Ik maak de mensen bang voor hun fantasie; Gesprek met Turner-prijs kandidaat Cathy de Monchaux

Sommigen beschouwen de roze kelken en het kunstbont van Cathy de Monchaux als `bordeelkunst', anderen spreken van de kloof tussen Freud en feminisme. De Monchaux: “Critici kunnen soms heel grappig zijn.' Ze is genomineerd voor de Turner-Prize, de belangrijkste beeldende-kunstprijs van Engeland.

Op 1 december wordt in de Londense Tate Gallery de jaarlijkse Turner-prijs uitgereikt, het belangrijkste blijk van erkenning in de Britse hedendaagse beeldende kunst. De dag erna gaat Cathy de Monchaux een van de vier genomineerden, voor een flinke vakantie naar Zanzibar. Om het prijzengeld van ruim zestigduizend gulden op te maken?

“Welnee, ik win toch niet', lacht ze boven een kop warme chocomel en een zoet broodje. Met de kunstkritiek en de bookmakers is De Monchaux ervan overtuigd dat Chris Ofili met de eer gaat strijken. Die jonge, zwarte schilder van Nigeriaanse afkomst zorgt nog steeds voor smeuige krantenkoppen. Is het niet door de olifantenpoep die hij in zijn schilderijen vol hallucinerende stippeltjespatronen verwerkt, dan is het wel doordat hij stelling zegt te nemen tegen discriminatie en stereotypen.

Het werk van de 38-jarige De Monchaux is niet politiek correct. Wat het wel is, krijg je intussen ook niet makkelijk van haar te horen. Ze laat het uitleggen graag over aan de critici, maar ook van hen word je niet veel wijzer. Want als het om het werk van De Monchaux gaat, zijn de zwijmelaars en de grappenmakers oververtegenwoordigd.

De eerste soort (meestal vrouwen) schrijft zinnen als: “De erotische lading die haar sculpturen ontsteekt, betrekt zijn kracht uit het naar voren halen van de tegengestelde verlangens die ons allen tegelijkertijd verdelen verenigen en definieren.'

De tweede soort (meestal mannen) doet haar werkstukken met opengesperde kelken van roze leer, kunstbont en messing haken grinnikend af als `bordeelkunst', een `genitale mannenval' of als `een decorstuk uit Alien'.

In beide redeneringen zit wel iets, maar de ene soort schiet te hoog en de andere te kort.

Neem bijvoorbeeld `Never forget the power of tears', een sculptuur uit 1997 die de vloer van de eerste expositieruimte in de Tate Gallery domineert. Tussen een paar dikke loden platen ligt iets wat op het eerste gezicht de uitgebeende ruggegraat van een monster lijkt. Maar bij nadere inspectie gaat het om een rij van vrijwel identieke, ja van wat? Zee-anemonen? Het binnenwerk van een juist gepelde krab? Iets uit een verboden medisch handboek? Dat het om tegenstellingen gaat is wel duidelijk - hard en zacht, metaal en harige stof, leer en lood, donkergrijs en roze. Maar gaat het ook om `tegengestelde verlangens die ons definieren'?

Het werk van de Monchaux schreeuwt erom geinterpreteerd te worden: wat is dit in godsnaam? denk je onvermijdelijk. Maar de zwijmelaars zoomen daarvoor zover uit dat er alleen iets abstracts in de verte overblijft. En de grappenmakers focussen volledig in op het detail, maken er een voor de hand liggende grap van en verliezen het overzicht.

Met beide groepen recensenten heeft ze niet veel op. De erkenning door de Turner-jury - relatief laat want De Monchaux exposeert al zeker tien jaar - neemt ze daarentegen volkomen serieus. “Het is belangrijk dat je eigen werkgemeenschap erkent wat je doet', zegt ze. En door de onvoorspelhaarheid van de uitslag is het zelfs “belangrijker om op de shortlist te komen dan te winnen, ook al zijn er genoeg goede kunstenaars die voortdurend exposeren nooit genomineerd en genoeg slechte kunstenaars wel.'

Gelooft u dat de vier van dit jaar - Ofili, Tacita Dean, Sam Taylor-Wood en uzelf - een goede keus zijn?

“Het zijn vier serieuze kunstenaars, die op hun eigen gebied, van schilderen tot beeldhouwen, fotografie en videokunst elk een eigen traditie hebben.

En ze hebben ook allemaal al een naam opgebouwd. Het zijn geen beginners.'

Hebben ze ook iets gemeen? Heeft het zin deze kunstenaars samen ten toon te stellen, zoals nu in de Tate Gallery gebeurt?

“Ja, het oogt samenhangend, vind ik. Aan de andere kant: het is ook weer geen typische tentoonstelling waarop een curator zijn stempel heeft gedrukt. Er zijn vier juryleden, die elk hun eigen voorkeuren hebben en die elk iemand nomineren.'

En die het dan moeten uitvechten.

“Ik sprak iemand die een paar jaar geleden in de jury zat en die zei helemaal ziek van de zenuwen te zijn geworden. Het is ook zo verantwoordelijk, want je kunt iemands carriere maken en breken. Daarom staat de jury altijd in het volle licht en zijn ze als de dood de verkeerde keuze te maken.'

De uitslag van zulke prijzen is meestal omstreden. Over de winnaar van de Booker-prijs de schrijver Ian McEwan, werd kortgeleden gezegd dat de nummer drie was komen bovendrijven omdat de meerderheid van de jury het niet eens raakte over de eerste twee kandidaten. Kan zoiets ook bij de Turner-prijs gebeuren?

“Ik ben er zeker van dat zulke dingen gebeuren. Maar niemand in deze groep van vier is zo slecht dat ik het schandalig zou vinden als hij of zij zou winnen. Ik treur niet als ik niet win. Het is stom om in zak en as te raken over zoiets onvoorspelbaars.'

De kunsthitoricus John Armstrong zei vorige week dat veel kunstenaars uit het circuit van de Turner-prijs pretentieuze `verklaringen' afleggen over politiek of identiteit of seks, maar geen kunst maken. Wat vindt u van dat verwijt?

“Kunst legt altijd een verklaring af. Kunst is niet `niets', zoiets als de kleur van het behang.

Je betrekt een stelling met wat je maakt. Elke artiest heeft de pretentie iets te maken dat relevant is. En sinds kunstenaars zijn opgehouden kunst over religie te maken, gaat kunst over andere dingen.'

Waarover gaat uw kunst dan?“Ik probeer verschillende ideeen samen te smelten in een voorwerp dat je kunt aanraken met je verbeelding. Wat die ideeen zijn, weet ik niet.'

Sommige kunstcritici leggen uw werk wel precies uit.

“Dat is hun werk. Mijn werk is een visuele uitwisseling tot stand brengen, geen uitwisseling van woorden. Ik zou het met geen mogelijkheid kunnen uitleggen. Het interessante van kunst is dat het juist niet fysiek is, niet iets als schrijven of eten of seks. Kunst heeft voor mij te maken met staren, een naief soort kijken, niet met precies interpreteren.'

Maar neem nu bijvoorbeeld de opmerking van een criticus dat u `werkt in de kloof tussen Freud en het feminisme'. Werkt u daar?

“Niet bewust, nee. Maar ...'

Wat is trouwens de kloof tussen Freud en feminisme?

“Wie weet. Hoewel, als je aan de ene kant Freud neemt met zijn fallocentrische ideeen over vrouwelijke hysterie en penisnijd en aan de andere kant het feminisme, dat zulke `absolute waarheden' bestrijdt, ja, dan is er misschien wel een kloof. Maar als ik daarin ben geinteresseerd, is het alleen in beelden, niet in woorden.'

Moet u niet af en toe heel hard lachen om zulke typeringen?

“Dat hangt ervan af. Critici kunnen soms heel grappig zijn als ze zich door hun eigen geestigheid laten meeslepen, ook al zijn ze soms op of over het randje van beledigend.'

Er is meestal lof voor uw vakmanschap, maar twijfel aan het artistieke gehalte. Veel van uw werk bestaat uit een herhaling van vormen en patronen, wordt gezegd.

“Het is niet aan mij om dingen te maken die bij iedereen in de smaak vallen, als het maar bij mij in de smaak valt.'

Waarom heeft het grootste werk in uw Turner-expositie, `Never forget the power of tears', acht grote platte stenen, en niet tien of twaalf?

“Het zijn er trouwens twaalf. Waarom? Omdat het beter werkt dan een. Het is zo minder een schets, zo laat ik zien dat ik het echt meen. Het moet groot en monumentaal ogen je ontroeren en verwarren door de gekmakende herhaling. En als iemand dat niet wil zien gaat hij maar naar iets anders kijken.'

Is het mogelijk om humor in uw werk te zien?

“Of het grappig is?'

Ik moest soms wel lachen.

“Ja, sommige sculpturen zijn misschien wel om te lachen, omdat het allemaal een beetje te is, zodat je denkt: `Oh my god, who is this woman?' Ik probeer hoe dan ook werk te maken dat mensen naar binnen trekt, al is het tegen hun wil. Dat kan met humor, met seks, met emoties, met angst, met haat - als je de mensen maar weet te grijpen.'

Zeggen mensen wel eens dat uw werk ze bang maakt?

“Soms. Het ziet er agressief-vrouwelijk uit. Misschien maakt het ze vooral bang voor hun eigen fantasieen. Het is beangstigend als iemand anders dezelfde fantasieen blijkt te hebben als jezelf. Dan is het net of er iemand over je schouder kijkt. Ik geef geen oplossingen, ik ben geen witch doctor, de mensen moeten het zelf oplossen.'