Een gevilde rat; Eenvoud misleidt bij beeldhouwer Tom Claassen

Onlangs verscheen een monografie over het werk van Tom Claassen. Uitg.Galerie Fons Welters, 60 blz. Prijs f35,-. ISBN 90-804300-2-1. De olifanten langs de A6, Almere richting Lelystad, zullen te zien zijn vanaf oktober 1999. Dat leek me mooi, vijf enorme Hannibal-beesten die uitkijken over de A6 Fonteinen zijn eigenlijk stomme dingen; ze spuiten altijd omhoog

Nu is hij nog bekend van de kwijlende hond in Tilburg, volgend jaar verrijzen er vijf olifanten van zeven meter hoog langs de A6. Beeldhouwer Tom Claassen mag graag relativeren, maar zijn spel met huid en vulling is serieus van aard.

Piusoord in Tilburg wilde een fontein, ze vroegen Tom Claassen en die zette een kwijlende hond op het grasveld. Daar staat hij nu twee jaar; een groot, bronzen dier met rechthoekige flaporen, een ronde snuit en knoestige poten, turend in de richting van een boom met een rood vogelhuisje. Loopt er een wandelaar langs dan wordt er een elektronisch oog geactiveerd en begint de hond uit zijn bek te `kwijlen': een aangenaam straaltje, dun en sijpelend, dat diep uit het binnenste van het beest precies op de goede hoogte om water uit te drinken of je handen af te spoelen. “Fonteinen zijn eigenlijk stomme dingen', zegt Claassen “want ze spuiten altijd omhoog. Daardoor kun je er nooit uit drinken of je handen onder wassen zonder jezelf onder te spatten. En dan raakt het gat ook nog eens verstopt door bladeren en andere troep. Daarom besloot ik het gat te verbergen in de bek van een beest. En waarom ik er nou net een hond van heb gemaakt... dat zal wel komen doordat je met beesten gemakkelijk contact kunt leggen, dat je er net als bij een mens eigenschappen aan kunt toedichten.'

Daar slaagt hij blijkbaar goed in, want sinds enkele jaren begint Nederland steeds meer op de dierentuin van Tom Claassen te lijken, waarin het voor de overige bewoners aangenaam toeven is. De Bredase beeldhouwer (34), klein van stuk en met een vriendelijke blik, is bij overheid en bedrijven een van de meest gevraagde buitenbeeldhouwers van dit moment, en meestal willen die zijn beesten. In Utrecht, op het plein de Plantage, zette Claassen een tweeeneenhalve meter hoog paard neer; in het Rozenprieel in Haarlem staan op een richel vier moddervette vogels, elk bijna een meter hoog, met een gouden kralenkettingen om hun nek en bij het Hojel-gebouw naast de Jaarbeurs in Utrecht zal volgend jaar een enorm konijn, rechtop met zijn kont op een kussen verrijzen.

Vorige maand kreeg Claassen bovendien zijn grootste opdracht tot nu toe: een groep van vijf polyester olifanten, elk zeven meter hoog, 6.90 meter dik en elf meter lang, die in oktober volgend jaar naast de A6, Almere richting Lelystad zal verrijzen.

Van die opdracht is Claassen nog steeds wat ondersteboven, al is het maar omdat er een bedrag van acht ton mee is gemoeid - voor de beeldhouwer zoveel geld dat hij aanvankelijk niet goed wist wat hij zou maken. “Toen me was gevraagd mee te doen aan de competitie voor die opdracht heb ik wel vijf projecten bedacht,' zegt Claassen. “Eerst wilde ik net zo'n hond maken als in Tilburg, maar dan vijfentwintig meter hoog en van golfplaat, want dan had ik 'm `de ijzeren hond van Almere' kunnen noemen, naar analogie van `de ijzeren man' in Den Bosch. Maar ik had al een hond, dus toen bedacht ik achtereenvolgens een middeleeuws fort van polyester, een beeld van een auto in de vangrail (dat vond Rijkswaterstaat niet zo'n goed idee) en een beeld van een karretje met een olifant erop. Pas daarna kwam ik op een groep olifanten. Dat leek me mooi, vijf van die enorme Hannibal-beesten die uitkijken over het verkeer dat door de polder raast.'

Officierskantine

De modellen voor de olifanten, zo'n dertig centimeter hoog, staan nu nog in Claassens atelier, dat is gevestigd in de voormalige officierskantine op het Chasse-terrein in Breda. Wat opvalt aan de gipsen beesten is dat ze weinig gedetailleerd zijn. Beeldhouwers laten zich bij dieren vaak verleiden om de karakteristieke huid zo goed mogelijk na te maken (een woud van plooien bij een olifant, een vacht bij een hond of koe); de buitenkant van Claassens olifanten is juist glad en zo goed als zonder structuur.

Dat ze toch direct olifanten zijn komt vooral door de grote oren, het minieme staartje en de bonkige poten die met moeite op het massieve blok gips lijken te zijn gewonnen. De beesten worden er des te indrukwekkender door - of Claassen een blok gips heeft genomen en daar overheen met moeite een nauwelijks gestileerd stuk olifantenvel heeft weten te trekken.

De olifanten zijn typisch voor het werk van Claassen, die een veel formelere beeldhouwer is dan je zou verwachten uit zijn voorkeur voor vriendelijke, soms wat karikaturale beesten. Met aanstekelijk enthousiasme kan hij vertellen over de technieken waarmee je een dier het beste kunt modelleren, of de problemen die zich voordoen wanneer je een volledige badkamer in latex wilt afgieten (`altijd zorgen dat er aan de buitenkant ook deurklinken zitten'). Het zo goed mogelijk namaken van beesten of voorwerpen kan hem weinig schelen (`iets wat al bestaat hoef ik niet meer te maken') en dat is meteen de belangrijkste reden waarom Claassens paard wel wat van een koe heeft en zijn rat ernstig op een nijlpaard lijkt. De beeldhouwer is vooral geinteresseerd in het oppervlak van een beeld, in het bijzonder in de manier waarop je met de buitenkant van een beeld de binnenkant kunt suggereren.

Niet voor niets heeft Tom Claassen al verschillende werken gemaakt waarbij je als toeschouwer onvermijdelijk moet denken aan de beestenvellen die je in strips en soap-series voor de open haard ziet liggen. De bekendste daarvan is een reeks leeuwen van zand. Claassen modelleert ze voor iedere tentoonsteling opnieuw en ze liggen dan als haardkleden in de tentoonstellingszaal. In 1992, in de Amsterdamse Oude Kerk, maakte hij maar liefst vijf leeuwen die knus tegen elkaar waren aangekropen; vorig jaar, in de Bergkerk in Deventer, leek het zandkleed nog het meest op een leeuw die zover was uitgewalst dat hij wel twintig poten had gekregen.

Dat ze overduidelijk los zand waren maakte ze des te spannender: de toeschouwer beseft dat de minste wind de fragiele sculptuur zal verstoren. De vraag rijst bovendien of deze beelden eigenlijk nog wel beelden zijn: volume en inhoud, de karakeristieke kenmerken van de beeldhouwkunst, zijn bij de leeuwen zo goed als verdwenen - ze zijn nauwelijks dikker dan een stevig schilderij.

Krokodil

Die spanning tussen oppervlak en volume is ook goed te zien in het spectaculairste beeld dat Claassen het afgelopen jaar maakte: een tien meter lange en drie meter brede rat, of krokodil of platgedrukt nijlpaard die op de kunstbeurs in Keulen in de stand van zijn galerie was geperst. Het beest zag er niet alleen intrigerend uit door zijn lengte en zijn merkwaardig ingedeukte lijf, maar vooral door zijn huid: die leek gemaakt uit een mengsel van zand en jute. Bruin en aaibaar was hij, maar daarvoor toch te glanzend. In Claassens atelier ligt de `oermoeder' van het beest: een enorme berg zand (zes kubieke meter volgens de kunstenaar) waarin de contouren van de rat nog te onderscheiden zijn. Tevreden vertelt Claassen hoe hij het beest heeft gemaakt: allereerst heeft hij het beest in zand gemodelleerd, vervolgens heeft hij er een dunne, egale laag latex overheen gespoten. Om het beeld stevigheid te geven legde hij daar weer twee lagen vitrage overheen waarna een nog dikkere laag latex volgde. Toen het geheel was opgedroogd kwam de grote truc: Claassen stroopte de huid van de zandrat af en keerde die binnenste buiten. Zo werd de binnenkant, zacht en weerbarstig door de indruk die de zandkorrels op de latex hadden achtergelaten, de buitenkant van het beest. Dat beest was zelf intussen niet meer dan een enorme zak: een gevilde rat.

Om het dier iets van zijn waardigheid terug te geven, vulde Claassen hem vervolgens met piepschuimkorrels en exposeerde hij hem met gespreide poten. “Ik wilde het idee wekken dat er vivisectie op hem was gepleegd. Hij moest eruit zien als zo'n beest van de biologieles, opgeprikt op een plankje, zo'n dier waaraan mensen zitten te poeren en te voelen. Daarom was het ook belangrijk om 'm binnenste buiten te keren. De originele rat, met de gladde buitenkant, was het beest dat nog leefde. Toen ik 'm had omgedraaid was-ie dood.'

Claassen noemt het spelen met huid en vulling zelf het `kostschool-alibi-systeem': de suggestie dat er in zijn beelden iets of iemand zit opgesloten die ze van binnenuit manipuleert. Het letterlijkst gebeurt dat in het dekbed dat Claassen twee jaar geleden maakte. Op het eerste gezicht oogt dit beeld, nauwelijks meer dan een zak van siliconenrubber, als een dekbed dat achteloos op de grond is gegooid. Pas na even turen herken je vaag de lichaamsrondingen van een mens en besef je dat er iemand onder zou kunnen liggen. “Precies zoals kostschool-jongens dat doen in Engelse films,' meent Claassen. “Als ze er 's nachts stiekem tussenuit willen, stoppen ze kussens en kleren in de vorm van hun lichaam onder de dekens zodat de leraar denkt dat ze in hun bed liggen te slapen.'

Duckstad

Het aangename aan het werk van Claassen is dat je zulke fantasieen niet alleen kunt loslaten op het dekbed, maar ook op de beelden waarbij dit minder voor de hand ligt. Zo lijkt het of er bij de vier vogels in Haarlem iemand naar binnen is gekropen die ze als ballonnen van binnenuit heeft opgeblazen, terwijl de rat er uitziet of er iemand in zit die zijn lijf heeft leeggezogen opgegeten, waardoor alleen zijn buitenkant overbleef.

Daardoor hebben zijn dieren vaak ook iets karikaturaals: ze zien er niet alleen uit als parodieen op traditionele dierenbeelden (de vogels zijn baronesssen uit de dames-societeit van Duckstad, zijn paard een perfecte metgezel voor Obelix) ze nodigen ook uit er je eigen verhaal bij te bedenken. Dat geldt niet alleen voor zijn dieren, maar bijvoorbeeld ook voor de drie levensgrote auto's die Claassen in 1994 bij galerie Welters exposeerde. Die lagen door de ruimte verspreid alsof ze zojuist fataal in botsing waren geweest. De auto's waren van gips, maar zagen er uit of ze van wit schrijfpapier waren, dat door het geweld van de botsing in de kreukels was geraakt. Claassen: “Ik stelde me voor dat een goddelijk wezen de galerie van Fons, die vroeger een garage was, als een schoenendoos had opgepakt en met auto's en al eens flink door elkaar had geschud. Dan zou het er ongeveer zo hebben uitgezien als op mijn tentoonstelling.

“Die grappen en anecdotes komen vooral voort uit m'n eigen onzekerheid. Vergis je niet: het is nogal een daad om een deel van een straat of een plein te vullen met een beeld dat daar min of meer permanent blijft staan zeker als ze zo groot zijn als die van mij. En ik wil de vrijheid houden om ze zo groot te maken, want de letterlijke weergave van een beest vind ik niet interessant. Maar daarom wil ik wel dat ze zichzelf een beetje relativeren, dat ze het publiek laten zien dat ze niet al te ernstig moeten worden genomen. Bijna als een excuus.'

Dat die onzekerheid ongegrond is, bleek in september, toen Claassen in Nijmegen voor de tweede keer zijn `ballon' exposeerde. Bij het Psychiatrisch Centrum Nijmegen werd een zes meter lange `rubber boot' van beton onthuld, Claassens eigen Ark van Noach.

Bij die gelegenheid werd er in de instelling ook een kleine tentoonstelling van zijn werk georganiseerd. Daar was ook de `ballon' te zien: een latex-bal van ruim drie meter doorsnee, die telkens opnieuw moest worden opgepompt en werd vastgeklemd onder het plafond van de tentoonstellingsruimte. De bal was ruw en aaibaar aan de buitenkant maar je kon ook zien dat hij van binnen glad en volmaakt was. Als toeschouwer kreeg je het verlangen in de bal te kruipen en je veilig afgesloten van de buitenwereld te voelen. Een van de patienten raakte zo enthousiast over de enorme, moederlijke bal dat hij er met zijn volle gewicht op dook, alsof het een springkussen was. Tegen zoveel genegenheid was het beeld niet opgewassen. De ballon knapte met een dreun uit elkaar: plotseling was de inhoud verdwenen, de lap latex bleef achter als de huis van een verveld reptiel. Het beeld was weer terugebracht tot louter oppervlak. Claassen heeft het maar zo gelaten. “Eigenlijk vond ik het wel toepasselijk.'