Mensen kunnen ook engelen zijn; Helmert Woudenberg speelt zijn vader en zijn grootvader

Helmert Woudenberg is met 'De hel' op tournee t/m 12/2. Inl. (020) 6260350

Nooit voelde acteur Helmert Woudenberg de behoefte om op het toneel af te rekenen met de collaboratie van zijn familie. Nu wel, in zijn solovoorstelling `De hel'. “Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat mijn opa en mijn vader fout waren in de oorlog. Ik heb het me ook nooit aangetrokken.'

Zoals hij zich zijn grootvader herinnert - lange jas, hoed op, rode sjaal om - zo verschijnt de acteur Helmert Woudenberg in zijn solovoorstelling De hel. Even loopt hij zoekend heen en weer over de speelvloer, dan hangt hij jas, hoed en sjaal aan een kapstok. Vervolgens gaat het colbertje uit en stroopt hij de mouwen van zijn witte overhemd op. Nu is hij zijn vader tijdens diens stervensuur, in een val gelopen en doodgeschoten op een dorpsplein in Estland. Zelf werd hij drie weken later geboren, op 15 februari 1945, in een pension in Elspe, vlak over de Duitse grens, als kind van foute grootouders en foute ouders.

Helmert Woudenberg heeft eens gedroomd van zijn eigen geboorte vertelt hij in een stil hoekje van het Eerste Klas-restaurant op het Centraal Station van Amsterdam. Hij zag kaarsen en een generator voor de noodverlichting. Zijn oma vertelde hem later dat het ook in werkelijkheid zo was geweest. Maar hij stond in die droom in het halfdonker toe te kijken, terwijl een man het pas geboren kind naar hem toe draaide. “Ik was zelf dus niet dat kind', zegt hij. “Ik moet mijn vader zijn geweest hoewel die toen al dood was.' Zijn vader leeft in hem voort, weet hij.

Zijn vader, de SS-soldaat aan het Oostfront, heette Jan en was de middelste zoon van Hendrik Jan Woudenberg, de topman van het Nederlands Arbeidsfront waarin onder dwang van de bezetter alle vooroorlogse vakbonden waren verenigd. Na de bevrijding was H.J. Woudenberg dan ook een van de zwaarste gevallen onder de collaborateurs die voor de rechter werden gebracht. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof stelde hem op een lijn met Mussert en Rost van Tonningen en eiste de doodstraf. Van de raad van cassatie kreeg opa Woudenberg uiteindelijk twintig jaar gevangenisstraf opgelegd.

Tijdens vier dagen verlof, in 1944 trouwde Jan Woudenberg met een NSB-meisje uit Aalsmeer. Alles verliep volgens plan, heeft Helmert later gehoord: het huwelijk, het maken van het kind en een fietstochtje door de landelijke dreven. “Dat ontroert me', zegt hij, “en dat heb ik ook tot de kern van de voorstelling gemaakt: die onschuld tegenover het grote kwaad in de wereld. Mijn ouders waren toen nog zo jong, zo positief. Ik speel hoe ze daar in Aalsmeer gearmd over de dijk liepen, zo vervuld van de toekomst, zo vol hoop.'

Heel wat Duits-gezinden die het begin 1945 in Nederland te heet onder de voeten werd, trokken de Duitse grens over. In een pension woonden de vrouw van Hendrik Jan, haar dochter en de jonge, hoogzwangere vrouw van Jan bij elkaar. “Onderling hadden ze gruwelijke conflicten, terwijl buiten hun wereld aan het instorten was. Dat beeld staat me voor ogen dat was de hel. Mijn moeder heeft in die tijd zelfs in een boekje opgeschreven wat er met mij moest gebeuren als zij er eventueel niet meer zou zijn. Ik mocht niet in handen van de familie vallen.'

Hongeroedeem

Zijn moeder, die het kind voedde terwijl ze leed aan een borstontsteking, werd psychotisch. Ze was niet meer in bedwang te houden en werd in de chaos van die dagen opgenomen in een psychiatrische kliniek. Daar is ze eind 1945 gestorven. Het weeskind is pas na lang zoeken gevonden door een van zijn oma's, de moeder van zijn moeder, die hem meenam naar Nederland. “Maar ze is meteen bij de grens opgepakt en samen met mij geinterneerd in een landverraderskamp. Ik heb gehoord dat het heel slecht met me ging, ik had hongeroedeem en leefde in dat kamp alleen op tomaten. De doktoren hadden het al bijna opgegeven; ik denk ook dat er bij hen niet veel animo was om mij in leven te houden.'

In het kamp zaten echter ook enkele dochters uit een kinderrijk boerengezin uit Hoofddorp gevangen, dat zich eveneens aan de kant van de NSB had geschaard. Zij vroegen hun ouders het kind in het gezin op te nemen. “Heel fijne, hartelijke mensen waren dat', zegt Woudenberg liefdevol, “bij wie ik tot m'n 21ste ben geweest. Politiek hadden ze geen benul. Als er op de televisie beelden van het Duitse leger uit de oorlog werden vertoond, zei mijn pleegvader altijd: wat lopen ze toch prachtig! Je had toen ook de Boerenpartij. Als die op de radio was, zei hij dat ik stil moest zijn: boer Koekkoek spreekt. Verder was het heel harmonieus ik heb een fantastische jeugd gehad. Ik zat op een beschermde plek waar het verleden zelden of nooit meer opspeelde. Wel wist ik dat mijn echte vader en moeder dood waren, dat is me al jong verteld. Ik zei ook altijd: ik ben niet geboren, ik ben opgericht.'

Zijn oom Dick Woudenberg de jongste broer van zijn vader, heeft een werkgroep voor kinderen van foute ouders opgezet. “Hij is in Duitsland opgeleid tot officier, echt zo'n eliteschool waar je volledig geindoctrineerd werd, ook in het antisemitisme. Toen hij terugkwam, hebben ze hem compleet gedeprogrammeerd. Gelukkig heeft hij het heel goed verwerkt en veel inzicht in de hele materie gekregen. Ik heb een goed contact met hem, maar voor mij is de nazorg nooit een onderwerp geweest. Door de perikelen ben ik op flinke afstand van mijn eigen familie geraakt. Doordat het met mij is gegaan zoals het is gegaan, heb ik nooit last gehad van die tweede-generatie-problematiek.

“Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat mijn opa en mijn vader fout waren in de oorlog. Maar ik heb het me ook nooit aangetrokken, ik vond mezelf onschuldig.

Toen ik later bij het Werkteater was, is me door de anderen regelmatig gevraagd of ik niet eens iets over mijn ouders wilde maken. Toen vond ik dat geen interessant onderwerp. De problematiek was me vreemd.'

Hij begint een zin die na zeven woorden een andere wending krijgt: “Ik ben wel blij dat mijn ouders...Als zij waren blijven leven, was het allemaal veel moeilijker geweest. Ik denk dat we elkaar hadden afgemaakt.

“Wel moet ik me als kind, in dat boerengezin, hebben afgevraagd wie ik was. Ik ontleende mijn identiteit aan het spelen. Met mijn ongebreidelde fantasie sleepte ik al die boerenkinderen in mijn verzinsels mee. Dan liep ik als Indiaan, met tien kinderen achter mij aan, te roepen: bleekgezichten, volg mij! Wie ik was, begreep ik pas als ik speelde. Ik was die Indiaan. Daarom wist ik op mijn vijfde al dat ik toneelspeler zou worden. Voor mijn pleegvader las ik de ondertitels voor van de buitenlandse films op de televisie, die hij zelf zo snel niet kon lezen. In de dorpsbioscoop van Hoofddorp, waar meestal b-films draaiden, zag ik acteurs als Lee Marvin en Rip Torn - de echte karakteracteurs die mijn lichtend voorbeeld werden.

“Later heb ik me gerealiseerd dat ik de enige ben die in '45 een paar maanden met mijn moeder alleen is geweest. Natuurlijk weet ik daar niets meer van, maar ook dat heeft er iets mee te maken. Het is alsof ik met het toneelspelen aandacht wil vragen voor verloren levens, en verhalen wil vertellen die anders verloren zouden gaan.'

Kameleon

Een paar keer is Helmert Woudenberg vertelt hij, als jongetje door zijn oma meegenomen naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg waar opa vast zat. De oude heer Woudenberg maakte er een boekje, waarin hij zijn kleinzoon iets trachtte te zeggen over de oorlog.

“Het heette Kameleon, en het ging over drie mannen in het oerwoud. Een van hen ging water halen, en kwam terug met het verhaal dat hij een prachtig beest had gezien. Het was schitterend groen. De tweede wilde het ook zien, en zei bij terugkomst: het is inderdaad een prachtig beest, maar je vergist je, het is rood. Toen ging de derde kijken. En die zei: jullie hebben het alletwee mis, dat beest is blauw. Wat ze geen van drieen wisten, was dat het een kameleon was. Maar ze raakten zo fanatiek door hun eigen overtuiging, dat ze elkaar de hersens insloegen. Pas veel later heb ik begrepen wat mijn opa daarmee wilde zeggen.'

Zijn oma heeft na de oorlog overal de stoel met leeuwenkoppen bij zich gehouden, waarin opa, thuis in IJmuiden, altijd zat. Maar toen opa uit de gevangenis vrij kwam, was dat haar stoel geworden. Hij mocht er niet meer in. Zo staan ze Woudenberg nog voor ogen zegt hij: zij in die stoel en hij ernaast.

In de jaren zestig, toen hij naar de Amsterdamse toneelschool ging en zijn eerste rollen speelde bij toneelgroep Centrum, heeft hij nog een tijdje bij hen gewoond, in de Ortheliusstraat. Daar kwamen de NSB-predikant en de weduwe Rost van Tonningen geregeld bij hun oude vrienden klaverjassen. “In die tijd liep ik met mijn opa over straat, dan droeg hij die jas, die hoed en die das. Hij wilde wel vertellen over de oorlog, maar voor mij als jongeman was dat toen: opa vertelt. Het verveelde me, ik wilde er niets van weten. Hij is gestorven zonder dat we echt een gesprek hebben gehad. Nu wel, nu zou ik het allemaal willen horen.

“Een beeld is me nog haarscherp bijgebleven. Toen hij in mei '45 werd opgepakt, hebben ze hem al zijn tanden uit zijn mond geslagen.

Hij kreeg toen een kunstgebit van de staat, dat maakte dat hij zijn koffie slurpte. Tijdens de twee minuten stilte op 4 mei zaten opa en oma zwijgend aan tafel, want dat respecteerden ze. Maar dan dronk opa wel zijn koffie - slurp slurp. Voor mij is dat nog steeds het beeld van 4 mei: het grote gebeuren buiten en binnen dat domme geslurp met opa's kunstgebit.

“Dat verklaart ook de grote verbondenheid die ik met Ischa Meijer had. Alle twee kenden we die synchroniteit van de vreselijke grote gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis en de kleine, huiselijke omstandigheden die daarmee verbonden waren. We zaten samen op het Coornhert-Lyceum in Haarlem, waar zijn vader Jaap Meijer geschiedenisleraar was. Later heeft Ischa mij verteld dat zijn vader hem vooraf had gewaarschuwd dat er een jongen Woudenberg op school zou komen, en dat hij zich correct moest gedragen. Zelf heeft Jaap Meijer er tegenover mij nooit een woord over gezegd, maar ik heb wel altijd een soort bescherming van hem gevoeld. En ook Ischa die een doerak was, gedroeg zich. We hadden meteen een hechte vriendschap met een grote vertrouwdheid. Jaren later hebben we nog eens het wilde plan gehad een voorstelling te maken over een jood die bij een NSB'er was ondergedoken en na de pauze, na de bevrijding, is die NSB'er bij de jood ondergedoken. Ischa stond erop dat hij dan die NSB'er zou spelen en ik de jood. Maar dat is er niet meer van gekomen.'

Sprookjes

Bij het Werkteater, aan het Kattegat in Amsterdam, raakte Woudenberg gefascineerd door de wetmatigheden van het acteren, ook als dat gebaseerd was op improvisaties: “Je was vrij en impulsief, maar bij de herhaling treden toch de wetmatigheden op.

Dan werkt iets opeens niet meer en moet je analyseren hoe je het terug kunt halen.' De ontdekking van het tarot-spel gaf hem de inspiratie om ook zelf magische vertellingen - sprookjes - te gaan maken: “In het Werkteater was daar niet erg het klimaat voor, want daar ging het om het herkenbare naturalisme. Terwijl ik altijd liep te zeiken: nee, toneel is magie, toneel is een hogere werkelijkheid! Daar wordt het veel groter van, en veel spannender dan de vraag of paps zijn uitkering al heeft gehaald.'

Toen hij destijds aan een broer van zijn moeder vertelde dat hij zijn dagen doorbracht aan het Kattegat, reageerde die verrast. Wist je wel, zei de oom, dat je moeder daar in de oorlog ook nog heeft gewerkt, in het gebouw van de Arbeiderspers? Ze zat aan een bureau sprookjes te verzamelen, bij wijze van Nederlands cultuurgoed. “Waar ik na de repetities een biertje dronk in het Sonesta-cafe, waar vroeger het gebouw van de Arbeiderspers stond daar heeft dus het bureau van mijn moeder gestaan. En ook zij was bezig met sprookjes, net als ik. Dat is weer die rare synchroniteit van de dingen.'

Toch heeft Woudenberg zich, naar zijn zeggen, al die jaren niet actief met het oorlogsverleden bezig gehouden. Tot een jaar of zes geleden, toen er om geheel andere redenen, in zijn gezin een crisis uitbrak en hij in therapie belandde. Pas daarna ging hij naar het RIOD om de in de cel geschreven politieke memoires van zijn grootvader te lezen, en naar zijn oom Dick die hem een stambomenboek van de familie gaf, met een voorwoord van zijn vader Jan - vol bloed- en bodemtheorieen over sibbe en stam.

Inmiddels was hij al begonnen met zijn solovoorstellingen, nadat zijn met Gees Linnebank gedeelde artistieke leiding bij toneelgroep Theater (1983-1988) was geeindigd in een scheiding der geesten met de zakelijk leider en een deel van de acteurs.

“Ik vond dat de wetten van de improvisatie ook toepasbaar waren op het repertoiretoneel. Dat is vastgelopen, en ik weet niet eens precies waarom. Mijn laatste regie, De Nibelungen, werd een slachtpartij. Waar jij je mee bezig houdt, werd me gezegd, dat is geen toneel. Dan ga ik het zelf doen dacht ik.'

Is het geen eenzaam bestaan, met zo'n solovoorstelling op tournee?

“Dat is het wel, ja. Maar jij draagt de volledige verantwoordelijkheid en dus is ook de totale bevrediging voor jou. Ik heb hier en daar nog wel een paar gastrollen gespeeld, maar met dat proces krijg ik toch steeds meer moeite. Meestal moet je tijdens de voorstellingen 25 procent inleveren van wat in het repetitielokaal is ontstaan.'

Hij maakte, met succes, vijf solovoorstellingen. “Het zijn grote woorden, maar misschien kun je zeggen dat ik die eerste vijf heb gemaakt om deze zesde te kunnen doen. Om de vorm te kunnen vinden voor het persoonlijke verhaal in de mythische context. Het magisch-realistische, over de strijd van de draak tegen het onschuldige kind en de mensen die in de gedaante van engelen op aarde komen om zieltjes te winnen voor de duivel, heb ik nodig om ervoor te zorgen dat het niet blijft steken in troebel autobiografisch gesnotter. Ik heb gehoord dat dat de voorstelling vrij ontoegankelijk maakt. Maar voor mij is het glashelder. Dat mensen ook engelen kunnen zijn, dat is mijn wereld. En die twee werelden - de mythische en de alledaagse - voeden elkaar. Mijn bedoeling was om het paranormale zo normaal mogelijk te maken en het normale zo paranormaal mogelijk.

“Het zijn mijn grootvader, mijn vader en mijn moeder die in De hel door mijn mond spreken. Zelf kom ik niet expliciet aan het woord. Dat wilde ik ook niet, daar zou het veel te egotripperig van worden. Mijn thema was: hoe strijdt de onschuld tegen het kwaad? Wat dat betreft mag je mij in de voorstelling als een archetype zien: het kind dat vecht tegen de draak.'