De waan van geborgen zijn; Een joodse soiree in fin-de-siecle Wenen

`Joden in Wenen rond 1900 - Een avond bij Beer-Hofmann' is t/m 17 januari te zien in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Er is een parallelprogramma met films, concerten en lezingen. Brigitte Hamann leest op 6 december, 14.30u, voor uit `Hitlers Wien'. Inl.(020) 6254229. `Wenen en de joden: 1867-1938' van Steven Beller verscheen bij Meulenhoff in een vertaling van Maarten Elzinga.

Rond de eeuwwisseling speelden de joden in het culturele leven van Wenen de hoofdrol. In het Joods Historisch Museum kunnen we op bezoek bij Freud Herzl, Schnitzler en Schonberg. Jammer dat we ze niet met elkaar kunnen horen praten.

Ze zijn allang dood, de vijftig gasten van Richard Beer-Hofmann, en ook de gastheer zelf is niet meer in leven. Ze stierven in Auschwitz of als ze geluk hadden, in een ver ballingsoord. Ze kunnen dus niet aanzitten aan de ter ere van hen georganiseerde dis. De stoelen aan de twee lange tafels zijn leeg,waar borden hadden moeten staan liggen nu plastic mappen. Buig je je diep voorover, dan blijkt in elke map een korte levensbeschrijving te zitten. Dat, plus wat foto's en precies vijftig meegebrachte cadeaus, is er in het Joods Historisch Museum van de ooit zo beroemde genodigden over.

Het is een ludiek en luguber idee om een tentoonstelling over joden in Wenen rond het jaar 1900 de vorm te geven van een gezellig avondje bij iemand thuis. We bevinden ons zogenaamd in de villa van Beer-Hofmann, een jurist, schrijver en kunstminnaar die zijn zaakjes zo te zien goed voor elkaar had. Duur en smaakvol zijn de in een vitrine geetaleerde spullen. De bonbonniere van het merk `Wiener Keramik', het gestroomlijnde tafelzilver, de sierlijk bewerkte chanoekakandelaar: het ademt de sfeer van welstand en beschaving. Richard Beer-Hofmanns salon moet zijn arme maar ook zijn rijke vrienden hebben behaagd: de kunstenaars net zo goed als de dokters en industriebaronnen.

Niet alle in het Joods Historisch Museum verzamelde gasten waren werkelijk vrienden van Richard en zijn vrouw Paula, maar ze hadden vrienden kunnen zijn. Of kennissen. Zomaar wat Weense joden zijn het niet. Nee, ze zijn zorgvuldig uitgekozen op de rol die ze in het culturele leven speelden, op filosofisch, psychologisch filantropisch en ga-zo-maar-door gebied. Opvallend veel acteurs en regisseurs, decorbouwers en kostuumontwerpers, zangers en componisten dramaschrijvers en theaterdirecteuren zijn van de partij: de podiumkunsten stonden in het fin-de-siecle-Wenen in hoog aanzien en de koningin der schone kunsten was het toneel.

Arthur Schnitzler, auteur van de scandaleuze drama's Reigen en Professor Bernhardi, babbelt in de salon van Beer-Hofmann misschien wel alleraardigst met de haatdragende criticus Karl Kraus, terwijl de schlagercomponist Hermann Leopoldi bij de vleugel staat te keuvelen met de twaalftoonsprofeet Arnold Schonberg. Op de drempel van de bibliotheekkamer zetten Sigmund Freud en Theodor Herzl een boom op over Herzls zionistische toneelstuk Das neue Ghetto.

Jeneverdrinker Kraus: “Ik meen van mijzelf te kunnen zeggen dat ik met de ontwikkeling van het jodendom nog tot de Exodus meega maar aan de dans om het gouden kalf doe ik niet meer mee.'

Schnitzler: “Een jood die van zijn vaderland houdt, ik bedoel met gevoelens van solidariteit met dynastiek enthousiasme, is absoluut een tragikomische figuur.'

Kraus: “Ik weet niet of het een joodse eigenschap is een oude jeneverdrinker in kaftan joodser te vinden dan een lid van de Duits-Oostenrijkse schrijversbond in smoking.'

Schnitzler: “Wat u joodse achtervolgingswaan wenst te noemen, beste Kraus, dat is in werkelijkheid niets anders dan een constant alert en heel intens besef van de toestand waarin wij joden ons bevinden, en veel beter dan van vervolgingswaan zou je van de waan van het geborgenzijn, van het met-rust-gelaten-worden kunnen spreken, van een veiligheidswaan, die misschien wel een minder opvallende maar een voor de patienten veel gevaarlijker ziekte is.'

Dienstmeisje: “Mag ik u een sigaar aanbieden, gnadige Herren?'

Leopoldi speelt een versgecomponeerd Wienerlied en prijst de klank van de Bosendorfer.

Schonberg: “Zoals van ieder oud volk is het ook onze bestemming: ons te vergeestelijken.

Ons los te maken van al het materiele. Wij willen ons geestelijk leven mogen leiden en niemand mag ons daarbij storen. Wij willen ons geestelijk vervolmaken, willen onze godsdroom mogen dromen zoals alle oude volkeren die de materie achter zich hebben.'

Leopoldi's oog valt op de vormgeefster Martha Alber. Hij kijkt haar na en neuriet zijn schlager `In einem kleinen Cafe in Hernals'.

Schonberg: “Wij weten dat we uitverkoren zijn om de gedachte van de enige, eeuwige, onvoorstelbare, onzichtbare god ten einde te denken te bewaren! Dat laat zich met niets vergelijken, en daarom blijft het Duitse racisme in frasen steken. Daarom meten zij neuzen, oren, benen buiken - omdat de gedachte hen nu eenmaal ontbreekt.'

Leopoldi ziet de schilderes Tina Blau. Hij schiet op haar af, struikelt over een been van Arnold Schonberg en dan over een kleedje van de Wiener Werkstatte. Schonberg masseert de blauwe plek. Ontstemd luistert hij de conversatie af tussen Freud en Herzl.

Freud: “Hoewel allang vervreemd van het geloof van mijn voorouders heb ik het gevoel van saamhorigheid met mijn volk nooit opgegeven.'

Herzl: “Ik ben er trots op dat ik een jood ben want als ik niet trots zou zijn zou ik toch een jood zijn. Dus ben ik liever meteen trots.'

Freud: “Ik ben een heel erg goddeloze jood.'

Herzl: “Er bestaat een beweging, de zionistische. Die wil het jodenvraagstuk oplossen door een geweldige kolonisatie. Alle mensen die het niet meer uithouden, in onze oude heimat, moeten naar Palestina gaan.'

Freud: “Zo eten wij dan mee op de zon- en feestdagen der vromen, maar terwijl zij menen dat ze daarmee een goede daad verrichten weten wij kinderen van de wereld: we hebben lekker gegeten.'

Mogelijk zijn honderden andere dialogen, groepsgesprekken, liefdesscenes ruzies en onwaarschijnlijke plots. Elk individu uit dit gezelschap is interessant genoeg voor een compleet aan hem of haar gewijd toneelstuk en sommigen, zoals Freud in het stuk De bezoeker van Eric Emmanuel Schmidt, doken onlangs inderdaad in de Nederlandse theaters op. Een toneelvoorstelling leeft, een tentoonstelling niet: die moet je zelf bezielen. In dit geval met behulp van een heleboel boeken. Boeken die de protagonisten van de tentoonstelling Joden in Wenen rond 1900 zelf geschreven hebben - zie bovenstaande citaten - en boeken over de tijd waarin zij leefden. Twee boeken die je in de museumwinkel kunt kopen helpen de fantasie alvast een eindje op weg. Daartoe reken ik niet de catalogus, want die bevat niets meer en niets minder dan wat er op de expositie te zien en te lezen is.

Leergierigheid

Ik doel, om te beginnen, op Wenen en de joden: 1867-1938 van de Britse Amerikaan Steven Beller, een tien jaar oude studie die ter gelegenheid van de tentoonstelling in een Nederlandse vertaling verscheen. Het eerste deel van Bellers boek bestaat uit bergen cijfermateriaal. Pas na een uitvoerige inventarisatie van het aantal joden op Weense gymnasia, aan Weense faculteiten en in de Weense vrije beroepen waagt Beller zich aan de uitspraak dat `de joden in die sectoren onevenredig sterk waren vertegenwoordigd'. Niet de openstelling van de Weense universiteiten voor joden in 1867, niet het streven van de zonen om het beter te doen dan hun vaak sappelende vaders ziet Beller als hoofdoorzaak van die intellectuele Aufschwung.

Beller, duidelijk in oppositie tegen zijn grote leermeester Carl E.

Schorske, verklaart de leergierigheid van Weense joden vooral uit de joodse traditie. Anders dan het katholicisme, legt hij uit, is het joodse geloof gericht op een direct contact met God, een individueel contact, verkregen door lezen en nog eens lezen van de heilige boeken. Terwijl de katholieke jongens in de Oostenrijks-Hongaarse provincie moesten zwoegen op het land zaten de joodse jongetjes boven hun thorarollen te prevelen. In Wenen verruilden zij de thora zonder veel problemen voor de wetenschap. Daar de katholieke Weners, opgevoed tot gehoorzaamheid en passief genieten, niet zulke gedreven onderzoekers waren hadden de joden op hen al gauw een voorsprong. Het gros van de Weense studenten, theaterbezoekers, journalisten en kunstenaars - met uitzondering van de `katholieke' beeldende kunsten - was rond 1900 joods.

Het tweede boek over Weense joden dat in het museum te koop is heet Judisches Stadtebild: Wien. In het inleidende hoofdstuk Achthundert Jahre judisches Leben in Wien besteedt Martha Keil ook aandacht aan het fin-de-siecle en zij verklaart de enorme leergierigheid van jonge, pas in Wenen gearriveerde joden uit hun verlangen om aan de bekrompenheid van het sjtetl te ontkomen. Helderder dan Beller vertelt zij over de jaloezie van de autochtone Weners, over hun groeiende antisemitisme, resulterend in massale steun voor Dr. Karl Lueger, die ondanks protesten van keizer Franz Joseph in 1897 burgemeester van Wenen werd. De joodse bevolking ooit door die keizer beschermd, moest opboksen tegen een vijandige wereld moest zichzelf meer dan ooit bewijzen. In dat spanningsveld van botsende culturen ontstond de psychoanalyse, de twaalftoonsmuziek, de Weense, zo sterk op het drama gerichte literatuur.

Sommigen, zoals Hugo von Hofmannstal, sublimeerden de harde werkelijkheid in een aristocratische schoonheidscultus. Anderen, onder wie Karl Kraus bespotten hun joodse komaf. Alleen de evenwichtigsten gingen de uitdagingen van hun tijd zonder angst en beven aan: terecht noemt Martha Keil de roman Der Weg ins Freie, waarin Arthur Schnitzler zowel de assimilisten als de traditionalisten aan het woord laat, en zowel de antisemiten als de zionisten. Judisches Stadtebild: Wien is een goede kennismaking met het werk van Weens-joodse schrijvers: er staan natuurlijk teksten in van Schnitzler en Herzl en Peter Altenberg en Stefan Zweig maar ook van mindere goden als Hugo Bettauer, auteur van de profetische roman Die Stadt ohne Juden.

Maar het beste boek over het vooroorlogse Wenen is niet te koop in de museumwinkel. Hitlers Wien: Lehrjahre eines Diktators van de Duits-Oostenrijkse historica en germaniste Brigitte Hamann is een briljante studie over de cultuur die Hitler voedde; een cultuur die niet alleen uit de speelse, libertijnse fijnzinnige en schongeistige bijdragen van welgestelde joden bestond maar ook uit de geestelijke producten van de achterblijvers, de gefrustreerde kleinburgers die gevoelig waren voor de meest obscure theorieen, vooral voor theorieen die hen het gevoel gaven ondanks alle ellende in wezen toch iets beters te zijn, en wel een deel van het Deutsches Edelvolk.

Omdat Hamanns boek zo conqequent en indringend naar de grote catastrofe leidt, de Anschluss in 1938 en de daaropvolgende systematische jodenvernietiging, bekijk je de tentoonstelling met andere ogen als je dienog eens bezoekt. Ineens zijn de meegebrachte cadeautjes niet meer zo onschuldig.

Die schattige Bambi op zijn wankele pootjes: nu weten we dat niet Walt Disney maar Felix Salten zijn schepper was, en Felix Salten stierf op de vlucht voor de nazi's. En dat heerlijke toneelkostuum van de acteur Rudolf Beer: het kostuum is er nog maar de man die erin zat pleegde zelfmoord, vlak na die rampzalige dagen in 1938.