Gewone rolstoel

Een vrouw in een rolstoel die aan karate doet. Paul de Leeuw vertoonde het gisteren in zijn nachttalkshow. Opgewekt en energiek vertelde ze hoe ze vlak na haar auto-ongeluk met deze sport was begonnen. Tijdens de revalidatie las ze boeken over deze sport en toen was ze ermee begonnen. Nu had ze een hele hoge graad en gaf ze les in karate.

Maar hoe ze het doet vanuit de rolstoel, kwam niet aan de orde. Bij karate denk je aan de zijwaartse trap met de hak en hoe moet dat nu als je alleen kunt zitten? Of kon ze haar stoel er wel voor uit? De Leeuw vroeg er twee keer beleefd naar maar kreeg geen bevredigend antwoord. Tegenover de vrouw in de rolstoel zat de Nederlander met de hoogste karate-dan, een oude, slanke, afgetrainde man.

Volledig gezonde mensen en gehandicapten bevinden zich in een double bind tegenover elkaar. Ze willen gewoon doen maar het kan niet. De gehandicapte kan niet met alles meedoen. Een vastzittende rolstoel moet worden vlot getrokken. Geen afspraken in cafes met toegangstrapjes. Maar te veel bezorgdheid duidt weer op verkeerde beeldvorming. Vandaar de naamsverandering van invalide naar gehandicapte.

De gehandicapte heeft het omgekeerde probleem van de multimiljonair die niet weet of zijn vrienden op hem of op zijn geld afkomen. Voor de rolstoeler is medelijden de munt die vriendschap belemmert. Er is geen andere oplossing dan gewenning. De zorgsector brengt zoveel mogelijk techniek in stelling om de gehandicapte zelfstandig en onafhankelijk te maken en dat is vooruitgang.

Op televisie brengen lichamelijke gebreken emoties die filmmakers op hun banden willen stollen.

Afgelopen dagen heb ik heel wat rollend materieel gezien. Behalve in het genoemde interview gingen twee documentaires over rolstoelers. De resultaten zeiden meer over de makers en hun denkbeelden dan over de gehandicapten.

Het Humanistische Verbond vergeleek woensdagavond in Later en straks zijn morgen geworden jonge, zwaar gehandicapte meisjes met een progressieve spierziekte met oude, gepensioneerde mannen.

Voor beide groepen is de dood nabij. Toch zijn ze onvergelijkbaar. De oude mannen konden reflecteren over hun rijke leven en stortten zich in nieuwe hobbies, zoals muziek, meubels maken en vogels kijken. De meisjes konden dat allemaal niet, want ze waren geheel van anderen afhankelijk. Sommigen zaten permanent aan beademingsapparaten. Ze waren nog wat jong voor zelfreflectie. Telkens opnieuw vroeg de maker aan een meisje of ze veel over de dood nadacht. Dat deed ze eigenlijk niet, behalve de twee keer toen ze met zware longontsteking in het ziekenhuis had gelegen. En ja ze probeerde er het beste van te maken en ze was ook wel eens gelukkig.

Dat “gewone geluk' werd scherper vastgelegd in het deel van Tamara Miranda uit het interessante vierluik Het leven, een feest. In de herhaling ging het gistermiddag over een reunie tussen twee oud-studenten van de foto-academie.

Een was topmodefotograaf in Parijs geworden de ander was door een auto-ongeluk totaal verlamd geraakt. Hij kon alleen zijn hoofd nog bewegen. “Vette pech', zei hij.

Nu moest hij anderen de foto's laten maken die hij bedacht. Zijn geslaagde vriend liet hij verspringend op de foto zetten. “Jeroen heeft grote stappen gemaakt in zijn leven', verklaarde hij, toekijkend. Even zag ik jaloezie opglanzen in zijn ogen. Zijn geslaagde vriend schminkte hem als lachende clown voor een andere foto. “Hij is helemaal niet ongelukkig, zo wil hij ook niet benaderd worden', zei de geslaagde vriend. “In mijn geval zou ik juist heel gelukkig moeten zijn wat niet altijd het geval is.' Toch, voor deze vrijwel totaal verlamde is het kleine geluk een dagelijkse verovering door grote krachtsinspanning. Zijn leven is geen feest hoe graag we dat ook willen.'