`Wij hadden altijd een oog op de zee'

NORTH FORELAND, 26 NOV. Engeland heeft geen vuurtorenwachters meer. North Foreland, de laatste bemande toren, is vanaf vandaag volautomatisch. Een romantisch beroep legt het af tegen de computer.

Met een eeltige vinger gaat hij over de zeekaart. Daar zijn de verraderlijke Goodwin Sands, daar de belboeien in de monding van de Thames en daar is de corridor voor supertankers op weg naar Rotterdam. Dan kijkt Dermot Cronin naar buiten, de nacht in. Geen schip te zien. Zijn licht verdwijnt in de mist: flits-flits-flits-flits-flits, en dan twintig seconden donker.

Cronin (54) is de chef-vuurtorenwachter van North Foreland, een Kentse kaap even ten noorden van Dover. Morgen is hij werkeloos. Want de laatste bemande vuurtoren van Engeland, Wales de Kanaal-eilanden en Gibraltar werkt vanaf vanavond volautomatisch.

Voortaan klimt niet dagelijks meer een man in een zwart uniform met koperen knopen over de gietijzeren wenteltrap door het binnenste van de toren. Een computer schakelt het licht aan en uit, draait een nieuwe halogeenlamp van 2000 watt voor de lenzen als de oude vervangen moet worden en vraagt het hoofdkantoor in Harwich zelf om een onderhoudsploeg als er echt iets mis is.

“Onvermijdelijk en wel zo efficient', zegt Cronin. De automatisering bespaart de Engelse vuurtorendienst, Trinity House, op termijn miljoenen ponden. Maar er is ook niemand meer om een vuurpijl te zien van een zeiljacht in nood. “Mijn gevoel zegt dat de automatisering tot meer ongelukken heeft geleid', zegt Cronin. “Wij zijn natuurlijk niet de kustwacht, maar wij hebben wel altijd een oog op zee. Het geeft daar een veilig gevoel als ze weten dat hierboven iemand zit.'

De vissersvloot is gedecimeerd, scheepswerven worden opgedoekt, de Royal Navy gesaneerd, schreef het zondagsblad The Observer deze week. “Het einde van vier eeuwen bemande vuurtorens is een nieuwe nagel aan de doodskist van de Britse maritieme natie.' Zou het? Op de brug van een containerschip - vandaag in New York, een paar dagen later in Antwerpen, en steeds spaarzamer bemand - wordt al jaren meer naar het radarscherm en het satellietplot gekeken dan naar knipperende lichtjes in het donker.

De beroepsvaart zal de vuurtorenwachter nauwelijks missen. Wel raken de landrotten een romantisch archetype kwijt. Maar dat zegt minder over het seaborne Empire dan over hun veranderde relatie met de zee.

De zee, dat is het blauwe kleed onder het vliegtuig op weg naar een lauw golfslagbad in Malta of Malaga. De zee, daar merk je niets van als je er onderdoor rijdt om in Frankrijk belastingvrije wijn in te slaan. De Britten houden nog wel van de zee: die uit de paperbacks van Patrick O'Brian, die van de Onedin Line en de nieuwe tv-serie Hornblower en de Cutty Sark, de laatste theeklipper in het droogdok van het maritiem museum in Greenwich en een merk ziltige whisky. Ze vrezen hem ook: als hij stijgt door het broeikas-effect. Maar wat hij ook is, hij is dezer dagen ver weg.

“Ik weet nog wel wat de zee is', zegt Cronin Dermot die sinds zijn 21-ste heeft gediend op alle soorten vuurtorens van Engeland. Van de eenzame torens op een rots in zee waar je bij storm twee maanden zonder televisie en met een lastige maat op aflossing moest wachten, tot zijn laatste toren, die tussen een golfbaan en een nieuwbouwwijkje staat. Dermot weet hoe het is als er bij windstilte opeens een donkere vlek vanaf de horizon komt aanschuiven en een paar minuten later een reuzengolf alle voorraden van de kade veegt. Of hoeveel maling sommige stormen aan de Beafortschaal hebben. Als op vijftig meter boven NAP een met bouten vergrendelde plaatstalen deur wordt ingeslagen. Als je naar buiten kijkt en geen schuimvlokken ziet maar groen water. “Ik heb mijn respect niet verloren', zegt Dermot.

Zijn ideale toren stond op Bardsey, een eilandje in de Ierse zee voor de kust van Wales. “Dat was een gezellige manier van leven', zegt hij.

“Er was een boer met zijn vrouw, en er waren pony's en schapen en in de zomer toeristen die er huisjes huurden. Hij weet nog goed hoe een zwangere vrouw opeens doktershulp nodig had en de torenwachters met de enige radio van het eiland een helikopter bestelden. “Maar nu heeft iedereen een mobiel telefoontje.'

Het was mooi, maar hij voelt geen nostalgie. En hij is ook niet de filosoof die burgers vanouds graag in een vuurtorenwachter zien. “Ik ben geen loner', zegt Cronin. Hij staart door het donkere glas naar buiten terwijl zijn gezicht en profil elke vier seconden even oplicht. De mist is opgetrokken. Aan de horizon schuiven de lichtjes van een veerboot voorbij. “Maar een nacht met volle maan die in een bijna rimpelloze zee weerspiegelt, of een dag met alleen vogels om je heen - die verlatenheid zal ik wel missen, ja.'

Computers kunnen het werk nu overnemen, schrijft The Observer in een hoofdartikel, en dat is goed. “Maar wat betreurd moet worden is het voorbijgaan van de waarden en vaardigheden van de vuurtorenwachters. Dienstbaarheid aan het openbaar belang is een gedevalueerde muntsoort, van het onderwijs tot in de regering. De vuurtorenwachters verdwijnen, maar zij hebben ons nog veel lessen te leren.'

Vanochtend zou prins Philip, de man van koningin Elizabeth, een plaquette onthullen aan de zeventiende-eeuwse toren van North Foreland. De plaquette zit al ingemetseld in de muur, maar is nog afgeplakt met grijs plastic. Wat zou erop staan? In elk geval dat hier al in 1499 een kustlicht werd gestookt. Misschien dat hier een bijzondere traditie eindigt. En heel misschien: Wil de laatste die vertrekt het licht aandoen?

    • Hans Steketee