De wil tot huiveren; Verhalen van Manon Uphoff

Manon Uphoff: De fluwelen machine. Podium, 155 blz. f29,90

De wereld zou zich heel wat onplezieriger aan ons vertonen dan ze toch al doet als wij niet heimelijk konden genieten van verschrikkingen. Het autowrak van een prinses, het hoofd dat net onder een schoen van Dani is terechtgekomen, een orkaan die hele landstreken verwoest - je kijkt ernaar en toont je afgrijzen en voelt dat soms ook echt, maar ergens in de maagstreek of nog lager is er tegelijk die ongevraagde tinteling die zich niet laat negeren. Je kijkt niet weg, je wilt integendeel wel meer zien en al staat je dat misschien niet fraai, je houdt het niet goed tegen. Het is de natuur en je aanvaardt het op den duur als vanzelfsprekend.

Tot je er echt over na gaat denken. Want wat is dit voor een neiging? Sensatiezucht? Maar dat is meer een aantijging dan een verklaring. Leedvermaak? Maar dan zou je de slachtoffers hun leed moeten toewensen en dus van tevoren al een hekel aan ze moeten hebben. Sadisme dan? Maar dan zou je het leed zelf willen aanrichten en niet geduldig wachten tot er een orkaan opsteekt. Dus hoe moet je dit zien?

Het is een vraag die ook bij veel kunst van de laatste jaren rijst, want de verschrikkingen zijn daar niet van de lucht. Er leeft in onze wereld kennelijk een meer dan gewoon verlangen om te gruwelen, of beter huiveren en kunstbeschouwers springen daar verheugd bij op, want de esthetica heeft daar een term voor. Huiveren om het vreeswekkende staat sinds de Romantiek te boek als een ervaring van het sublieme. Een ervaring aan de grens, met andere woorden - die van de schoonheid, van de moraal en van de menselijkheid in het algemeen. Dat zoeken wij dus, mogelijk. Maar als dat al waar is, is het nog geen antwoord op de vraag. Want wat is het dan dat ons daar in aantrekt?

In het eerste verhaal van haar nieuwe bundel De fluwelen machine speelt Manon Uphoff op dat soort vragen in. Ze geeft het woord aan een Siamese tweeling, `griezelig' en `prachtig' tegelijk, die heeft ontdekt dat er een markt is voor dubbelzinnigheid. Over de hele wereld zijn er immers `filmregisseurs die ons, buitengewone opvallende, misvormde of afwijkende mensen gebruiken of zelfs nodig hebben om hun artistieke of filosofische ideeen uit te beelden'. Ze verhuren zich als model.

Tot zover zijn we op bekend kunstbeschouwelijk terrein. Maar de ironie is natuurlijk dat het werk van Uphoff zelf een voorbeeld van die huiverkunst is.

In haar debuutbundel Begeerte en de daaropvolgende roman Gemis staat alles in een sfeer van dreiging onbestemd vaak, maar je voelt iets seksueels en gewelddadigs. Iets onderhuids, alsof daar grillige processen gaande zijn, en bij de Siamese tweeling in de nieuwe bundel is dat letterlijk waar. Ze leven van hetzelfde bloed, ze voelen elkaars liefde, haat en geilheid in hun eigen aderen stromen. Ze ondergaan van binnenuit wat hun regisseurs van buitenaf benaderen, en dat geeft de schrijfster de gelegenheid de theorie van de kunst te confronteren met de ervaring van de mens.

En die ziet er heel anders uit, in dit geval. Want voor zichzelf zijn de twee Siamezen helemaal niet griezelig. Voor hen is het veel griezeliger, omgekeerd, om te ontdekken `dat de wereld voor het grootste deel bevolkt is met afgescheiden individuen, die zich alleen in de seksualiteit in elkaar kunnen verliezen'. Juist de anderen, die in hun eentje door het leven moeten, zitten in hun eenzaamheid met een gebrek. `Het afgescheiden zijn' aldus het duo, `zit de mens niet in het bloed.'

Het is een gedachte waar je logica zich tegen verzet, want hoe komen wij zo afgescheiden als het niet juist door het `bloed', de natuur, is? En toch is het die gedachte die een rode draad door deze bundel trekt. De personages in de tien verhalen die volgen lopen sterk uiteen, van een verlaten vrouw tot een keukenknecht en zelfs een paard, maar een ding hebben ze gemeen. Ze willen van die afgescheiden levens af. De een zoekt een bruid in Polen de ander geeft zich over aan haar tandarts en een derde bindt zich vast aan haar geliefde om daadwerkelijk een te kunnen zijn. Het zit ze in het bloed.

Van die liefdes komt niet veel terecht, dat is meteen al duidelijk, die mensen eindigen net zo alleen als ze begonnen.

Veel belangrijker is dat je iets gaat opvallen aan het verlangen zelf. Een blik op de figuren die zij als geliefden kiezen en je voelt je nekhaar kriebelen. De romp is te kort. Een been te lang. Puilende ogen, wangen dooraderd als koraal. Gifgroene nachtcreme op een huid van leem. Een kale schedel, maar weer onuitroeibare beharing elders. Uphoff schrijft het koel en constaterend op, alsof het haar niet opvalt als iets ongewoons, maar daardoor valt het je als lezer des te meer op. Dit zijn dus geliefden. Mensen die aantrekkelijk gevonden worden.

Buitenissig

Het is die buitenissigheid waar het in deze bundel om draait. Je ziet die mensen aan en krijgt een neiging tot verzet, want waarom niet gewoon een leuk fris iemand als geliefde uitgezocht? Waarom zo'n aangetaste, door het leven gemangelde verschijning, als je er zelfs een mee wilt worden?

De verhalen doen niet aan psychologie en zeggen het zelf dus niet. Maar je kunt je er wel iets bij indenken. Deze mensen willen zich `verliezen', zoals de Siamese tweeling vaststelt. Ze willen van hun afgescheiden staat af door zich uit te leveren aan krachten die ze zelf niet in de hand hebben. Aan iets bruuts desnoods, aan pijn, geweld en ziekte, aan het leven zelf kortom, en daarom zoeken ze naar iemand die dat allemaal vertegenwoordigt. Iemand die door het leven geschonden is en daar de littekens van draagt, en daardoor blootlegt wat hun verlangen met zich meebrengt. Ze zullen gekwetst worden.

Dat, bij benadering is aan het eind van deze elf verhalen de ervaring-van-binnenuit die bij de `artistieke en filosofische ideeen' hoort waar het geheel mee opent. Dat is wat de lezer moet doen huiveren, anders gezegd, en daaraan kun je aflezen wat voor sensatie dat nu eigenlijk moet zijn, die huivering.

Je kijkt naar mensen die zich in het leven willen verliezen en je ziet een glimp van de verschrikkingen die ze daarmee over zich afroepen. Geen autowrak en geen orkaan, maar erg genoeg toch om je vrees te wekken. Zij zijn niet anders dan jij, ook jij wilt je wel eens verliezen. Het verschil alleen is dat jij hier toekijkt. Je krijgt hun ervaring mee, maar zonder die te hoeven ondergaan, en daarmee wordt de vrees verzilverd tot een dubbelzinnige bevrediging: de huivering.

Welaan dan. Heb ik bij De fluwelen machine nu ook werkelijk gehuiverd? Het boek laat zien wat Uphoff al eerder liet zien: dat ze een waar natuurtalent is. Ze schrijft zo eenvoudig als alleen een zelfverzekerd schrijver dat kan, van zin tot zin heel alledaags en toch volkomen eigen als je het geheel gaat overzien. Maar dat natuurtalent vraagt om een scherpe, strenge geest die het in de hand houdt, en daar ontbreekt het weleens aan. De bundel opent met een paar schitterende verhalen, maar vervolgens wordt het minder en de tweede helft is af en toe zelfs matig, met als dieptepunt een bezoek aan schoonfamilie in Sarajevo dat zo stromeloos is dat het haast wel autobiografisch moet zijn. Zoiets moet ze niet meer bundelen, daar is ze echt te goed voor, en mijn ergernis daarover staat mijn bewondering in de weg. Het gemiddelde is nog altijd heel aardig, maar als het echt goed was had ik in dit stukje meer gehuiverd en minder over huiveren op zich geschreven.