Diplomaten in opstand

EFFICIENCY-OPERATIES bij de overheid circuleren al sinds het begin van de jaren tachtig in Den Haag. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is daarvan altijd gevrijwaard geweest: de begroting van Ontwikkelingssamenwerking, het grootste deel van de BZ-begroting, groeide jaarlijks mee met het bruto nationale product. Wel was `BZ' in de vorige kabinetsperiode de speelbal van een reusachtige reorganisatie, de herijkingsoperatie. Dit was in essentie een politiek akkoord tussen PvdA VVD en D66 om onenigheid over de herziening van de financiele prioriteiten tussen diplomatie, defensie en ontwikkelingshulp te verpakken in een nieuw organisatieschema.

De herijking was het werk van de vorige bewindslieden op BZ Van Mierlo en Pronk. Het project heeft veel overhoop gehaald en veel van de departementsmedewerkers gevergd. De nieuwe werkwijze is ondoorzichtig en vraagt om nog meer bureaucratie. Vermoedelijk zal de herijking over enige tijd worden afgeschreven als een van de grote ambtelijke organisatorische mislukkingen. De vorige twee bewindslieden waren politici en niet geinteresseerd in het management van een grote organisatie. De ambtelijke top van het departement is bestuurlijk ronduit zwak.

NU ZITTEN ER TWEE andere ministers op Buitenlandse Zaken, Herfkens en Van Aartsen. Er is niet vanzelfsprekend meer geld beschikbaar, er moet ook bij BZ worden bezuinigd. De bewindslieden rekenen af met de erfenis van hun voorgangers. Van Aartsen door Suriname niet langer als het zwaartepunt van de buitenlandse politiek te beschouwen, Herfkens door drastisch het mes te zetten in de hobbytuin van hulplanden. Dat zijn verstandige beslissingen.

De nieuwe bewindslieden zijn er in geslaagd om in recordtijd ruzie te krijgen met het personeel. De gevoeligheid is groot en de irritatiedrempel ligt laag. Met name Van Aartsen heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden toen hij in een vraaggesprek zei dat de traditionele carrieremethodiek op het departement moet worden doorbroken. Dat was tegen het zere been van de diplomaten. Inmiddels heeft de Ondernemingsraad van het ministerie zich achter de kritiek van de Vereniging van de Dienst Buitenlandse Zaken geschaard. De loyale ambtelijke en diplomatieke dienst komt in opstand.

DE ONVREDE is begrijpelijk omdat, na de organisatorische chaos die het door de politieke leiding opgelegde project van de herijking heeft aangericht het departement in rustiger vaarwater hoopte te komen.

Nu worden er nieuwe reorganisaties in het vooruitzicht gesteld, zonder dat daarbij eerst wordt aangegeven wat de prioriteiten van de nieuwe politieke agenda zijn en wat de gevolgen daarvan voor het personeel zijn. Er worden haastige bezuinigingsplannen gevraagd aan de ambassades waarbij niet naar inhoudelijke maar slechts naar boekhoudkundige argumenten wordt gekeken. Ten slotte wekt de manier waarop slecht functionerende topambtenaren kunnen worden weggepromoveerd naar soms zware diplomatieke posten in het buitenland wrevel.

Buitenlandse Zaken is niet immuun voor veranderingen. Het ongebreidelde hobbyisme van de vorige ministers of de veranderde internationale verhoudingen geven alle aanleiding om afdelingen, projecten of prioriteiten te herzien. Het is verstandig om daarmee te beginnen, en dan pas het personeel lastig te vallen. Van Aartsen en Herfkens hebben goede voornemens, maar ze zijn gewaarschuwd.