan rijk te zijn. Hoewel Norrington al in de jaren zeventig naam maakte als dirigent van ensembles als het Schutz Choir en de London Classical Players, liet zijn debuut als gastdirigent voor het Koninklijk Concertgebouworkest tot eergisteravond op zich wachten.

Norringtons affiniteit met de authentieke uitvoeringspraktijk werd in Schumanns Ouverture Genoveva (1847) hoorbaar en zichtbaar in de nu ongebruikelijke, maar een eeuw terug normale orkestopstelling: tweede violen rechts van de bok, bassen midden-achter. En ook in muzikaal opzicht bleef Norrington trouw aan het origineel. Dynamiek werd met veel gevoel voor contrast toegepast, maar geen enkel detail zou een purist met partituur op schoot tot een frons hebben kunnen verleiden. De wil van de componist is Norringtons wet en tegelijkertijd zijn artistiek uitgangspunt.

In Beethovens Tweede pianoconcert (1794/98) stilistisch meer wortelend in het classicisme dan in de romantiek, leidde die aanpak tot een ongehoord heldere en bevlogen uitvoering. Pianist Ronald Brautigam zat met zijn gezicht naar de zaal gekeerd. Norrington - verlost van zijn bok - nam naast Brautigam plaats tussen de musici. Vanuit die positie kon hij zich als een weerhaan draaien naar de instrumentgroep die zijn aandacht het meest verdiende, en modelleerde hij het orkest maat voor maat naar Beethovens muzikale stemmingen.

Brautigams spel bleef zelfs in het rap genomen Rondo soepel en parelend. Hij sloot zich flexibel aan bij Norringtons fraseringen, waardoor smaakmakers als de tussen orkest en solist uitgewisselde ritmegrapjes de zo vaak door virtuozendom vertroebelde werking herwonnen.

In Elgars Eerste symfonie, door de Engelsen in 1908 dankbaar omarmd als des vaderlands eerste eigen symfonie, handhaafde Norrington zijn opstelling en aanpak. Elgars complexe en breedsprakige werk klinkt in het eerste en laatste deel als een krijgslustig statement met veel toeters en bellen maar stak onder Norringtons handen niet aan tot marsgevoelens. De warme strijkerspassages in het Adagio brachten wel de vervoering waar Elgar naar streefde. Hij wilde dat een uitvoering van dit werk `elastisch en mystiek' zou klinken, en dat verlangen zette Norrington hier oplettend om in klinkend resultaat.