Vlaams : Het zondagse pak van onze achterneven

Vlaanderen aanvaardt Noord-Nederland als taalnorm. Maar de meeste bewoners spreken nog altijd `verkavelingsvlaams'.

`HET WORDT TIJD dat de Nederlanders stoppen met ons aan te zien voor onderontwikkelde achterneven, die een potjeslatijn spreken dat wel enigszins met het hunne verwant is, maar waar ze eigenlijk niets van snappen. Ik ben de taaldiscriminatie van Nederlandse kant zowel op literair-cultureel als op maatschappelijk gebied meer dan beu.' Dat schrijft een lezer in het Vlaamse televisieblad Humo (17 november 1998). Hij is niet goed geworden toen de televisieserie Windkracht 10 bij de TROS ondertiteld op het scherm kwam. De acteurs spreken daar nochtans niets anders dan zeer behoorlijk Nederlands, meent hij. Af en toe kun je er eentje betrappen op een ietwat dialectisch `allez', maar dat maakt de dialogen toch niet onverstaanbaar voor Nederlanders.

Veel Vlamingen zullen er zo over denken. Maar het is een nieuw geluid in Vlaanderen. Dertig jaar geleden werd de eerste kandidatuur Germaanse filologie (zeg maar: het eerste studiejaar neerlandistiek) aan de Katholieke Universiteit Leuven nog verwelkomd door een professor die de mening uitsprak dat wij nu maar gauw Nederlands moesten leren. Dat wilde zeggen: alles vergeten wat we dachten dat Nederlands was. Want “de norm lag in het Noorden en daar kwamen we nog lang niet in de buurt'. Dat zei die prof, toen hij nog geen woord van zijn studenten gehoord of gelezen had. Kortom: ook hij zag ons aan voor onderontwikkelde achterneven.

Nochtans is het Nederlands (niet: het Vlaams) de officiele taal in Vlaanderen en met het Frans (niet: het Waals) en het Duits een van de drie bestuurstalen in Belgie. Op school leren Vlaamse kinderen Nederlands, de omroep spreekt Nederlands, de pers schrijft Nederlands. Dat wil niet zeggen dat je de afkomst ervan niet kunt herkennen.

Iedere Nederlander herkent een Vlaming vanaf het eerste woord met een g, een v, een r of een z erin. Net zoals elke Vlaming een Nederlander herkent “fan feer'. Maar als we willen weten of een woord goed geschreven is, grijpen we naar hetzelfde Groene Boekje, als we de precieze betekenis van een term willen kennen, nemen we dezelfde Van Dale en voor een vraag over de zinsbouw gaan we zoeken in dezelfde Algemeen Nederlandse Spraakkunst.

Dat Vlaanderen anders klinkt dan Nederland is niet verwonderlijk. Het ruikt ook anders. Het heeft een andere tint en het voelt anders aan. De straten zijn anders de stations, scholen en cafes. De kranten zijn anders, de affiches en de radiospotjes. Er wordt anders gegeten en misschien ook wel anders gevreeen. Dat is allemaal het gevolg van de Val van Antwerpen in 1585.

Toen begon de gescheiden ontwikkeling van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Terwijl in het Noorden een bloeiende tijd uitbrak raakte het Zuiden in economisch verval. In het Noorden legden taalkundigen zich toe op de constructie van een algemene standaardtaal. De Statenbijbel werd uitgegeven en in vele huisgezinnen dagelijks ter hand genomen. In het katholieke Zuiden bleven de erediensten in het Latijn. Later kwam de Franse overheersing. Het Nederlands kwam niet verder dan talloze dialecten, die steeds verder uit elkaar groeiden. Er bestond geen literatuur van betekenis, er was geen uniforme spelling, het voortgezet onderwijs werd in het Frans gegeven. Als we ooit onderontwikkelde achterneven waren, dan was het toen. Het Frans was de cultuurtaal in het Zuiden en bleef dat. Daar kon zelfs onze gezamenlijke koning Willem I niets aan veranderen.

Na de Belgische Omwenteling in 1830 begon voor de Vlaamse beweging een lange en moeizame strijd voor erkenning van de volkstaal.

Een van de problemen was, dat die volkstaal niet bestond. Er was wel een verzameling Vlaamse, Brabantse en Limburgse dialecten. De standaardisering die in Nederland was voltooid, moest in Vlaanderen nog beginnen. Sommige taalminnaars, zoals de priester-dichter Guido Gezelle, waren er aanvankelijk voorstander van een eigen Vlaamse taal te distilleren uit de dialecten. De belangrijkste culturele leiders zoals J.F. Willems en J.B. David, vonden het beter om het Nederlands uit het Noorden in te voeren als standaardtaal.

De gemeenschappelijke Taal- en Letterkundige Congressen, de instelling van het Woordenboek der Nederlandsche Taal en de invoering van de spelling van De Vries en Te Winkel, gaven uiteindelijk richting aan de evolutie die tot vandaag aan de gang is: Vlaanderen aanvaardt Noord-Nederland als taalnorm en propageert het Standaard-Nederlands als cultuurtaal, boven de dialecten.

Daarvoor werd een legertje slecht opgeleide onderwijzers ingezet. Mensen met meer goede wil dan kennis, die zelf school hadden gelopen in het Frans en thuis dialect spraken. Nog tot in de jaren zestig stonden er in Vlaamse scholen onderwijzers voor de klas die alleen hun streektaal machtig waren. Het gevolg bleef niet uit: sinds het midden van deze eeuw hoor je overal in Vlaanderen een tussentaal in plaats van het Algemeen Nederlands van het Noorden. Geen dialect, ook geen standaardtaal, maar `verkavelingsvlaams', zoals Geert van Istendael het noemde. Het heeft zijn dialectklanken afgeworpen en klinkt daardoor van verre als Nederlands, maar het krioelt van dialectwoorden en gallicismen.

Grote culturele verenigingen propageren wel het ABN en richtten in de jaren zestig overal `ABN-kernen' op.

Er stonden publieke taalmeesters op, zoals Joos Florquin, Marc Galle, Maarten van Nierop en Eugene Berode, die via de media taaladvies gaven. De taalzuiveringsboekjes van P.C. Paardekooper, H. Heidbuchel, Paul Cockx en anderen gingen als warme broodjes over de toonbank. Het tijdschrift van de Vereniging Algemeen Nederlands wordt nog steeds veel gelezen door mensen met vragen over hun taalgebruik.

Maar het was boter aan de galg: pseudo-Nederlandse uitdrukkingen zoals een opvolger aanduiden (aanstellen), zijn papieren bij hebben (bij zich hebben), de duimen leggen (het onderspit delven), iemand wandelen sturen (de laan uit sturen) krijg je niet meer uit het taalgebruik gebrand, als je ze zelfs in de kranten en op de televisie meer tegenkomt dan hun standaardtalige broeders en zusters. Eugene Berode, de gezaghebbende taaladviseur van de openbare omroep, constateerde aan het eind van zijn carriere dat hij nog precies dezelfde fouten moest corrigeren als aan het begin.

Slechts weinig taalkundigen in Vlaanderen geven de strijd op en pleiten voor een eigen norm. De taalsocioloog Kas Deprez voert een eenzame strijd hiervoor. “Dit is een overgangsgebied, bewoond door bastaarden. Moge het nog lang zo blijven', schreef hij in De Standaard (3 maart 1998). De meerderheid van zijn collega's blijft bij het oude eenheidsideaal. Frans Debrabandere van de Vereniging Algemeen Nederlands: “Het taalcentrum van het Nederlands ligt in Nederland. Een tussentaal die in honderden uitdrukkingen aan het Franse origineel herinnert, kan niet de norm zijn.'

En de modale taalgebruiker in Vlaanderen? Recent onderzoek van de KU Leuven naar de terminologie over kleding en sport heeft uitgewezen dat de afstand in het taalgebruik tussen Vlaanderen en Nederland tussen 1950 en 1990 aanmerkelijk kleiner is geworden en dat Nederlandstalig Belgie zijn standaardiseringsachterstand ten opzichte van Nederland ingelopen heeft.

Maar volgens professor Dirk Geeraerts is Vlaanderen in een overgangsfase blijven steken. Het verschil tussen de gesproken omgangstaal en het geschreven Standaard-Nederlands is in Vlaanderen groter dan in Nederland. “Noem het een zondagsepakmentaliteit. De Vlaming trekt het kostuum aan, maar voelt zich er niet in thuis. Daar komt de aangeboren schroom van de Vlaming meespelen: alles bijeengenomen participeren gewone mensen niet graag in het openbare debat. Ze nemen niet graag het woord voor een publiek. Het Standaard-Nederlands is de taal van een rol waarmee we ons niet willen identificeren.'

Waarom verslaan Vlamingen dan de Nederlanders telkens weer in het Groot Dictee of in Tien voor Taal? Wellicht is de verklaring dat ze hun taal met veel meer moeite hebben moeten aanleren. En diep schrijnt het besef dat het Nederlands voor Belgen drie eeuwen lang geen evidentie was. Daarom koestert de Vlaming zijn taal meer dan de Nederlander. Hij vindt het onvergeeflijk dat de gemiddelde Nederlander zijn taal zo slecht kent en zo zichtbaar verwaarloost.