De epische charme van het gasbedrijf; Autobiografie Gerrit Krol

Een autobiografie. Querido, 114 blz. f27,50

Het beeld van een typekamer, chefs en kantoorbedienden leeft nog steeds - vooral in de bellettrie, die graag achteruit reist. Maar `bedienden' bestaan niet meer, er zijn geen kantoor- of handelsb3edienden, geen jongste bedienden meer. Die zijn na jarenlange avondstudie opgeklommen tot chefs en vervangen door `de meisjes', die hogerop kwamen door te trouwen en vervangen werden door nieuwe meisjes, die niet meer trouwen niet meer typen, noch telefoneren, maar achter schermen zitten, net als iedereen. Wie door de gangen loopt van een nieuw, hedendaags kantoor - en welk hedendaags kantoor is niet nieuw - ziet open ruimtes, open deuren beeldschermen met een hoofd ervoor en onder al die hoofden (m/v) geen zichtbaar verschil meer tussen rang en stand, en functie. Iedereen een eigen scherm, een eigen stoel, een eigen bureau en een eigen zonnescherm want wie aan het scherm zit heeft een ander scherm nodig om de zon te weren.

`De moderne lezer, aangevuurd nog door de film, opgejaagd door de spannende reportage, vraagt naar kennis van de moderne wereld en al haar phenomena en van den modernen mensch in wisselwerking met die phenomena. Hij wil zien en doorgronden wat er rondom en in hem gebeurt. Hij wil alles weten van dit duizendvoudige leven en alles concies, doordringend, naakt scherp. Hij wil de moderne wereld en den modernen mensch, de uiterlijke en innerlijke werkelijkheid exact, nuchter, klaar, gezien door koele zuivere oogen en bondig samengevat'. Aan alle spellingshervormingen is het te wijten dat deze woorden tegenwoordig niet meer `modern' klinken. Ook de postmoderne mensch zal zich er niet in herkennen. Maar Gerrit Krol misschien wel. Hij heeft van jongs af aan een voorliefde voor Marsman gehad, en uit diens - nog altijd interessante - essay De aesthetiek der reporters (1932) is het bovenstaande citaat afkomstig. In het essay bekent Marsman zich, zij het met enige reserve, tot de Nieuwe Zakelijkheid waarvan in het werk van Krol de sporen zonder veel moeite zijn terug te vinden.

Als een van de weinige schrijvers is Krol er nooit voor teruggedeinsd de romantiek ook in de arbeid te zoeken waarmee hij naast de literatuur zijn dagen vulde. In zijn nieuwe boek 60 000 uur, met als ondertitel `een autobiografie', beschrijft hij zijn leven als computerprogrammeur en systeemanalist in dienst van Shell en de Nederlandse Aardolie Maatschappij. `Een man die geestdriftig vertelt over zijn werk is zuiver als bronwater', lezen we op een van de laatste bladzijden. En zo is het ook in deze ongewone autobiografie, waarin het vertelde bovendien volgens Marsmans recept `bondig' wordt samengevat.

Al uit eerder werk is bekend hoezeer Krol lyrisch kan worden over de `almachtige industrieen', zoals het heet in De chauffeur verveelt zich (1973). In zijn nieuwe boek bezingt hij de gasvelden in Groningen: `Nachtelijke verkeerspleinen lijken het, zeeen van licht, kunstijsbanen waarop geen schaatser te bekennen valt'. Gerrit Krol voelt zich er onmiskenbaar thuis, trots op de Groningse bodemschat en op zijn eigen aandeel in de exploitatie ervan. De wereld van de techniek is voor hem een machtige uitdaging. Of zoals hij het zelf nuchter uidrukt: `Ik wilde opgevoed in de wiskunde en de logica, en daarin verzand, wel 's begrijpen hoe de wereld werkte'.

We schrijven 1970. Terwijl een jongere generatie zich in het studentenprotest stort of aan de drugs raakt solliciteert Krol bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij, met in het hoofd een `haarscherp' beeld van het systeem dat het beheer van het Groningse gasveld zal moeten automatiseren. Een vooruitziende blik kan hem moeilijk ontzegd worden. Achteraf leest zijn relaas als een bescheiden heldensaga, voorzien van de klassieke pieken en dalen, waarin de verteller de `Heilige Graal van de Automatisering' in het oog krijgt, door succes overmoedig wordt en `aan lagerwal' raakt, en tenslotte `Het Idee' krijgt dat hem - althans op papier - het totale overzicht verschaft van alle systemen die in zijn bedrijf actief zijn.

De `Data Atlas' die uit dit Idee voortkomt, zou je de top van Krols verborgen schaduw-oeuvre kunnen noemen. De Atlas valt volledig buiten de literatuur, maar wanneer hij de drukproeven ervan onder ogen krijgt, overkomt hem een esthetische ontroering die beslist niet onderdoet voor wat een gedicht of roman de ontvankelijke lezer kan bezorgen.

Voor Krol zal er tussen het een en het ander geen wezenlijk verschil bestaan.

Intussen speelt de literatuur in deze autobiografie nauwelijks een rol van betekenis, net zo min als de psychologie. Krol heeft zijn boek niet voor niets `een autobiografie' genoemd; er zou ook nog een andere te schrijven zijn misschien zelfs diverse andere, zoals hij in het verleden (denk aan zijn vorige - autobiografische - roman De oudste jongen) trouwens al bewezen heeft.

Toch gaat het in dit met de nodige ironie vertelde heldenverhaal uiteindelijk minder over het individu Krol dan over de informatie-revolutie, die de wereld bijna ongemerkt een ander aanschijn heeft gegeven en waaraan Krol niet meer dan een steentje heeft bijgedragen. Het is een onderwerp dat in de hedendaagse literatuur zelden of nooit wordt behandeld. Om iets soortgelijks te vinden moeten we inderdaad terug naar de tijd van de Nieuwe Zakelijkheid, toen - met name in de Sovjet-Unie - romans werden gewijd aan de bouw van een stuwdam of een elektriciteitscentrale.

Bij Krol is uiteraard niets te bespeuren van de daarbij verplichte marxistisch-leninistische jubeltonen. Als hij in 60 000 uren ergens de lof van zingt, dan is het van de weinig spectaculaire routine en plichtsbetrachting, die de wereld `draaiende' houden. Voor Krol heeft deze routine ontegenzeggelijk een esthetische kwaliteit, die tot uiting komt in het `fraaie zinnetje' dat hij naar eigen zeggen al jaren bij zich draagt: `Elke morgen kwam het lenige meisje Diana de trappen afgerend'. In het boek komt dit lenige meisje verder niet voor maar niets hoeft ons ervan te weerhouden haar stiekem te herkennen in de anonieme meisjes van de typekamer die Krol wel beschrijft.

Vergeleken met vroegere romans als In dienst van de `Koninklijke' (1974) waarin Krol eveneens zijn professionele bezigheden ter sprake brengt getuigt deze autobiografie van een opmerkelijke soberheid. De overpeinzingen en andere digressies die destijds het leeuwendeel van de tekst uitmaakten, zijn nu gereduceerd tot een enkel aforistisch terzijde als `Vergaderen is een vorm van verval' of `De idealistische wereld is een wereld die niet veel tolereert'.

Dat is even wennen. Op het eerste gezicht maakt Krols nieuwe boek niet alleen een sobere, maar ook een ietwat schrale indruk - die pas verdwijnt, zodra je oog begint te krijgen voor de onnadrukkelijke epische charme van het verhaal dat hier wordt verteld.