Het laatste woord

Wiel Kusters: Zegelboom. Gedichten en notities 1975-1989. Querido, 387 blz. f49,90

In het geboortejaar van Wiel Kusters, nu een halve eeuw geleden, waren de Limburgse mijnen nog in gebruik. Zijn grootvader was kompel, en ook zijn vader ging zesmaal per week de schacht in. `Toen ik verwekt werd,' schreef Kusters in Het mijnmuseum (1981), `ging mijn vader (in gedachten?) vreemd bij de aarde. Mischien had ik hem daarom rond mijn zestiende in zijn ondergrondse wereld moeten volgen. Dat het anders gelopen is dan mythologie, naturalisme en economie vereisten, houdt natuurlijk niet in dat ik niet ooit eens `in het bezit van de aarde` zal belanden.'

Kusters ging niet de mijnen in, maar werd een ander soort graver. Hij studeerde Nederlands, werd dichter en hoogleraar letterkunde. Zijn proefschrift en essaybundels getuigen van een scherpe visie op het werk van Kouwenaar en andere dichters. Als Neerlandicus is hij een diepzinnig analist, die weliswaar betrokken maar vooral ook volhardend te werk gaat.

Hoe verrassend speels is zijn poezie. Een `Hoed uit Genk' bijvoorbeeld:

Een hoed uit Genk

Ik pas hem, denk:

een klok of een kolk?

Een tollende wolk?

Kolenstofwegen.

De drager verzwegen.

Hoed op: de dag.

Hoed af: de nacht.

Ik draag deze hoed

zwart als mijn bloed

als ik een vers schrijf

dat in het licht blijft.

Speels, maar met een donkere grondtoon. Dit gedicht staat in Laatst (1989), de bundel waarmee Kusters zijn werk uit de periode 1975-1989 in Zegelboom afsluit. In de driehonderdvijftig voorgaande pagina's zijn woorden als `kolenstof' `zwart' en `licht' al herhaaldelijk in elkaars context gebruikt. Het gaat dan steevast om de aantrekkingskracht en verschrikkingen van het ondergrondse. In dit gedicht is het niet anders. Genk is immers een Belgisch mijnwerkersdorp.

Als dichter heeft Kusters de mijnbouw tot thema verheven. Maar uit de gevarieerde inhoud van Zegelboom blijkt dat zijn poezie zich niet tot zwarte mannen en silicose beperkt. Zijn vroegste bundels, Een oor aan de grond (1978), De gang (1979) en Het mijnmuseum (1981), werden nog door het onderaardse bepaald. Maar daarna volgden Hoofden (1981) en Kwelrijm (1983). En met Het leven op stoomschepen (1986) leek de dichter zich van zijn Limburgse herkomst te hebben losgeschreven - al is er in de `Ballade van de stoker' en `Het lied van de vuurplaat' nog wel een rol voor de kolen.

De stijl van Kusters' poezie is vergeleken met die van Pierre Kemp (die overigens ambtenaar bij de Staatsmijnen was). Niet ten onrechte, lijkt mij. Ook bij Kusters drijft het woordspel op het rijm, en net als bij Kemp is geen combinatie taboe. Niet de ratio regeert, maar de klanken. `Winter aan boord' wordt dan: 'Op een vochtig laken / blijft het serviesgoed staan. / Als de glazen elkaar raken / zal het tafelblad vergaan.'

In zijn gedichten voor kinderen is die verwantschap met het oeuvre van Pierre Kemp zo mogelijk nog groter. De argeloze lol van het rijmen heeft in Salamanders vangen (1985) en Het veterdiploma (1987) vrij spel. Dat leidt tot verrassende combinaties als: `ik ben haar trein voorbij gestept. / Het is, denk ik, een rare wereld / als je te veel hersens hebt.' Of tot juweeltjes van plezierrijm als 'Een toespraak' ('Ben jij een meisje / met lange haren, / dan moet je / voor een kam / gaan sparen') en 'Het veterdiploma'.

In de `Verantwoording' achter in Zegelboom stelt Kusters dat hij geen onderscheid heeft willen maken tussen gedichten voor jonge en gedichten voor oudere lezers. In de laatste honderd pagina's van zijn verzamelbundel is dat onderscheid ook marginaal. Een gedicht voor volwassenen als `Pauweneiland' krijgt bij de kinderverzen een pendant in het intrigerende `Hoofdrekenen':

De komma gaat een plaats naar rechts.

Ze kon ook naar het westen gaan.

De komma gaat een plaats naar links.

De zon komt op. Dan gaat de maan.

Terwijl er amper woorden zijn gevallen lijkt het laatste woord gezegd. Diezelfde kracht van het `onaffe' maakt ook de essayistische `notities' in Zegelboom tot een poetisch genot.