Britten door Pinochet in een `kruisvuur' beland

AMSTERDAM, 27 NOV. Volgens de Britse Law Lords kan Pinochet zich niet beroepen op onschendbaarheid. Met uitlevering heeft dat echter niets te maken. Het woord is nu aan minister van Binnenlandse Zaken Straw.

De enige vraag die de afdeling rechtspraak van het Britse Hogerhuis hoefde te beantwoorden was of Pinochet aanspraak kon maken op onschendbaarheid als voormalig staatshoofd. Zo waarschuwde een van de Law Lords in de opzienbarende uitspraak over de ex-dictator. De door Spanje en andere landen gevraagde uitlevering is een hoofdstuk apart. De betogen van de vijf Law Lords bevatten verschillende aanwijzingen dat dit nog een hele klus kan worden.

Beide zijden in het verdeelde college waren het er over eens dat Groot-Brittannie door deze zaak is beland in “een kruisvuur'. Beide zijden vonden ook dat de effecten op de diplomatieke betrekkingen met Chili, als het Verenigd Koninkrijk uitlevering toestaat of met Spanje als het weigert, niet tot de competentie van de rechter behoren. Voor de ene Law Lord was dit een reden op zichzelf om te concluderen dat Groot-Brittannie geen rechtsmacht over de ex-dictator heeft. De ander verwees daarentegen “deze politieke zaken par excellence' door naar minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw. Veelbetekenend herinnerde deze rechter eraan dat de minister krachtens de uitleveringswet beleidsvrijheid bij zijn beslissing heeft.

Ook juridisch zijn er nog de nodige haken en ogen. Zo heeft de Spaanse onderzoeksrechter Garzon zijn uitleveringsverzoek aanvankelijk gebaseerd op Chileense misdrijven tegen Spaanse burgers. Voor dit nationale “beschermingsbeginsel' biedt het internationale (straf)recht zeker aanknopingspunten. Het is echter de vraag of Groot-Brittannie daaraan boodschap heeft. Volgens een van de Law Lords biedt het zijn eigen burgers niet zo'n vergaande bescherming. En uitlevering is gebaseerd op het beginsel van wederkerigheid.

Het eerste uitleveringsverzoek is inmiddels gevolgd door een tweede. Daarin wordt Pinochet onder meer betrokkenheid bij genocide ten laste gelegd. Het is echter de vraag of de aanklacht voldoet aan de definitie van volkenmoord in de Genocide-conventie van 1948 omdat in Chili groeperingen vooral zouden zijn vervolgd wegens hun politieke overtuiging. De conventie noemt dit kenmerk niet en spreekt alleen over “nationaliteit, etnische herkomst, ras en religie'. Spanje zegt echter dat deze definitie in het internationale recht inmiddels is geevolueerd.

Over de onderdelen foltering en gijzelneming uit de tweede aanklacht merkt een van de Law Lords zuinig op dat “zij aan een zeer dun draadje hangen'. Hij doelt daarmee op de omstandigheid dat Spanje bij pleidooi de tijdsperiode waarop de aanklacht betrekking heeft, sterk had ingeperkt.

Zo zou het wat foltering betreft feitelijk slechts gaan om een geval in de periode van 1 januari 1988 tot 11 maart 1990. Het tweede uitleveringsverzoek heeft overigens een voorlopig karakter zodat aanvulling mogelijk moet zijn. Marteling en gijzelneming zijn in elk geval ook een misdrijf volgens Brits recht zodat wederkerigheid geen punt kan zijn.

Het verweer dat Pinochet zelf niet zijn handen vuil heeft gemaakt, maakt in elk geval minder kans. Dit druist in tegen het elementaire beginsel, dat volgens een van de Law Lords gemeenschappelijk is aan alle beschaafde rechtssystemen: “er is geen onderscheid tussen de man die toeslaat en een man die een ander het bevel geeft toe te slaan'. De verafschuwde geheime dienst DINA, die van marteling en verdwijningen een specialiteit maakte, ressorteerde rechtstreeks onder Pinochet.