Een onbehoorlijke missionaris op het cricketveld; W.G. Grace (1848-1915)

Simon Rae: W.G. Grace. Faber, 548 blz. f79,60

Toen Koningin Victoria in 1901 overleed, werd W.C. Grace onbetwistbaar de meest aanzienlijke Engelsman uit het Victoriaanse tijdperk, schrijft Simon Rae. Een marktonderzoek zou wellicht uitwijzen dat hij die plaats nog steeds bezet. Zijn portret zal door de meeste Engelsen in ieder geval meteen herkend worden. Die zwaargebouwde man met zijn grote baard, dat is hem, geen twijfel aan. Om het makkelijk te maken draagt hij bovendien op bijna alle foto's de witte cricketkleren waarin hij tot zijn zestigste jaar voor het publiek is opgetreden.

In landen waar geen of weinig cricket gespeeld wordt, zoals Nederland, zullen maar enkelen hem herkennen. Heel erg is dat niet. In een serieuze geschiedenis van de Engelse beschaving in de tweede helft van de negentiende eeuw mag Grace desgewenst worden overgeslagen. Pas als iemand zich het openbare leven van die periode gaat voorstellen hoort hij erbij. Cricket was de voornaamste sport, nog niet overstemd door voetbal. Het was de tijd dat in ernst geopperd kon worden dat het verbreiden van cricket een voornaam middel zou zijn om de kolonien te beschaven. It's not cricket, is een uitdrukking die vanouds niet alleen betekent `het is onsportief' maar ook: het is onbehoorlijk. Hoe meer bewoners van onderontwikkelde landen op het cricketveld leerden zich fatsoenlijk te gedragen, hoe zonniger de toekomst van de wereld zou zijn.

Cricket was niet alleen een populaire sport voor welgestelden, zoals in het buitenland soms gedacht werd omdat de witte lange broeken er zo voornaam uitzagen. Op het hoogste niveau speelden zowel de gentlemen, die amateurs waren, als de players, die ermee in hun levensonderhoud voorzagen. Zij speelden met elkaar, en in verscheidene jaarlijkse wedstrijden ook tegen elkaar. Als ze samen in een team zaten, bleef in onnavolgbaar Engelse stijl het standsverschil erkend. Zij hadden afzonderlijke kleedkamers, en bij de notering van hun prestaties op scorekaarten en in de kranten kregen de amateurs hun voorletters voor de namen, terwijl de profs alleen met achternamen werden aangeduid. Als er twee Browns in een elftal speelden die allebei prof waren kregen zij hun voorletters achteraan: Brown J. en Brown W.

Het is nu een andere wereld; de gelijkheid is er doorgedrongen, Brown J.

is J. Brown geworden. Bovendien is de belangstelling voor de sport danig afgenomen. Geen cricketer geniet nu meer het aanzien van W.G. Grace, `dr. Grace' zoals hij vaak genoemd werd, honderd jaar geleden.

Grace was inderdaad dokter. Hij had in elf jaar een medische studie voltooid vertraagd natuurlijk door zijn verplichtingen op het cricketveld. In de winter werkte hij in zijn praktijk bij Bristol. 's Zomers had hij er viereneenhalve maand lang een vervanger in. Wie zich afvraagt of hij in de resterende maanden als arts genoeg verdiende om zijn gezin in de zomer te onderhouden, maakt zich onnodig zorgen. De betaling van amateurs het shamateurism, was al gebruikelijk. Grace verdiende heel wat meer aan zijn sport dan de professionals van zijn elftal. ``Als u het teveel vindt wat ik vraag en niet in aanmerking neemt dat u meer toegangsgelden ontvangt wanneer ik meedoe, dan zien wij ervan af,' zei hij tegen organisatoren.

In 1895, toen hij een tournee door Australie ging leiden, verlangde hij ú3000 plus onkosten, het equivalent van ongeveer vierhonderdduizend gulden nu. Hij kreeg het ook, met het argument dat de Australiers, hoewel niet onderontwikkeld, tot rebellie en republikanisme neigden en meer plezier in het Empire moesten krijgen. De professionals in het gezelschap ontvingen ú300 de man.

Grace hielp de Australiers niet van hun republikanisme af. Hun gevoel voor hem was minder warm dan het Engelse. De afstand tussen amateurs en profs maakte een onaangename indruk. Ook liet Grace zich soms van een onbehoorlijke kant kennen op het veld, wanneer hij umpires probeerde te intimideren en hun beslissingen bestreed. `Tot mijn spijt, want ik heb het vaak voor Grace opgenomen,' schreef de meest tolerante van de Australische cricketreporters, `moet ik toegeven dat hij al het lelijks dat er over hem gezegd is aan zichzelf te wijten heeft.'

In Engeland bleef de beoordeling gunstiger uitvallen. Grace's records als batsman en zijn ook opmerkelijke prestaties als bowler, al toen hij achttien was, meer nog toen zijn talent rijpte en nog steeds op zijn vijftigste, met daarbij de uitbundige baardgroei die geen andere cricketer vertoonde, verzekerden hem van sympathie als openbare figuur.

In W.C. Grace van Simon Rae komt de lezer nu en dan nader tot hem. Het had meer kunnen zijn als Grace brieven en dagboeken nagelaten had. Er zijn er waarschijnlijk geen. Grace was geen man van het geschreven woord. Een boek lezen deed hij nooit. Zijn Cricketing Reminiscences zijn opgeschreven door een journalist die moeite had om hem zijn gedachten in samenhang te laten vertellen.

De biograaf was dus aangewezen op mededelingen en aanmerkingen van naasten en medespelers. Die zijn niet talrijk. Misschien had Rae er meer kunnen opsporen, en was hij te snel tevreden met cricketscores en krantenverslagen. Als gevolg daarvan is zijn boek alleen te begrijpen voor kenners van de cricketsport. Het gaat steeds over 100 runs hier en 139 daar, 5 wickets voor 73 in de eerste innings en nog eens 3 voor 38 in de tweede; net genoeg voor een overwinning, maar de week daarna, ondanks 51 runs in de eerste innings en 80 in de tweede...

Er staan te veel cijfers in, zelfs voor liefhebbers. Rae zou een verkorte versie van zijn boek moeten maken: 50 pagina's in plaats van 500, waarin hij zich beperkt tot het karakter van Grace en zijn betekenis in de dominerende Engelse beschaving van de negentiende eeuw.

Het zou lezenswaardig zijn, want ook wie nooit van deze cricketer gehoord heeft, zal zich het land waarin hij leefde onvolledig voorstellen.

With the beard of a Goth or a Vandal

His bat hanging ready and free

His great hairy hands on the handle

And his menacing eyes upon me

- zo werd hij beschreven door Conan Doyle, de schepper van Sherlock Holmes, die enige malen tegen hem gespeeld had. Zo leeft hij voort in de geschiedenis van het Engelse alledaagse leven.