Dictee

Soms komen alle dingen samen waar je een hekel aan hebt. Mij gebeurde dat afgelopen zaterdag in de Volkskrant.

Ik heb hier wel eens geschreven dat mijn schooltijd is vergald door een zekere mate van woordblindheid. Lezen kostte moeite en voor dictee haalde is steevast een dikke onvoldoende. Het was een dagelijkse kwelling. Het ging niet eens om de juiste spelling, maar om verkeerde samenstellingen, om omdraaiingen of om kleine woordjes die wegvielen. De eindredacteur die mijn stukje persklaar maakt, weet dat het mij nog steeds overkomt, maar door training is het in de loop der jaren minder geworden.

Dyslexie heet dat tegenwoordig, een chic woord dat vroeger niet bestond. Een onoverkomelijke hindernis bleek het later niet te zijn, maar toen was hij hoog genoeg om mijn zelfvertrouwen aan te tasten. Op de middelbare school ging het dan ook onmiddellijk mis. Van het lyceum moest ik spoedig af en nadat mijn talenten door de Schulbehörde waren gemeten, kwam ik terecht op wat toen `de tweede driejarige' heette. Dat was een driejarige HBS, die bestond uit een lange rij fietsenhokken en een verzameling treurig ogende noodgebouwtjes. Elke morgen zette mijn vader zijn dubbelloops jachtgeweer op mijn slaap om mij te bewegen toch maar weer naar school te gaan.

Omdat die noodgebouwtjes waren opgetrokken uit bordkartonnen houtvezelige platen begon het te stinken zodra de zon erop scheen en de boel indroogde. Van het lerarenkorps herinner ik mij vooral de leraar geschiedenis. Hij was wanstaltig dik en grof. Gewoon praten kon hij niet, hij kon alleen maar brullen. Als in de zomer de ramen openstonden, kon je hem al van verre tekeer horen gaan,

zodat de aandrang om het

fietsstuur — twee essen, Pam! — te wenden in de richting van

bioscoop of schaakcafé onweerstaanbaar werd.

Als hij stampend door de klas zijn proefwerkvragen verordonneerde, stond hij ook altijd plotseling achter je. Dan draaide hij je oor om. Ja, het was hem heus wel opgevallen dat je stiekem had afgekeken! Dagenlang liep je met een pijnlijk oor rond. Ook heb ik nog nooit zoveel zinloos strafwerk moeten maken als onder zijn regime. Dom overschrijfwerk moest het zijn, bladzijden lang, die dan onmiddellijk werden verscheurd als je ze kwam inleveren. Mijn interesse voor de geschiedenis heeft hij bijna weten te doven en het heeft zeker vijftien jaar geduurd voordat ik weer wilde weten wat er bij de Vrede van Versailles was afgesproken.

Henk Vonhoff was de naam van de geschiedenisleraar. In het onderwijs heeft hij het niet uitgehouden, want ik had de school al achter mij gelaten toen hij opdook in de politiek. Kennelijk was dat meer de plaats om zijn ambities te laten floreren. Daarna ben ik hem noodgedwongen blijven volgen. Zo kwam ik hem weer tegen toen ik een paar jaar in Utrecht woonde en hij daar ineens burgemeester werd.

Je zag het onmiddellijk aan de stad. De mooie singels werden afgebroken en voor vele miljoenen werd een projectontwikkelaar ingehuurd om de platgewalste — het walsen is met een es, Pam! — binnenstad opnieuw in te vullen. Het resultaat was helemaal Vonhoff: dik, brallerig, protserig. Het zijn geen noodgebouwtjes meer, die daar staan in Hoog Catharijne, maar kantorenflats. Toch hoor ik, telkens als ik daar aankom, het gebrul uit al die ramen, hoewel geen daarvan in de zomer open kan. Onlangs las ik dat men grote delen van Utrecht weer wil afbreken om iets van de oude glorie te herstellen.

Mijn herinneringen zullen wel gekleurd zijn door mijn eigen falen, maar het heeft mij altijd verbaasd dat Vonhoff werd aangezien als een verlichte geest in de VVD. Het schijnt dat hij zelfs een studie heeft gemaakt van Thorbecke. Arme Thorbecke.

Welnu, in de Volkskrant van afgelopen zaterdag las ik dat Henk Vonhoff juryvoorzitter is geworden van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Het Grrroot Dicteeee derrr Nederrrlandse Tàààààl, ik hoor het hem uitspreken. Een vloedgolf die uit de huig tevoorschijn rolt als een niet te stuiten modderstroom. Het blijft een stompzinnig evenement, maar wat een typecasting.