Geheimen, geruzie en gesol: CIA NL

WASSENAAR, 27 NOV. `Villa Maarheeze', Bob de Graaff en Cees Wiebes. SDU Uitgevers. ISBN 9012082196.

Historicus Bob de Graaff en politicoloog Cees Wiebes doken de afgelopen jaren in de historie van de Inlichtingendienst Buitenland. In hun boek `Villa Maarheeze' wordt de geschiedenis van de `Nederlandse CIA' geschetst.

De dikke groene kluisdeur in de kelders van de Wassenaarse Villa Maarheeze staat half open. Voorheen lag daarachter de zwaarbewaakte geheime informatie van de Inlichtingendienst Buitenland (IDB). Het hok is nu leeg. De meeste papieren hebben een paar jaar geleden hun weg enkele kamers verder naar de papierversnipperaars in de kelder gevonden.

De 'Nederlandse CIA' werd in 1994 door toenmalig premier Lubbers dood verklaard, maar niet alle geheimen konden voorgoed worden begraven. Een aantal is nu te boek gesteld in `Villa Maarheeze'.

De oorsprong van de dienst ligt in Londen, waar al tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gewerkt aan een apparaat dat de Nederlandse overheid moest gaan voorzien van informatie over buitenlandse mogendheden. In 1946 werd de Buitenlandse Inlichtingendienst (BID) in het leven geroepen, in 1972 omgedoopt tot Inlichtingendienst Buitenland (IDB). Pas in de jaren zestig erkende de Nederlandse overheid dat de dienst daadwerkelijk bestond.

Voor een inlichtingendienst die militaire, politieke en economische informatie uit verschillende uithoeken van de wereld moest verzamelen, had de IDB met haar zeventig vaste werknemers maar beperkte middelen in vergelijking met bijvoorbeeld de Amerikaanse CIA of de Britse MI6. Een deel van de IDB'ers fungeerde als runners die agenten recruteerden in het buitenland en voortdurend contact met hen onderhielden. Informatie werd door de runners vervolgens doorgestuurd naar de analisten van de dienst die de gegevens aanvulden met materiaal van diensten uit bevriende landen of met andere stukken. Uiteindelijk was er dan een dossier voor de regering.

Het hele proces onttrok zich volledig aan het oog van de buitenwereld, tenzij agenten door een ander land werden ontmaskerd als `spion'.

Dat was bijvoorbeeld het geval met de agenten Evert Reydon en Louw de Jager die tijdens een spionagereis in 1961 door de toenmalige Sovjet-Unie tegen de lamp liepen. De missie had het karakter van een routineoperatie, oordeelde het voor de IDB verantwoordelijke ministerie van Algemene Zaken later. De twee 'zeelieden' moesten tijdens een 'toeristische reis' in Zuid-Rusland informatie verzamelen over de ligging van raketinstallaties, militaire onderdelen, transport en andere strategische belangrijke objecten. Die reis was weinig gecamoufleerd en oogde vrij amateuristisch. Op de achterbank van hun auto lagen vier dure camera's met een telelens, met vijftig fotorolletjes en twee verrekijkers. De trip was bij de Sovjet autoriteiten niet onopgemerkt gebleven. De twee agenten werden gearresteerd toen ze via de Russisch-Tsjechoslowaakse grens huiswaarts wilden keren. De ontmaskering werd door de Russen wereldkundig gemaakt. De zaak Reydon/De Jager heeft de inlichtingendienst lang een slecht imago bezorgd.

Dat negatieve beeld was lang niet altijd terecht, meent Cees Wiebes. “Omdat alles wat de dienst deed strikt geheim was, is moeilijk in te schatten hoeveel succesvolle acties of blunders de dienst heeft begaan.' De auteurs zijn tijdens hun onderzoek behalve op de voorgenomen invasies van Suriname en de zaak-Smit op een zeer succesvolle actie gestuit. Het ging om operatie-Virgil, genoemd naar de runner die de codenaam Virgil droeg. Eind 1955 en begin 1956 onderhandelde Nederland met Indonesie in Geneve onder een zeer gespannen situatie over de toekomst van Westelijk-Nieuw-Guinea. Luns, de toenmalig minister van Buitenlandse Zaken was zeer goed op de hoogte van de instructies die de Indonesische delegatie kreeg vanuit de regering in Jakarta.

Virgil zou de Indonesier H. Roeslan Abdulgani hebben gerund, eerst secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse zaken in Indonesie en later zelfs de minister. Eind 1959, begin 1960 sloeg de IDB een meesterslag. Virgil had een acht centimeter dik Indonesisch aanvalsplan voor Nieuw-Guinea in handen gekregen. Indonesie zou drie tot vier jaar uittrekken voor de strijd om Nieuw-Guinea. Op basis daarvan stuurde Nederland onder meer het vliegkampschip Karel Doorman naar Indonesie. Uiteindelijk kwam Nieuw-Guinea in augustus 1962 zonder bloedvergieten onder VN vlag om later overgedragen te worden aan Indonesie.

De Inlichtingendienst heeft volgens Wiebes en De Graaff nooit een capabele leiding gehad. “Interne conflicten lopen door de historie van de dienst', zegt de Graaff. Zo was er het vertrek - vrijwillig en gedwongen - van verschillende hoofden van de dienst, de affaire Reydon en De Jager, de opheffing als zelfstandige dienst en de plaatsing van de IDB tussen 1970 en 1972 bij Defensie voortdurend vertrekkend personeel en deining rond het laatste hoofd van de dienst, K.M. Meulmeester. Twee IDB-functionarissen stapten naar de ambtenarenrechter, omdat zij na naar de pers gelekte informatie over Meulmeester van de ene op de andere dag te horen zouden hebben gekregen dat ze direct werden overgeplaatst naar het Midden-Oosten.

Binnen de dienst ging verder het verhaal dat Meulmeester zou hebben gefraudeerd en het personeel zou hebben afgeluisterd. Sommige IDB'ers zochten de aanval via de pers. Door lekken naar de pers lag de interne strijd op straat. In officiele rapporten van de Rekenkamer werden de aantijgingen tegen Meulmeester ontkracht en ook premier Lubbers nam het hoofd van de dienst in bescherming.

Uiteindelijk besloot Lubbers in 1994 om de dienst op te heffen. “Wij hebben geconstateerd dat de noodzakelijke vertrouwelijkheid rondom de IDB is geschaad; in de contacten met name met sommige buitenlandse diensten is gebleken dat voortzetting van een aantal werkzaamheden daarom niet meer verantwoord is', zei Lubbers destijds. Het werk van de IDB wordt nu - op kleine schaal - uitgevoerd door een handjevol mensen bij de BVD en de Militaire Inlichtingendienst.

Volgens De Graaff was de sfeer binnen de dienst ook uiteindelijk een van de redenen dat de IDB uiteindelijk is opgeheven. “Als je voor je werk mag liegen en bedriegen ga je dat op een gegeven moment ook naar elkaar toe doen. Het heeft altijd ontbroken aan een sturing van de dienst en dat is uiteindelijk fataal geworden.'

De reactie van K.M. Meulmeester in een nawoord is tekenend voor het geheime karakter van de IDB: “Ik wil dan ook benadrukken dat de beschrijving van de BID/IDB (...) op een aantal punten niet correct is. Hoe graag ik ook deze onjuistheden zou willen weerleggen, dit is niet mogelijk, alleen al omdat mijn geheimhoudingsplicht mij belet op bepaalde feitelijkheden en conclusies in te gaan.'