Twijfel over noodzaak tweede Maasvlakte

ROTTERDAM, 26 NOV. Bouwbedrijf Ballast Nedam, ING bank en havenbedrijf ECT presenteerden vandaag hun plan voor een tweede Maasvlakte. Over nut en noodzaak van de aanleg bestaat echter grote twijfel.

Het Centraal Planbureau (CPB) en het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (GHR) blijven van mening verschillen over de toekomstige ruimtebehoefte van de Rotterdamse haven. Het CPB meent dat Rotterdam in 2020 met 490 hectare nieuw bedrijfsterrein kan volstaan, het Havenbedrijf acht 750 hectare nodig. Dit blijkt uit recente berekeningen van beide instellingen.

De `hectarendiscussie' is belangrijk voor de besluitvorming over de eventuele aanleg van een tweede Maasvlakte. De Projectorganisatie Mainport Rotterdam (PMR) bestudeert verschillende opties voor nieuw haventerrein. Ze bekijkt de mogelijkheden die de huidige 5.000 hectare Rotterdams haventerrein nog bieden, terreinen bij Vlissingen (containers bij de Sloehaven), Moerdijk en Terneuzen (chemie), en aanleg van een tweede Maasvlakte.

Op verzoek van de Projectorganisatie evalueerde het Planbureau de studie Economische en ruimtelijke verkenningen 2020 die het GHR in juni publiceerde. Het Havenbedrijf berekende daarin een tekort van 1.260 hectare haventerrein in 2020. Het ging daarbij uit van een gemiddelde jaarlijkse economische groei van 3,25 procent.

Het Planbureau oordeelde dat het GHR met 3,25 procent groei per jaar “een weinig solide vertrekpunt' had gekozen. “Hoge economische groei, marktaandeelwinst voor de Rotterdamse haven over een breed front relatief lage ruimteproductiviteit en beperkte mogelijkheden tot (her)gebruik van het havengebied werken alle `tekortverhogend'. Zo worden alle risico's in een richting geplaatst', aldus het CPB. Het acht evenmin duidelijk “waarom een strategische voorraad (bedrijfsterrein) aanwezig moet zijn op het moment dat nieuw terrein daadwerkelijk wordt opgeleverd'.

Ergo: Rotterdam kan in 2020 met 490 hectare volstaan.

Op verzoek van de PMR maakte het Rotterdamse havenbedrijf een nieuwe raming over de behoefte aan nieuwe haventerreinen in 2020, nu op basis van 2,75 procent groei per jaar. In dit geval heeft de Rotterdamse haven in 2020 slechts 750 hectare nieuw terrein nodig.

In dit `realistische' scenario rekent het havenbedrijf niet meer op nieuwe terreinen voor de chemische industrie. Voor containers is slechts 190 hectare nodig, voor roll on/roll off-vervoer 45 hectare en voor distributie 65 hectare. In totaal gaat het dus om 300 hectare bedrijfsterreinen plus 450 hectare `strategische reserve'. Op de huidige Maasvlakte kan overigens nog 280 hectare terrein worden uitgegeven.

Wat de chemiesector betreft lijkt het GHR rekening te houden met de waarschuwing van het CPB dat de krimp die het GHR in zijn ramingen tot 2020 voorziet `mogelijk al binnen enkele jaren wordt gerealiseerd'. Het CPB noemt in dit verband teruggave van terreinen in de vierde Petroleumhaven (100 hectare) en Europoort (100 hectare). Het gaat hierbij onder meer om terrein voor fabrieken die Arco Chemicals wilde bouwen in de Botlek en op de Maasvlakte. Plannen hiervoor werden voor twee jaar in de ijskast gezet nadat Arco afgelopen juli was overgenomen door het Amerikaanse chemische concern Lyondell. Het GHR heeft ook geraamde terreinbehoefte warmtekrachtcentrales verminderd van 140 tot 20 hectare merkt het Planbureau op.

Zowel uit de berekeningen van het CPB als het GHR blijkt dus dat de Rotterdamse haven over twee decennia aanmerkelijk minder terrein nodig heeft dan tot voor kort aangenomen. Daardoor groeit de twijfel of een tweede Maasvlakte wel moet worden aangelegd.

Alleen al de kosten van een zeewering rond Maasvlakte II worden op drie miljard gulden geschat.

FNV-bestuurder Henk van der Kolk plaatste vorige week “nogal wat vraagtekens bij nut en noodzaak van deze uitbreiding' op een conferentie georganiseerd door zeven in de werkgroep `Consept' verenigde natuur- en milieuorganisaties in Rotterdam. Op die bijeenkomst kreeg minister Netelenbos (Verkeer en Waterstaat) een reeks ideeen aangeboden om ruimte te vinden in het bestaande Rotterdamse havengebied, zoals het negen-hoog stapelen van containers en sanering van vervuilde bodems. Als dat onvoldoende ruimtewinst oplevert, moet volgens het FNV eerst gezocht worden naar mogelijkheden elders in Zuidwest-Nederland, Vlissingen, Terneuzen en Moerdijk.

Van der Kolk: “In Vlissingen en Terneuzen samen zou op korte termijn in totaal 1.300 hectare beschikbaar zijn of beschikbaar gemaakt kunnen worden. De kosten om deze 1.300 hectare gebruiksklaar te maken belopen zo'n 1,2 miljard. Uitbreiding van de Maasvlakte met 1.000 hectare kost ongeveer het vijfvoudige. Deze oplossingsrichting moet dus zeer serieus bekeken worden.'

De FNV-bestuurder meent dat het beschikbare geld beter kan worden geinvesteerd in versterking en verbreding van de stedelijke economie van Rotterdam dan uitbreiding van de haven die `meer van hetzelfde' oplevert en weinig extra directe werkgelegenheid. De Rotterdamse gemeenteraad sprak zich eerder al in deze zin uit.

De opvatting van de natuur- en milieuorganisaties dat de Rotterdamse regio behalve een economische impuls ook een investering in stedelijke kwaliteit nodig heeft, werd op de Conseptconferentie algemeen onderschreven. De fractiespecialisten van de vijf grote partijen in de Tweede Kamer schaarden zich achter de opvatting van Consept dat de 750 hectare natuurontwikkeling in het mondingsgebied van Maas en Rijn er moet komen ook als wordt afgezien van aanleg van een tweede Maasvlakte.

Hoofddirecteur F. Evers van de Vereniging Natuurmonumenten betoogde dat geen nieuwe Maasvlakte nodig is als Rotterdam, Vlissingen, Terneuzen en Moerdijk een havenbedrijf vormen. “Nut en noodzaak van een tweede Maasvlakte zullen nooit bewezen worden', aldus Evers.