Geloof, liefde en wanhoop; De brieven van Abelard en Heloise

Abelard: De briefwisseling met Heloise. Vertaald, toegelicht en van aantekeningen voorzien door Chris Tazelaar, Ambo/Kritak, 512 blz. f99,50

Pierre Abelard moet ooit hebben gezegd dat het hem geen enkele moeite zou kosten een beter boek over logica te schrijven dan Aristoteles. Of hij deze uitspraak nu wel of niet heeft gedaan, ze is typerend zowel voor Abelard zelf (ca. 1080 - 1142) als voor de tijd waarin hij leefde.

De twaalfde eeuw was voor West-Europa een tijd van grenzeloos optimisme, van ondernemingszin en dadendrang, de tijd waarin het fundament gelegd werd voor de heerschappij van het Westen over de wereld. Boeren vertrokken uit de dorpen waar zij eeuwenlang als horigen gezwoegd hadden en emigreerden naar nieuw en vruchtbaarder land in Oost-Europa. In de handel werden fortuinen gemaakt en verloren. Aan de verre horizon lokte Jeruzalem, waar hemelse en aardse schatten te verdienen waren voor wie het grote avontuur aandurfde. Troubadours experimenteerden in hun gedichten met de liefde, filosofen peilden de diepten van het menselijk denken, en godzoekers stichtten utopische gemeenschappen, waarin de scheiding tussen hemel en aarde opgeheven leek.

Abelard en Heloise pasten precies in die tijd. Ze waren beiden originele denkers, door een stom toeval hebben ze elkaar ontmoet en werden ze op elkaar verliefd. Alleen in de twaalfde eeuw kon hun onconventionele liefde uitgroeien tot symbool van het rusteloze zoeken naar grenzen dat de eeuw kenmerkte. We weten van hun liefde, omdat Abelard ze heeft beschreven in zijn autobiografie en omdat er een paar brieven bewaard zijn gebleven die de geliefden, lang nadat alles voorbij was, aan elkaar geschreven hebben. Deze teksten zijn nu opnieuw in het Nederlands verschenen in een zorgvuldig geannoteerde uitgave. Tegelijk is er van Abelard een nieuwe biografie verschenen, geschreven door een van Engelands meest vooraanstaande medievisten.

Al in zijn vroege jeugd werd duidelijk dat Pierre Abelard een man was van de nieuwe tijd. Hij werd geboren rond 1080 in Bretagne uit adellijke ouders, hij was de oudste zoon en dus, op grond van eeuwenoude tradities, voorbestemd voor de krijgsdienst.

Maar zijn vader brak met die traditie en liet Pierre en zijn broers een literaire opleiding volgen. Dat was niet zo eenvoudig. We weten uit de geschriften van een tijdgenoot, de monnik Guibert van Nogent, dat er toen in heel Frankrijk nauwelijks een fatsoenlijke onderwijzer te vinden was. De jonge Pierre kreeg de smaak zo te pakken dat hij besloot van de letteren zijn carriere te maken, in zijn eigen woorden: `Ik heb het steekspel met argumentaties geprefereerd boven oorlogsonderscheidingen.' Hij raakte vooral gefascineerd door de studie van de logica die in zijn tijd, onder de naam van dialectiek, grote opgang maakte.

Aristoteles

Clanchy maakt in zijn prachtige biografie duidelijk dat voor Abelard en zijn generatie logica veel meer was dan een steekspel met de taal. Het was een nieuwe manier om de werkelijkheid te verkennen en te onderwerpen aan de greep van het verstand. Er was een geweldige zucht naar kennis in die dagen, maar de manier om haar te bevredigen was niet door experimenten uit te voeren, maar door eerst maar eens te gaan lezen in de grote klassieke auteurs, en te kijken wat zij gezegd hadden over de opbouw van het heelal, over de dode en levende natuur, over de menselijke geest en over God. Boeken die eeuwenlang op de plank gelegen hadden, werden gretig geraadpleegd, en waar de overlevering tekortschoot gingen enthousiaste jonge geleerden op zoek naar nieuw materiaal, vooral in Arabische landen zoals Spanje, waar de overlevering van de Grieken en Romeinen veel beter bewaard gebleven was dan in het Westen. Zo vond men nieuwe werken van Aristoteles over filosofie, natuurkunde en biologie, van Ptolemeus over sterrenkunde, en van Galenus over medicijnen.

Het waren werken die op hun beurt ook weer een totaal nieuw licht wierpen op de Bijbel en de kerkvaders.

Maar hoe meer materiaal men opstapelde en doorploegde, des te duidelijker bleek dat de grote geleerden van de Oudheid het op allerlei punten volstrekt oneens met elkaar waren geweest. Dat was destijds een groter probleem dan het nu zou zijn; maar weinig mensen konden lezen, en juist daarom werd het geschreven woord met grote eerbied benaderd. Ieder woord dat opgetekend was gold als een onwrikbare getuige van de waarheid. Hoe konden die getuigen elkaar dan tegenspreken?

Op dat punt begint het eigen denken en stijgen ze uit boven de klassieke modellen. De oplossing werd gevonden in de ontwikkeling van een logica, die wel zijn aanzetten vond in klassieke voorbeelden maar daar al gauw ver bovenuit steeg en tot een verfijnd analytisch instrument werd waarmee iedere taaluiting getoetst kon worden. Door toepassing van logica kon worden aangetoond dat de oude teksten elkaar niet tegenspraken maar dat ze allemaal op eigen wijze een uitdrukking waren van de waarheid der dingen (veritas rerum).

Niemand in de twaalfde eeuw beheerste die kunst van het redeneren beter dan Abelard. Vol trots vermeldt hij in zijn autobiografie dat hij al heel gauw zijn eigen leermeesters met `glasheldere rationele argumenten' dwong hun ongelijk te bekennen. Iets van die jeugdige overmoed heeft Abelard zijn hele leven bewaard. Hij is er altijd van overtuigd gebleven dat in de grond der zaak alle problemen tot de meest wezenlijke levensvragen toe, op te lossen waren, als je maar logisch nadacht. Abelards grote tegenspeler, de formidabele waakhond van Gods Kerk, Bernardus van Clairvaux, merkte ooit spottend op dat deze `alternatieve Aristoteles' wel alles leek te weten van de hemel en de aarde, behalve dat ene kleine woordje: nescio (ik weet het niet), een valse, maar vlijmscherpe karakterisering van Abelards naieve optimisme.

Verliefd

Dat onverbeterlijke vertrouwen heeft hem in de grootste moeilijkheden gebracht, juist op de twee terreinen waar het verstand het vrijwel altijd aflegt tegen de emotie: de liefde en het geloof. Zijn brille in het wijsgerig debat lijkt Abelard blind te hebben gemaakt voor Pascals simpele wijsheid dat het hart zijn redenen heeft die de rede niet kent. Clanchy maakt dat mooi duidelijk door zijn biografie in drieen te delen: eerst behandelt hij Abelard als succesvolle wijsgeer dan als noodlottig minnaar, en ten slotte als vervolgd theoloog.

In 1117 werd Abelard voor het eerst geconfronteerd met de grenzen van de rede. Terwijl hij in Parijs triomfen vierde als filosoof, werd hij verliefd op zijn leerlinge, Heloise. Tazelaar vermoedt, terecht naar mijn mening, dat het de eerste keer was dat hem zoiets overkwam. Hij viel dan ook voor haar als een baksteen. De twee begonnen een affaire die zo heftig werd dat zijn colleges er ernstig onder begonnen te lijden: `Spoedig was ik niets meer dan een man die oorspronkelijke gedachten, die anderen ooit hadden uitgesproken, voorlas. En als ik zelf al iets origineels bedacht dan waren dat liefdesgedichten, die niets te maken hadden met de geheimenissen der filosofie'.

Al gauw werd Heloise zwanger en zij beviel van een zoon. In tegenstelling tot de volkswijsheid dat het meestal de vrouw is die in dergelijke situaties op een huwelijk aandringt was het hier juist andersom. Het was Abelard die wilde trouwen, in het geheim natuurlijk, omdat hij anders zijn carriere wel kon vergeten. School en onderwijs waren in handen van de kerk en alleen ongetrouwde mannen konden daarbinnen werk vinden. Heloise wilde niets van een huwelijk weten omdat, zoals zij zelf zei, het voor haar minnaar gevaarlijk was en wat haar zelf betreft volstrekt overbodig: `Ik roep God als mijn getuige aan dat ik, indien Augustus, die over de hele aarde heerste, mij de eer van een huwelijk waardig zou keuren, het voor mezelf verkieslijker en waardiger zou vinden jouw bijzit te heten dan zijn keizerin'.

Voor haar was de liefde tot Abelard alles wat zij wilde.

De afloop is bekend: het paar trouwde in het geheim, maar Heloise's oom, en tevens haar voogd kon zich niet bij de feiten neerleggen. Hij nam wraak en liet Abelard overvallen en castreren. Heloise eindigde haar leven als non Abelard als monnik. Nog jaren later, als het allemaal al lang voorbij is schrijft Heloise aan Abelard: `De vervoering van de liefdeservaringen die wij beiden in elkaars armen genoten hebben, leeft nog altijd in mij als een zoete herinnering. Ik kan over die emoties geen enkele onvrede voelen en kan ze ook niet uit mijn gedachten bannen. Ik streef er meer naar jou welgevallig te zijn dan God'.

Conventies

In Heloise's woorden klinkt een andere passie door die, net zo sterk als de dorst naar kennis de twaalfde eeuw vervulde, namelijk de zoektocht naar een liefde die alle maatschappelijke conventies doorbreekt. De troubadours van die tijd bezongen hun liefde voor onbereikbare vrouwen. Chretien de Troyes verhaalde van de zoektocht van de dwaze, onnozele Parcival, die slaagde waar alle gewone ridders gefaald hadden: in het vinden van de Heilige Graal, het geheim van de liefde. De cistercienzermonnik, Aelred van Rievaulx, bezong de vriendschap tussen monniken onderling als een eerste stap op weg naar God, waar al zijn voorgangers daar alleen maar een dodelijk gevaar voor de kloosterlijke kuisheid in hadden kunnen zien.

Maar door zo Heloise's woorden te plaatsen in de bredere traditie van haar tijd komt ook een grote vraag op: hoe letterlijk kunnen wij haar woorden eigenlijk nemen? Tazelaar en Clanchy maken hier geen van beiden een probleem van. Zij beschouwen Heloise's noodkreten als de individuele expressie van haar diepste gevoelens.

Dat lijkt mij onmogelijk. Ik vermoed dat Heloise, net als alle andere middeleeuwers, haar emoties beschreef binnen de streng omschreven conventies van een topos, een literair cliche, in dit geval dat van het heimwee naar de onbereikbare geliefde, zoals ook de troubadours dat deden. Wij kunnen eenvoudigweg niet, ook niet in deze unieke correspondentie, doordringen tot de persoonlijke gevoelens van de twee geliefden, omdat beiden zichzelf uiteindelijk beschrijven als type: zij als de onvervulde minnares, hij als de door rampspoed achtervolgde filosoof. De een werd om haar liefde verworpen, de ander om zijn kennis.

Deze briefwisseling is geen middeleeuwse soap, maar een hooggestileerde literaire oefening, waarachter ons geen blik op het individu zelf meer gegund wordt, hoe teleurstellend dat ook moge zijn voor een generatie als de onze, voor wie het ontrafelen van menselijke relaties het belangrijkste onderwerp van conversatie is geworden. Pas rond 1800 hebben schrijvers als Jane Austen een taal ontworpen waarin individuele emoties bespreekbaar zijn. De middeleeuwers hebben een dergelijke taal nooit gekend, wat natuurlijk niet wil zeggen dat zij geen emoties gekend hebben, maar alleen dat zij die op een zodanige manier op schrift gezet hebben dat het persoonlijke eruit gefilterd werd en dus voor ons onbereikbaar is geworden.

Dat emotie wel degelijk een grote rol speelde blijkt op het andere terrein waar Abelard al even onhandig opereerde als op dat van de liefde: het geloof. Het grote verschil was dat de kerk onverbiddelijk terugsloeg, waar Heloise alleen maar kon treuren. Na het gewelddadige einde van zijn huwelijk was Abelard in 1119 ingetreden in het machtige klooster van St.

Denis vlakbij Parijs, de plaats waar van oudsher de Franse koningen begraven werden. Daar begon hij weer les te geven en met evenveel naief vertrouwen in de kracht van de rede het was alsof de hele zaak met Heloise hem niets geleerd had over de macht van het gevoel begon hij zich nu intensief te bemoeien met de theologie en het geloof.

Drievuldigheid

Omdat `de Heer mij in de theologie geen geringer inzicht leek te hebben gegund dan in de profane wetenschappen', stortte Abelard zich meteen op het grootste en meest omstreden geloofsgeheim van het christendom, de leer dat de ene God bestaat in drie personen, Vader, Zoon en Heilige Geest. Hij probeerde met rationele argumenten dat mysterie voor zijn studenten inzichtelijk te maken, immers `iets kon niet geloofd worden, als het niet eerst begrepen was'. Daarmee raakte Abelard direct aan het fundament van het gezag van de kerk, dat juist berustte op het ondoorgrondelijk karakter van het geloof.

De kerkelijke autoriteiten reageerden onmiddellijk en ontboden Abelard in 1121 naar een bijeenkomst van bisschoppen in Soissons. Hoewel Abelard zelf tevreden vermeldt dat wanneer het op argumenten aankwam er in de vergadering een pijnlijke stilte neerdaalde hielp hem dat op geen enkele manier. Hem werd duidelijk gemaakt dat de vergadering volstrekt niet geinteresseerd was in menselijke redeneringen of in Abelards opvattingen, maar alleen in woorden van gezag. Het eindigde er dan ook mee dat zijn boek over de Drievuldigheid werd verbrand en hij zelf werd veroordeeld.

Dat was nog maar het begin van Abelards confrontatie met de Kerk. In de jaren na 1130 kreeg hij niet langer te maken met domme bisschoppen, die hij kon aftroeven, maar ontmoette hij een tegenspeler die even briljant, origineel en gepassioneerd was en tegelijk zijn volstrekte tegenpool: Bernard van Clairvaux.

De confrontatie tussen Abelard en Bernard was een herhaling van wat twintig jaar eerder was gebeurd tussen hem en Heloise. Weer ontmoette hij iemand die intellectueel zijn gelijke was en niet bang voor hem was iemand ook die hem de beperktheid van de menselijke rede liet zien en die daarvoor in de plaats de onbegrensde kracht van de liefde stelde, die door geen verstand doorgrond kon worden. Alleen was het nu niet de liefde van man en vrouw, maar de liefde tot God, een emotie waarover Bernard kon spreken in een lyrisch proza dat in erotisch appel weinig onderdeed voor de liefdesgedichten van troubadours.

En weer stond Abelard machteloos. Het grote verschil was natuurlijk dat Heloise, ondanks de verwijten die zij hem maakte, van hem hield, terwijl Bernard al zijn kunsten om menselijke emoties te bespelen aanwendde om hem kapot te maken. Omdat Bernard de diepste wortel van Abelards ketterijen niet in zijn denken zag, maar in zijn losbandigheid en ijdelheid, schrok hij niet terug voor karaktermoord. In een brief aan een kardinaal in Rome beschrijft hij hem aldus: `Wij hebben hier in Frankrijk tegenwoordig een monnik zonder regel, een prelaat zonder verantwoordelijkheid, een abt zonder tucht namelijk Pierre Abelard, een man die alleen maar met kinderen praat en het houdt met de vrouwtjes.' We zagen al hoe hij Abelards ijdelheid op de korrel nam door hem een alternatieve Aristoteles te noemen, maar Bernards diepste verwijt is dat Abelard redeneerde over dingen die het verstand niet kan vatten en dat hij maar niet wil begrijpen dat de overgave aan God in het geloof een innerlijke zekerheid geeft die ver boven alle redeneringen uitstijgt. Iedere poging om Gods onbegrijpelijke liefde met het verstand te doorgronden moest volgens Bernard wel uitlopen op ketterij.

In 1140 vond de grote confrontatie plaats op een concilie in Sens, maar wat Bernards mooiste uur had moeten worden liep uit op een farce, omdat Abelard een beroep deed op de paus, waardoor het proces geen doorgang kon vinden. Maar Bernard was niet voor een gat te vangen. Voordat Abelard Rome kon bereiken, had hij zijn mensen in Rome gewaarschuwd en was Abelard door de paus veroordeeld zonder gehoord te worden. Abelard brak zijn reis naar Rome af en vond een toevlucht in de abdij van Cluny, waar hij zijn laatste jaren sleet onder bescherming van de machtige abt van dat klooster, Petrus Venerabilis.

Bernard had de slag gewonnen, maar niet de oorlog. Het was Abelards denkwijze, zijn rusteloze zoeken naar redelijkheid, naar begrip van de wereld en haar geheimen die het gewonnen hebben van Bernards mystieke benadering van de werkelijkheid. Al in zijn eigen generatie vertegenwoordigde Bernard eigenlijk alleen nog maar zichzelf, bewonderd door velen maar door weinigen nagevolgd.

Bernard vatte het verleden samen, Abelard opende een weg naar de toekomst. Hij heeft ons geleerd vragen te stellen en niets als vanzelfsprekend aan te nemen. De slagzin waarin hij zijn denken samenvatte: `Door te twijfelen komen wij tot onderzoek, en door onderzoek begrijpen wij de waarheid' kan als motto gelden van de hele wetenschappelijke ontwikkeling van Europa vanaf de twaalfde eeuw tot nu toe. Dat daarbij ook iets wezenlijks verloren is gegaan, een begrip van de dingen die niet in cijfers gevat kunnen worden laten de drie bedroefde brieven zien, die alles zijn wat ons van Heloise is overgebleven.