No-first-use en het verschil tussen oorlog en vrede

Elk van de partijen bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, te goeder trouw onderhandelingen te voeren omtrent doeltreffende maatregelen met betrekking tot spoedige beeindiging van de nucleaire bewapeningswedloop en tot nucleaire ontwapening en omtrent een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening onder strenge en doeltreffende internationale controle.' (Artikel VI van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, ook wel het Nonproliferatieverdrag NPV, genoemd.

Dit verdrag trad op 5 maart 1970 in werking.) Ruim achtentwintig jaar later blijkt het eerste deel van de opdracht tot op zekere hoogte te zijn uitgevoerd. Van een nucleaire bewapeningswedloop zoals in het verdrag bedoeld is momenteel geen sprake. De wedloop voltrok zich destijds tussen de VS en de Sovjet-Unie. De laatste mogendheid bestaat niet meer. Rusland en Amerika mogen werken aan de kwalitatieve verbetering van hun arsenalen, de groei is er wel uit. Het Pentagon, het Amerikaanse ministerie van Defensie, geeft er zelfs de voorkeur aan eenzijdig een voorschot te nemen op de reducties die voorvloeien uit START II het verdrag dat wacht op goedkeuring door de Doema. De financiering van het in stand houden van de bestaande arsenalen drukt zwaar op Amerika's aanzienlijk beperkte defensiebudget. Nucleaire ontwapening, laat staan algemene en volledige ontwapening, ligt al jaren achter de horizon. De drie kernwapenmogendheden - de VS, de Sovjet-Unie en het Verenigd Koninkrijk - die in 1968 in hun respectieve hoofdsteden het Verdrag voor ondertekening openstelden, hadden de belofte van nucleaire ontwapening gedaan in ruil voor een verplichting van niet-kernwapenstaten om met het zetten van hun handtekening voorgoed van kernwapens af te zien. (De erkende kernwapenstaten China en Frankrijk ondertekenden het verdrag pas veel later.)

Het NPV is onderhevig aan erosie. India en Pakistan hebben dit jaar met hun proefexplosies de zogenoemde atoomdrempel overschreden en verschillende landen wordt het vermogen toegedicht dat binnen afzienbare tijd te doen. Toch is het vooruitzicht van een wereld zonder kernwapens niet geheel opgegeven. Nog begin deze maand nam de Commissie voor Ontwapening van de Algemene Vergadering van de VN een ontwerpresolutie aan die oproept tot spoedige en voortvarende liquidatie van de arsenalen kernwapens. Wel liet de uitslag van de stemming een opvallende verdeeldheid zien: 87 landen stemden voor, waaronder India, Pakistan China en het drempelland Noord-Korea, 40 landen stemden tegen, waaronder de lidstaten van de NAVO, 15 landen onthielden zich, waaronder Rusland en Japan. In het ontwerp wordt er bij de kernwapenstaten op aangedrongen onmiddellijk te stoppen met de kwalitatieve verbetering, ontwikkeling productie en opslag van nucleaire oorlogskoppen en hun lanceersystemen. Verder wordt die landen gevraagd om, hangende een totaal verbod op atoomwapens, in onderlinge verbondenheid vast te leggen niet de eerste te zullen zijn die dergelijke wapens inzet. De no-first-use-verklaring is een oude bekende uit de debatten over het kernwapen ten tijde van de Koude Oorlog. Edward Kennedy, broer van de vermoorde president, voerde in de jaren tachtig in de Amerikaanse Senaat krachtig actie voor het afleggen van een dergelijke verklaring. Deze week keerde de verklaring terug in het nieuws toen de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer, zich een voorstander noemde van het afzien door de NAVO van de optie om als eerste kernwapens in te zetten. De afwijzende reactie van de Amerikanen was niet verrassend.

Hun standpunt is sinds de jaren tachtig ongewijzigd: de VS willen de optie van het eerste gebruik van kernwapens niet opgeven. Maar Amerika's argumentatie is wel veranderd. Tijdens de Koude Oorlog golden de Amerikaanse atoomwapens als een tegenwicht tegen de overmacht aan Sovjet-strijdkrachten in Midden-Europa. De potentiele vijand moest in onzekerheid blijven over wat hem te wachten stond als hij tot een invasie in West-Europa zou besluiten. Een no-first-use-verklaring zou die onzekerheid hebben opgeheven. In een reactie op de suggestie van Fischer gebruikte de Amerikaanse minister van Defensie, Cohen, deze week een ander argument. Hij meende nog steeds dat de `dubbelzinnigheid' rondom het gebruik van kernwapens “bijdraagt aan onze eigen veiligheid'. Maar het gaat er nu om een tegenstander in het ongewisse te laten die gebruik zou willen maken van chemische of biologische wapens. Cohen gaf toe dat de doctrine was ontwikkeld gedurende de Koude Oorlog, maar zij was aangepast en bevestigd na afloop daarvan. “Zij is een integraal deel van ons strategisch concept, en wij menen dat dat precies zo moet blijven.'

De conclusie zou kunnen zijn dat Fischer en Cohen het over een ding eens zijn: de omstandigheden zijn ingrijpend veranderd. Alleen, zij trekken er tegengestelde conclusies uit. De Duitse bewindsman kijkt naar Europa en stelt vast dat er geen gevaar dreigt dat de optie van first use van kernwapens noodzakelijk maakt. Cohen kijkt naar de wereld en ziet een scala aan risico's, misschien niet onmiddellijk voor Amerika zelf, maar dan toch wel in spanningsgebieden waar de VS een beslissende factor in het regionale machtsevenwicht (willen) zijn. Amerika's `dubbelzinnigheid' kan daar het verschil betekenen tussen oorlog en vrede.

Wat wenselijk is, staat ter discussie. Een meerderheid in de VN heeft een andere prioriteit dan de Amerikanen, overigens samen met de grootst mogelijke meerderheid van hun bondgenoten. (Fischer liet weten dat Duitsland zich voor het eerst van stemming had onthouden). Interessant was de stemverklaring van Japan, het enige land dat door atoomwapens werd getroffen. Japan is voorstander van nucleaire ontwapening. Maar de Japanse woordvoerder verklaarde dat zijn land voorkeur had voor een reductie van kernwapens in overeenstemming met de bestaande kernwapenstaten. Hij zei in de ontwerpresolutie een verwijzing naar het NPV te missen, nog altijd het “doelmatigste en meest realistische' middel om tot ontwapening te komen.