Nederland een piratennest

Politieke leiders van de grote industrielanden hebben sinds enige tijd de aanval geopend op zogeheten 'belastingparadijzen'. Dat zijn vaak, maar zeker niet altijd, wat perifeer gelegen landen met een voor sommige groepen belastingbetalers extreem gunstig belastingregiem. Voorbeelden zijn de Nederlandse Antillen, de Bahama's en de Kaaiman-eilanden. Ondernemingen hoeven over de winst die zij naar zo'n belastingparadijs weten te sluizen niet of nauwelijks winstbelasting te betalen. Particuliere beleggers die daar hun vermogen stallen betalen geen inkomstenbelasting over hun vermogensopbrengsten. Op zichzelf gaat het hierbij om legale handelingen. Een groot deel van de wereld kent sinds de opheffing van allerlei deviezenrestricties een nagenoeg volledig geliberaliseerd kapitaalverkeer. Het staat bedrijven en individuen dus vrij hun geld naar zulke fiscaal zonnige oorden over te hevelen.

Toch staan belastingparadijzen in een kwade reuk. Veel vermogenden zullen hun in een verre `tax haven' ondergebrachte vermogen verzwijgen voor de fiscus van hun woonland, waar de tarieven hoog zijn. Dan is sprake van fraude. In dit geval kunnen bestuurders van een belastingparadijs hun handen echter nog in onschuld wassen. Zij geven weliswaar gelegenheid maar dat vermogenden die gebruiken om in hun woonland te frauderen is een kwestie van individuele belastingmoraal. Dat ligt anders bij het witwassen van drugsgeld, een praktijk die vaak wordt vergemakkelijkt doordat veel belastingparadijzen nauwelijks eisen stellen aan jaarverslagen van daar gevestigde `offshore' ondernemingen en verder een hermetisch bankgeheim kennen.

Omdat deze landen fiscale fraude niet als een misdrijf aanmerken, stoten belastingdiensten en opsporingsdiensten van landen met hoge tarieven meestal hun neus wanneer zij autoriteiten van belastingparadijzen om medewerking vragen bij de aanpak van fiscale fraude en financiele zwendel. Een belangrijk argument tegen belastingparadijzen is verder dat zij het `speelveld' voor bedrijfsleven en vermogensbeheerders ongelijk maken, wat economische beslissingen verstoort.

Recent hebben de industrielanden op twee fronten een offensief tegen de paradijzen ingezet. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling publiceerde in april 1998 een rapport over `schadelijke belastingconcurrentie'. Volgens berichten in het vakblad Tax Notes International zijn diverse tropische belastingparadijzen aangeschreven om hun fiscale stelsel toe te lichten. Daarnaast krijgen schadelijke regelingen van industrielanden in het OESO-rapport aandacht. Luxemburg, Zwitserland en niet in de laatste plaats ons eigen land figureren prominent in overzichten van `tax havens'.

In feite kent nagenoeg elk industrieland echter wel bepaalde gunstige regelingen die zijn bedoeld om spaargeld, financiele activiteiten en industrievestigingen voor de neus van andere landen weg te pikken. Het ligt in de bedoeling door overleg en het uitoefenen van druk de meeste van dergelijke schadelijke regelingen voor het jaar 2006 uit de wereld te helpen.

Bovendien kwamen de vijftien lidstaten van de Europese Unie eind vorig jaar een Gedragscode overeen. Deze geeft lidstaten het recht elkaars fiscale stelsel de maat te nemen. De ultieme sanctie is hier dat de Raad van Ministers (van Financien) met meerderheid van stemmen een bepaalde belastingfaciliteit publiekelijk als schadelijk veroordeelt.

Nieuwe bezems vegen schoon. De Duitse minister van Financien Oskar Lafontaine kondigde afgelopen week aan dat de aanval op belastingparadijzen in de eerste helft van 1999 onder het Duitse EU-voorzitterschap wordt geintensiveerd. Duitsland streeft ernaar dat in de Europese Unie gevestigde vennootschappen effectief ten minste twintig procent van hun winst aan de fiscus afdragen. Dat was braaf gebruld van deze sociaal-democratische leeuw. Lafontaine leek echter even te zijn vergeten dat beslissingen over belastingen de steun van alle lidstaten behoeven. Zijn Engelse collega Gordon Brown liet er geen twijfel over bestaan dat het Verenigd Koninkrijk in deze zaak zonodig van zijn vetorecht gebruik zou maken.

De inzet van Lafontaine is begrijpelijk. Het krachtige herstel van de ondernemingswinsten in de meeste lidstaten wordt niet weerspiegeld in dienovereenkomstig stijgende opbrengsten van de door vennootschappen afgedragen winstbelasting. Dit komt in belangrijke mate door de succesvolle `tax planning' van een toenemend aantal ondernemingen.

Zij sluizen een deel van hun winst naar belastingparadijzen in de vorm van rentebetalingen en vergoedingen voor know-how, patenten en via gemanipuleerde in- en verkoopprijzen. Dragen bedrijven minder bij, dan is het gevolg dat de belastingdruk verschuift naar arbeid en consumptie. Werknemers en consumenten beschikken immers over veel minder mogelijkheden om zich aan opgelegde heffingen te onttrekken.

In dit oplaaiende debat spreken de meeste ministers met dubbele tong. Aan de ene kant willen zij de binnen eigen grenzen behaalde winsten graag effectief belasten tegen het geldende tarief van de vennootschapsbelasting. Aan de andere kant begeren zij bijna allemaal de status van `tax haven' om zo economische activiteiten van de buurlanden weg te kapen. Deze week berichtte de Financial Times bijvoorbeeld dat Denemarken, het industrieland met de hoogste belastingdruk vergevorderde plannen heeft om een nul-belastingregiem in te voeren voor internationaal opererende houdstermaatschappijen (dat zijn ondernemingen die de aandelen van overal in de wereld werkzame dochters houden). Hierbij is Nederland het grote voorbeeld. Ons land staat al jaren te boek als het fiscale piratennest van Europa. Daarover meer in de volgende column.