Mandarijn op zoek naar zwavelzuur; Het smoel van Ronald Giphart

Ronald Giphart: Planeet literatuur. Podium, 317 blz. f30,-

Voor de jonge schrijvers die zich de `Utrechtse literaire maffia' laten noemen, behoort Ronald Giphart tot de vorige generatie. Ze mogen hem bewonderen of niet, hij is in ieder geval iemand waarmee afgerekend moet worden. Hoe Giphart zelf zijn literaire vaders te lijf ging, is te lezen in Planeet literatuur, Het complete leesboek van Ronald Giphart. Het is een compilatie van het in 1993 verschenen en slechtverkochte Kwadraats Groot Literair Lees Kijk Knutsel en Doe Vakantieboek en het Bijenkorfgeschenk De ontdekking van de literatuur, aangevuld met losse stukken uit diverse bladen onder de titel `Brood op de schrijfplank'.

Planeet literatuur biedt dus niks nieuws, maar is wel van belang omdat het een overzicht geeft van het min of meer polemische en satirische werk waarmee Giphart sinds het begin van de jaren negentig de Nederlandse literatuur heeft bestormd. Giphart toont smoel, in het boek en groot op de kaft.

Onder alle dik aangezette lolligheid die de verzamelde teksten aankleeft, gaat wel enige pretentie schuil. In Gipharts tweede roman Giph kondigden de hoofdpersonen aan dat ze een boek wilden maken met de titel Zo kan het ook, de Nederlandse literatuur herschreven, en daarin zouden ze `de Nederlandse literatuur kapotmaken'. Boeken kapotmaken, gemummificeerde schrijvers uit de weg ruimen, en zo ruimte scheppen voor jezelf: dat is wat iedere jonge schrijver wil. Het is de natuurwet van de leeuwenkuil en de apenrots, die ook voor het literaire leven geldt: wie oud en ziek is, moet weg, en boeken die stuk kunnen moeten maar beter meteen kapotgemaakt worden. Zo hou je de soort gezond.

In `De ontdekking van planeet literatuur', het aardigste gedeelte van het boek en in ieder geval het meest onthullende, beschrijft Giphart de ontwikkeling van zijn schrijverschap. Daaruit blijkt dat zijn strijd tegen de Nederlandse literatuur, of tegen de literatuuropvatting van het `heilig ontzag', tegelijk een afrekening met het eigen verleden en een poging tot zelfrechtvaardiging is. `De ontdekking' schetst het literaire bondgenootschap met Bert Natter (co-auteur van Kwadraats Vakantieboek) dat begon op de middelbare school: ze ontdekten schrijvers als Nooteboom Siebelink en 't Hart, en maakten plannen voor toekomstige eigen werken. De zelfbewustheid waarmee ze schrijvertje speelden, is verbluffend: ze fotografeerden zichzelf achter overvolle schrijftafels, en bewaarden alle kladjes en brieven voor het Letterkundig Museum.

Ze ontwierpen een `periodiek systeem der schrijvers', waarin alle belangrijke Nederlandse schrijvers en boeken ondergebracht moesten worden.

Uit de werken van de `megagod' Jeroen Brouwers leerden ze dat literatuur een serieuze zaak is voor `meneren en mevrouwen': `Een allesbepalend ontzag, dat werd het nieuwe credo'. Brouwers' Winterlicht werd hun bijbel; ter navolging begonnen ze aan een bloedserieuze romantrilogie. Zo blijkt dat ook Giphart niet uit het niets komt, dat hij zich eerst volgens de traditie jarenlang moest bezighouden met de imitatie van grote voorbeelden, alvorens hij met ze kon wedijveren op zijn eigen, oneerbiedige wijze.

In 1989 in het Letterkundig Museum, een cruciale plek voor de ontwikkeling van Giphart brak het `tijdperk van de weerzin' aan. De jongens konden zichzelf, en daarmee de door jarenlange studie geincorporeerde Nederlandse literatuur niet langer serieus nemen. Ze hadden immers nog niets bereikt: de trilogie bleef ongeschreven, het vette uitgeverscontract bleef uit. Er moest een nieuwe strategie gevonden worden. En kijk, `plotseling kwam de gewichtigheid ons de keel uit'. Ze moesten vaststellen dat schrijvers geen betere mensen waren maar `even kleinzielig en kleinzerig als iedereen die we kenden'. Na een uurtje `boekballen' en `boekwerpen' (zie Planeet literatuur voor de spelregels) gingen de twee vrienden ertoe over hun boeken kapot te scheuren. `Weg met Heilige Ontzag! Pijn in de nek van het lachen wilden we.' Dat met deze machteloze poging de literatuur kapot te maken, waarover ze zich achteraf toch wel schaamden, een nieuw tijdperk werd ingeluid, is veelzeggend.

`Een beetje spelen met de heiligheid die kleeft aan literatuur', dat werd het nieuwe credo.

Met bewondering schrijft Giphart over het literaire schelden van Jeroen Brouwers en W.F. Hermans. Planeet literatuur doet qua opzet en massiviteit wel een beetje denken aan Hermans' Mandarijnen op zwavelzuur. Beide boeken bevatten humoristisch bedoelde foto's van schrijvers met onderschrift en cartoons. In beide boeken worden gevestigde reputaties op satirisch bedoelde wijze aangevochten. Het verschil is echter, dat alleen Hermans zijn bedoelingen waarmaakte.

In Planeet literatuur is het feuilleton `De beste schrijver van Nederland' opgenomen, dat gaat over een op kinderachtige wijze wedijverende groep Nederlandse schrijvers. Het is bedoeld als een satire. Maar is het een dodelijke satire? Een leuke satire? Volgens mij niet. Over de `Officiele Oude Viezerik' Adriaan Morrien staat er bijvoorbeeld: `Ik kwam een oude clochard tegen, van wie ik eerst dacht dat het de tuinman was, maar toen hij zijn regenjas openspreidde, wist ik direct dat het Adriaan Morrien moest zijn'. Vergelijk dat eens met de intelligente beledigingen die Hermans `Mandarijn Morrien' toevoegde in Mandarijnen op zwavelzuur, zoals: `De langdradigheid is wat er bij hem van Kafka overblijft, de seniele belustheid die hij voor erotiek houdt, dankt hij geheel aan zichzelf'. En hoe wordt Hermans door Giphart neergezet? Al te voorspelbaar, als een hoestend stuk chagrijn.

Het feuilleton is niet leuk, omdat het Giphart ontbreekt aan de durf om zichzelf onmogelijk te maken. Zijn heimelijke bewondering voor gevestigde reputaties zit hem in de weg. Zijn satire gaat niet ver genoeg en is daarom niet leuk genoeg, omdat je op iedere pagina proeft dat Giphart toch wel heel graag bij de `meneren en mevrouwen' wil horen.

Tot die tijd speelt hij alleen maar een beetje met ze.

In 1997 ging het Letterkundig Museum daadwerkelijk over tot het verwijderen van oudere schrijvers, voor de nieuwe permanente tentoonstelling. Een groots moment voor Giphart. Ooit liep hij rond in het museum met zijn vriendje Natter om de boel te verzieken (het opschrift `Jan Wolkers' veranderen in `Jan Wokkel'), maar kon eigenlijk niet wachten tot hij ook in een van de vitrines zou liggen. Nu wordt hij gevraagd materiaal af te staan voor de nieuwe tentoonstelling. In eerste instantie weigert hij, omdat hij zich zijn oude dogma herinnert, dat het in de literatuur alleen om de teksten gaat. Al snel gaat hij overstag, en bekent met een verbazingwekkende openhartigheid: `het heeft met een in de literatuur mijns inziens misplaatst soort eergevoel te maken, maar ik zwichtte voor de gedachte dat mijn literaire broertjes en zusjes wel in het Letterkundig Familiegraf zouden worden bijgezet en ik alleen in mijn huiskamer'.

Arme Giphart, die moest zwichten voor zijn eergevoel. Giphart heeft een groot lezerspubliek verworven, is geliefd onder de schoolgaande jeugd en verdient goed geld (hij vertelt ons precies hoeveel), maar wil toch ook een eervolle positie in het Familiegraf. Aan Giphart heeft zich al lang het lot van de schrijver in Holland voltrokken, hij vult zijn beurs met lezingen, theatervoorstellingen, het Fonds, signeersessies, maar het is allemaal niet genoeg: hij moet ook nog in het Letterkundig Museum. Hij neemt de heiligheid van het schrijverschap onder vuur, zolang hem dat uitkomt, en is verontwaardigd als iemand hem `geen echte schrijver' durft te noemen. Hij, de oneerbiedige, wordt boos als we hem niet genoeg eerbied bewijzen. Deze draaikonterij is het enige wat lachwekkend is aan Planeet literatuur.